Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11;
- de brief met producties van de zijde van [gedaagde] van 1 oktober 2014;
- de brief met productie van de zijde van [eiser] van 22 oktober 2014;
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2014;
- de pleitnota van [eiser];
- de pleitnota van [gedaagde].
2.De feiten
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
nadat de huur is ingegaan. De kantonrechter overweegt dat in dit geval de schriftelijke verklaring, waar [eiser] zich op beroept, dateert van 1 augustus 2012 en dat op diezelfde datum de huur ook is ingegaan. [gedaagde] heeft ook verklaard dat hij
bij het aangaanvan de huur die schriftelijke verklaring heeft moeten ondertekenen, hetgeen door [eiser] niet is weersproken. Bij het aangaan van de huurovereenkomst gemaakte afspraken over beëindiging zetten de verplichting van de verhuurder tot opzegging echter niet opzij. Zou dit wel mogelijk zijn dan zou het systeem van huurbescherming immers worden ondergraven. Nu [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen
nadatde huur is ingegaan afspraken hebben gemaakt over de beëindiging van de huur gaat zijn stelling dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, niet op.