Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
- door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie, enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten, en
- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die kleindochter.
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het recht tot strafvervolging is beperkt door grenzen, daaraan gesteld door beginselen van behoorlijk procesrecht. De rechter mag zich niet inlaten met de opportuniteit van de strafvervolging maar toetst wel de rechtmatigheid van de strafvervolging. Ten aanzien van de te nemen vervolgingsbeslissing moet rekening gehouden worden met de beginselen van een goede procesorde, die onder meer inhouden dat niet gehandeld wordt naar willekeur. Zo ligt in het gelijkheidsbeginsel de eis besloten dat de strafvorderlijke overheid in gelijke gevallen gelijk optreedt. Anderzijds is er sprake van een zich ontwikkelende (internationale) samenleving met veranderende inzichten ten aanzien van de in die samenleving geldende normen en waarden. Op grond daarvan worden internationale en nationale wetten en regelingen - en de daarin opgenomen geboden en verboden - steeds aangepast en aangescherpt, hetzij in beperkende, hetzij in verruimende zin. Nieuwe inzichten over de vraag onder welke strafrechterlijke bepalingen bepaalde gedragingen mogelijk kunnen worden gebracht, leidt er dan onvermijdelijk toe dat een persoon als (een van de) eerste(n) daarmee wordt geconfronteerd zoals in deze strafzaak waarbij verdachte naast de verdenking van diefstal, mensenhandel ten laste is gelegd het geval is. Dit kan niet als willekeur worden bestempeld en doet aan de rechtmatigheid van de vervolgingsbeslissing dan ook niets af.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
9.Het beslag
9.Beslag
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
8 (acht) maanden.
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
3 (drie) jarenvast.
- een personenauto Peugeot 307 ([kenteken])
- ID-kaart op naam van[B]
- kentekenbewijzen [kenteken] en [kenteken]
- de koffer/trolley