ECLI:NL:RBMNE:2014:1552

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2014
Publicatiedatum
23 april 2014
Zaaknummer
16-661332-13 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel uit verkoop laptops

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 april 2014 een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte was eerder veroordeeld voor opzetheling met betrekking tot de verkoop van laptops. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van maximaal €4.975, maar wijzigde dit tijdens de zitting naar €1.300, gebaseerd op het voordeel dat verdachte had behaald door de verkoop van 26 laptops.

Uit het strafdossier en de verklaringen van verdachte bleek dat hij 70 laptops had gekocht voor €300 per stuk en er bij een doorzoeking 44 laptops waren aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij de overige 26 laptops had verkocht voor €350 per stuk, waardoor hij per laptop een voordeel van €50 had behaald. Dit resulteerde in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €1.300.

De rechtbank bevestigde dat het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt dat verdachte dit bedrag aan de Staat moet betalen. De beslissing werd genomen bij verstek, aangezien verdachte niet was verschenen. De rechtbank legde de verplichting tot betaling van €1.300 aan de Staat op en stelde dit bedrag vast als het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Verdachte is verplicht €1.300 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/661332-13 (ontneming)
Datum vonnis: 17 april 2014
Verkort vonnisvan de meervoudige kamer voor strafzaken
bij verstekgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1975] te [geboorteplaats] (Afghanistan),
wonende te [adres] te [woonplaats] (Groot Brittannië).

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/661332-13, waaruit blijkt dat verdachte op 14 februari 2014 door deze rechtbank is veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzetheling;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 3 april 2014;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Veroordeelde is niet verschenen.

2.De beoordeling

2.1
De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 6 maart 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 4.975,-.
Ter terechtzitting van 3 april 2014 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd, in die zin dat zij thans vordert het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat te stellen op € 1.300,-. De officier van justitie baseert dit bedrag op het voordeel dat veroordeelde heeft verkregen uit de verkoop van de laptops. Verdachte heeft verklaard dat hij 70 laptops heeft gekocht. Bij de doorzoeking in zijn bedrijf zijn 44 laptops aangetroffen. Veroordeelde heeft verklaard dat hij de rest heeft verkocht. Veroordeelde heeft derhalve 26 laptops verkocht. Uit zijn verklaring volgt dat hij de laptops voor € 350,- per stuk heeft verkocht. De inkoopprijs was € 300,-. Per laptop heeft veroordeelde derhalve een voordeel verkregen van € 50,- en in totaal voor de verkoop van 26 laptops € 1.300,-.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
Dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan blijkt uit het door de meervoudige kamer van deze rechtbank gewezen vonnis in de strafzaak van 14 februari 2014 en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.
Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:
- Veroordeelde heeft verklaard dat hij 70 laptops heeft gekocht voor een bedrag van € 300,- per stuk;
- Op 8 februari 2013 zijn bij een doorzoeking in het bedrijf van veroordeelde 44 laptops aangetroffen;
- Veroordeelde heeft verklaard dat hij de rest van de laptops, derhalve 26 laptops, heeft verkocht;
- Veroordeelde heeft verklaard dat hij de laptops heeft verkocht voor een bedrag van € 350,- per stuk;
- Veroordeelde heeft derhalve € 50,- voordeel genoten per verkochte laptop;
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve gesteld op: 26 x € 50,- =
€ 1.300,-

3.De beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.300,-.
Legt op aan veroordeelde de verplichting tot betaling van € 1.300,- (dertienhonderd euro) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M. de Stigter, voorzitter en mrs. G. Perrick en C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2014.