ECLI:NL:RBMAA:2012:BY1814

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
4 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
174946 / BZ RK 12-644
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArtikel 15 Wet BopzArtikel 37a Wet BopzArtikel 38a Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis ondanks kinderwens

Betrokkene, bekend met een langdurig psychotisch toestandsbeeld en schizofrenie, heeft vanwege haar kinderwens de medicatie stopgezet, wat het risico op verslechtering en gevaarlijk gedrag vergroot. De rechtbank beoordeelt dat betrokkene momenteel geen actueel gevaar vormt en dat het gevreesde gevaar vooral toekomstgericht is.

De rechtbank weegt het recht op respect voor het privéleven, waaronder het recht op het krijgen van een kind, af tegen de noodzaak van een gedwongen opname. Er wordt vastgesteld dat minder ingrijpende maatregelen dan opname mogelijk zijn, zoals ondersteuning door de moeder van de vriend en het zoeken naar medicatie met minder risico's.

Gezien de huidige situatie en het ontbreken van een directe dreiging, concludeert de rechtbank dat een gedwongen opname niet noodzakelijk is en wijst het verzoek af. Partijen kunnen binnen drie maanden beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging voortgezet verblijf wordt afgewezen vanwege het ontbreken van actueel gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum beschikking: 4 oktober 2012
Zaaknummer: 174946 / BZ RK 12-644
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven
in de zaak van
[naam betrokkene],
geboren op [1989],
wonend te [woonplaats], [adres],
verblijvend in Mondriaan Heerlen.
1. Het procesverloop
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 26 september 2012 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht ten aanzien van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die ingevolge een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen.
Bij het verzoekschrift is een op 25 september 2012 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van drs. C.M.M. Vleugels, geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene is opgenomen en die niet bij haar behandeling betrokken was, alsmede een afschrift van de in artikel 37a van de Wet Bopz bedoelde aantekeningen en van het in artikel 38a van de Wet Bopz bedoelde behandelingsplan.
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld ter zitting op 4 oktober 2012, waar zijn gehoord betrokkene, bijgestaan mr. B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen, alsmede M. Godding, PIT-verpleegkundige, Voorts zijn gehoord [X], vriend van betrokkene, en [Y], moeder van de vriend van betrokkene.
2. Overwegingen
2.1
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens.
2.2
Met betrekking tot de vraag of deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend overweegt de rechtbank het volgende.
2.3
In de geneeskundige verklaring is vermeld dat betrokkene bekend is met een inmiddels langdurig psychotisch toestandsbeeld, dat met name verergert door cannabisgebruik. Betrokkene weigert nu geheel behandeling met medicatie in verband met haar kinderwens. Zij heeft geen ziekte-inzicht, noch ziektebesef. Daardoor is er een grote kans op verslechtering van haar toestandsbeeld. Het ernstige gevaar bestaat daarin dat betrokkene door haar verminderde kritiek- en oordeelsvermogen niet in staat is zichzelf te verzorgen, zij maatschappelijk ten onder zal gaan en dat haar psychotische belevingen zonder medicatie zullen toenemen en tot gevaarlijk gedrag zullen leiden. Betrokkene heeft geen inzicht in wat een eventuele zwangerschap voor haar zou kunnen betekenen. Het is zeer de vraag of ze voor zichzelf en een kindje zal kunnen zorgen. Een terugval in de vorm van een decompensatie wordt als een reëel risico gezien.
2.4
Betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat het al een hele tijd goed met haar gaat. Tot zij in september 2012 weer werd opgenomen heeft ze met haar vriend bij de moeder van deze vriend gewoond. Ze is met het innemen van haar medicatie gestopt, omdat zij deze niet bevorderlijk vond voor een eventuele zwangerschap. Betrokkene gebruikt geen cannabis meer, zij het dat ze zo af en toe nog eens een ‘teugje’ neemt. Betrokkene zegt veel steun van haar vriend en diens moeder te ontvangen. De moeder van de vriend heeft benadrukt dat zij een goede band heeft met betrokkene en haar zo goed mogelijk zal bijstaan, ook in het geval er een kindje mocht komen.
2.5
De rechtbank stelt voorop dat de moeder in de periode van februari 2012 tot september 2012 ten huize van de moeder van haar vriend heeft verbleven. Uit het evaluatieverslag blijkt dat betrokkene op weg was op een adequate wijze aan haar leven vorm te geven. Ze nam haar medicatie in en haar gebruik van cannabis nam sterk af. Toen betrokkene een kinderwens kreeg, is zij echter gestopt met het innemen van haar medicatie en met het gebruik van de anti-conceptiepil.
2.6
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de directe aanleiding voor de indiening van het verzoek is gelegen in de kinderwens van betrokkene, in combinatie met het stoppen van het innemen van haar medicijnen. Dat – zoals in de geneeskundige verklaring is vermeld - betrokkene haar kinderwens mogelijk onder druk van haar vriend en diens moeder zou hebben geuit acht de rechtbank niet aannemelijk.
2.7
Zoals ter zitting is besproken kan betrokkene niet het recht worden ontzegd een kind te krijgen. Dit recht hangt samen met het door artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op respect voor het privé leven. Inmenging in dit recht van de moeder kan op grond van het tweede lid van deze bepaling weliswaar gerechtvaardigd zijn, maar dat zal slechts het geval zijn als de maatregel noodzakelijk is om het gestelde gevaar af te wenden. Daarbij doet zich in het bijzonder de vraag voor of ter afwending van het gevaar niet met een minder verstrekkend middel kan worden volstaan.
2.8
Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de directe aanleiding voor het opnieuw opnemen van betrokkene en voor het huidige verzoek is gelegen in de kinderwens van betrokkene en haar keuze om in verband daarmee geen medicijnen meer te gebruiken. De behandelaar van betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat de kinderwens van betrokkene weliswaar serieus is genomen, maar dat betrokkene geen idee heeft wat dit allemaal in zal houden. Niet duidelijk is of betrokkene voor zichzelf en voor haar kindje zal kunnen zorgen. Gelet op de diagnose schizofrenie bestaat het risico op terugval en decompensatie van betrokkene. Volgens de behandelaar is het noodzakelijk dat betrokkene zich van deze risico’s bewust wordt en zich realiseert welke gevolgen het voor de verzorging van baby zal hebben als betrokkene psychotisch wordt. Verder is het noodzakelijk dat onderzocht wordt of er medicatie is die minder risico’s voor een eventuele zwangerschap van betrokkene mee zal brengen. De behandelaar heeft echter toegegeven dat betrokkene de laatste maanden een goede periode heeft gehad bij de moeder van haar partner.
2.9
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat het verzoek vooral is ingegeven door de vrees voor een verhoogde psychositeit van betrokkene in de toekomst, zonder dat dit gevaar zich op dit moment al gerealiseerd heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze vrees, gelet op de stoornis van betrokkene weliswaar reëel is, en dat er in die zin van dreiging van gevaar kan worden gesproken. Gelet echter op de huidige stand van zaken is niet gebleken dat een (nieuwe) gedwongen opneming van betrokkene noodzakelijk is om dit gevaar af te wenden. De door de behandelaars van betrokkene gevreesde psychositeit is op dit moment immers niet actueel. Voorts is betrokkene op dit moment niet zwanger, zodat er nog tijd is om haar op deze toestand voor te bereiden. Daarbij kan de moeder van de partner een belangrijke rol spelen. Daar tekent de rechtbank overigens bij aan dat deze moeder dan wel zal moeten openstaan voor de adviezen van de hulpverleners van betrokkene. Belangrijk is voorts dat serieus werk zal worden gemaakt van het zoeken van medicatie die minder risico’s voor betrokkene en kind zal meebrengen, voor het geval betrokkene inderdaad zwanger zou worden. Mocht deze medicatie voorhanden zijn, is het belangrijk dat betrokkene openstaat voor een dergelijke aanpassing.
2.1
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat naar de huidige stand van zaken niet gebleken is dat ter afwending van het door de behandelaars gevreesde gevaar niet met minder verstrekkende middelen dan de verzochte maatregel kan worden volstaan. Het verzoek wordt dan ook afgewezen
Gelet op de desbetreffende artikelen van de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Aldus gegeven door mr. R.E. Bakker, rechter, en uitgesproken op 4 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.
RB
Tegen deze beschikking kan door partijen met tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.