ECLI:NL:RBMID:2002:AE9448
Rechtbank Middelburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzet niet-ontvankelijk bij gelijktijdig instellen van verzet en appel
In deze zaak stond de vraag centraal welke procedure voorrang heeft wanneer verzet en appel gelijktijdig worden ingesteld. Opposante en geopposeerde hadden beiden op 9 oktober 2001 dagvaardingen betekend, respectievelijk voor verzet en appel. Partijen konden niet exact vaststellen welk tijdstip van betekening eerder was, waardoor de rechtbank aannam dat de dagvaardingen gelijktijdig waren uitgebracht.
Opposante stelde dat het verzet voorrang moest krijgen, omdat niet duidelijk was dat het appel eerder was betekend en dat het appel werd gebruikt om het verzet te frustreren. Geopposeerde erkende de dagvaardingen maar stelde dat het appel eerder was uitgebracht en dat het appel moest prevaleren. De rechtbank verwees naar het wettelijke stelsel en concludeerde dat bij gelijktijdige betekening het appel voorrang heeft op het verzet.
De rechtbank baseerde zich op artikel 335 lid 1 Rv Pro en de mogelijkheid van incidenteel appel om het recht van de oorspronkelijk gedaagde te waarborgen. Opposante werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet en veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 597,25. Het vonnis werd uitgesproken op 14 augustus 2002 door rechter J. de Graaf.
Uitkomst: Opposante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet en veroordeeld in de proceskosten.