ECLI:NL:RBMAA:2006:AX9133
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ontslag op andere gronden en proceskostenvergoeding na vernietiging besluit
Eiser werd bij besluit van 7 december 2000 ontslagen met ingang van 31 december 2000 op grond van artikel 96, eerste lid, onder f, van het RRAZ. De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit besluit in 2005 en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. Verweerder nam op 16 december 2005 een nieuw besluit waarbij de ontslaggrond werd gewijzigd naar artikel 100 van Pro het RRAZ, met handhaving van de ontslagdatum.
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing en tegen het besluit van 16 december 2005. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan belang, omdat verweerder alsnog een inhoudelijke beslissing had genomen. De rechtbank stelde ook vast dat verweerder bevoegd was de ontslaggrond te wijzigen en dat het ontslag op andere gronden terecht was gegeven.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van medische problemen die een ontslag wegens ziekte zouden rechtvaardigen. De verstoorde arbeidsverhouding tussen eiser en zijn leidinggevende was blijvend en rechtvaardigde het ontslag. De toegewezen vergoeding van € 27.226,93 plus belastingschade werd als redelijk beoordeeld. Het beroep tegen het besluit van 16 december 2005 werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 16 december 2005 is ongegrond verklaard, waarbij het ontslag op andere gronden is bevestigd.