Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht
bij verstekgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 april 2014 een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte was eerder veroordeeld voor opzetheling met betrekking tot de verkoop van laptops. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van maximaal €4.975, maar wijzigde dit tijdens de zitting naar €1.300, gebaseerd op het voordeel dat verdachte had behaald door de verkoop van 26 laptops.
Uit het strafdossier en de verklaringen van verdachte bleek dat hij 70 laptops had gekocht voor €300 per stuk en er bij een doorzoeking 44 laptops waren aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij de overige 26 laptops had verkocht voor €350 per stuk, waardoor hij per laptop een voordeel van €50 had behaald. Dit resulteerde in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €1.300.
De rechtbank bevestigde dat het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt dat verdachte dit bedrag aan de Staat moet betalen. De beslissing werd genomen bij verstek, aangezien verdachte niet was verschenen. De rechtbank legde de verplichting tot betaling van €1.300 aan de Staat op en stelde dit bedrag vast als het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Verdachte is verplicht €1.300 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.