ECLI:NL:RBMNE:2014:7147
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S.G.M. Buys
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek som ineens voor verzorging en opvoeding minderjarige erfgenaam
De zaak betreft een verzoek op grond van artikel 4:35 BW Pro om een som ineens toe te kennen aan een minderjarige erfgenaam uit de nalatenschap van haar overleden vader. De minderjarige is onder bewind gesteld en haar erfdeel is op een geblokkeerde bankrekening gestort. Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordiger, vordert een bedrag van circa €29.410,50 ter ondersteuning van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Verweerders betwisten de noodzaak van een som ineens en stellen dat de overlevende ouder voldoende financiële middelen heeft om in de kosten te voorzien. De kantonrechter overweegt dat het recht op een som ineens alleen bestaat indien de overlevende ouder niet in staat is tot onderhoud. Uit de stukken blijkt dat er een maandelijkse bijdrage van €250,- door de overledene aan verzoekster is betaald en dat verzoekster geen nadere onderbouwing van haar financiële situatie heeft gegeven.
De kantonrechter concludeert dat de enkele stelling van een bijdrage van €250,- onvoldoende is om aan te tonen dat de som ineens noodzakelijk is. Ook is niet gebleken dat de minderjarige of verzoekster financiële problemen ondervinden sinds het overlijden. Gezien het testament en de geblokkeerde bankrekening, acht de kantonrechter het verzoek ongegrond en wijst het af. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een som ineens wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak.