ECLI:NL:RBMAA:2012:BY0931

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
175387 / BZ RK 12-681
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige machtiging voor gedwongen opname wegens stoornis geestvermogens zonder behandelperspectief

De rechtbank Maastricht behandelde het verzoek tot voorlopige machtiging voor betrokkene, die een ernstige cognitieve stoornis heeft veroorzaakt door langdurig alcohol- en drugsgebruik. Ondanks dat betrokkene thans nauwelijks nog middelen gebruikt, blijft het gevaar van maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing aanwezig.

Tijdens de zitting werden betrokkene, zijn advocaat, een psychiater, een verpleegkundige, zijn broer en mantelzorger gehoord. De instelling stelde dat betrokkene 24-uurs zorg nodig heeft die de mantelzorg niet kan bieden. De rechtbank constateerde dat betrokkene zich verzet tegen opname en dat gevaar niet anderszins kan worden afgewend.

De advocaat voerde aan dat het verzoek moest worden afgewezen omdat het verblijf niet op behandeling is gericht. De rechtbank verwierp dit, stellende dat de Wet Bopz geen behandelvereiste stelt voor gedwongen opname, zolang het gevaar voor betrokkene of de samenleving blijft bestaan. De machtiging wordt daarom voor maximaal drie maanden verleend met het oog op spoedige overplaatsing naar passende zorg.

De rechtbank wees het verzoek toe en beperkte de duur van de voorlopige machtiging tot drie maanden, conform de wettelijke bepalingen. Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De rechtbank verleent een voorlopige machtiging voor gedwongen opname van betrokkene voor maximaal drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum beschikking: 16 oktober 2012
Zaaknummer: 175387 / BZ RK 12-681
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven
in de zaak van:
[Naam betrokkene],
geboren op [1961],
wonend te [woonplaats], [adres],
verblijvend in het Orbis GGZ.
1. Het procesverloop
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 12 oktober 2012 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) te verlenen om [naam [naam broer] (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis/verpleeginrichting/zwakzinningeninrichting te doen verblijven.
Bij het verzoekschrift is een op 11 oktober 2012 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van drs. B.P.B.H. Bouten, psychiater, die niet bij de behandeling betrokken was.
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 15 oktober 2012, waar zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door mr. H.C. Ingelse, advocaat te Maastricht, alsmede drs. W.B. Eijkelenboom, psychiater, en H. Boven, verpleegkundige. Voorts zijn gehoord [naam broer], broer van betrokkene, en [naam mantelzorger], inwonend mantelzorger.
De heer [naam broer], broer van betrokkene, overhandigt de rechtbank tijdens de hoorzitting een brief, gedateerd op 15 oktober 2012.
2. Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de door de rechtbank tijdens de hoorzitting verkregen inlichtingen blijkt dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens. Betrokkene heeft een ernstige cognitieve stoornis, die veroorzaakt is door langdurig gebruik van alcohol en drugs. Daaraan kan niet afdoen dat betrokkene – zoals namens hem is gesteld – thans niet of nauwelijks meer alcohol of drugs gebruikt.
De stoornis van de geestvermogens doet de betrokkene gevaar veroorzaken, te weten:
- dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat
- dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen
- dat betrokkene, door zijn hinderlijk gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf kan oproepen.
Anders dan namens betrokkene ter zitting is aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat dit gevaar ten tijde van de beoordeling van het verzoek nog immer aanwezig was. Het gevaar voor maatschappelijke teloorgang is onveranderd aanwezig. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene op de interne afdeling waar hij verbleef in kamers van andere patiënten heeft geurineerd en zich agressief heeft opgesteld jegens de verpleging, zij het dat dit laatste gevaar, ten tijde van de zitting en naar is aan te nemen ten gevolge van de medicatie – geweken was.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Van de zijde van de instelling is ter zitting aangevoerd dat betrokkene ter afwending van het gevaar van zelfverwaarlozing op 24-uurs zorg is aangewezen en dat de mantelzorg die betrokkene tot nu toe ontving daarin niet kan voorzien. De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen, zonder daarmee overigens af te willen doen aan de waardering die zij heeft voor de inspanningen die de heer [naam mantelzorger] zich ten behoeve van betrokkene heeft getroost.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat betrokkene blijk geeft van verzet tegen verblijf in een verpleeginrichting.
De advocaat van betrokkene heeft ten slotte aangevoerd dat het verzoek zou moeten worden afgewezen, omdat het doel van de gedwongen opneming niet is gelegen in een behandeling van betrokkene. Van de zijde van de instelling is immers bevestigd dat voor een gesloten afdeling is gekozen, omdat er op korte termijn niet in passende zorg voor betrokkene kon worden voorzien. Betrokkene is in die zin een ‘foute-bed-patiënt’.
Dit betoog faalt. In artikel 2 van Pro de Wet Bopz is als criterium voor een gedwongen opneming niet opgenomen dat betrokkene ter zake van de stoornis kan worden behandeld c.q. dat de behandeling resultaat kan opleveren. Dat een Bopz-maatregel mede beoogt behandeling mogelijk te maken, betekent niet dat de primaire grondslag van de vrijheidsbeneming – te weten bescherming van de samenleving en/of betrokkene tegen gevaar – wordt aangetast. Deze conclusie vindt steun in de rechtspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens (i.h.b. EHRM 20 februari 2003, application no 50272/99, Bj 2003, 34, ro. 50-52). Dit is slechts anders als er ter afwending van gevaar voor betrokkene zelf sprake zou zijn van een perspectiefloze vrijheidsbeneming. Daarvan is in dit geval evenwel geen sprake, omdat van de zijde van de instelling is benadrukt dat het de bedoeling is betrokkene zo spoedig mogelijk over te plaatsen naar een afdeling waar hem passende, voor hem geïndiceerde, zorg kan worden geboden.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Gelet op het voornemen betrokkene zo spoedig mogelijk over te plaatsen zal de rechtbank de duur van de machtiging beperken tot drie maanden.
Gelet op de betreffende artikelen van de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent voorlopige machtiging om betrokkene te doen verblijven in een verpleeginrichting voor de duur van maximaal drie maanden.
Aldus gegeven door mr. R.E. Bakker, rechter, en uitgesproken op 16 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.
RB
Tegen deze beschikking kan door partijen met tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.