ECLI:NL:RBLIM:2026:830

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
ROE 22/1690
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 Wet luchtvaartArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 2 EVRMArt. 8 EVRMArt. 5:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen overlast wakevortexturbultentie vrachtvliegtuigen Maastricht Aachen Airport

Eisers ervaren overlast en gevaar door wakevortexturbulentie veroorzaakt door laag overvliegende zware vrachtvliegtuigen, met name Boeing 777, nabij hun woning onder de aanvliegroute van Maastricht Aachen Airport (MAA). Zij verzochten handhaving tegen dit vrachtverkeer op grond van artikel 5.3 van de Wet luchtvaart, dat deelname aan het luchtverkeer verbiedt indien daardoor gevaar ontstaat.

De minister wees het handhavingsverzoek af omdat geen overtreding van artikel 5.3 Wlv kon worden vastgesteld. De rechtbank bevestigt dit oordeel na beoordeling van onderzoeksrapporten waaruit blijkt dat de wakevortexturbulentie niet wordt veroorzaakt door de wijze van deelname aan het luchtverkeer, maar door andere factoren zoals windrichting en atmosferische omstandigheden. De ligging van de luchthaven en de aanvliegroute vallen niet onder de wijze van deelname en zijn niet relevant voor de overtreding.

Eisers beroepen zich ook op schending van fundamentele rechten uit het EVRM, maar de rechtbank oordeelt dat de minister geen handhavingsbevoegdheid heeft op grond van deze bepalingen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen overtreding van artikel 5.3 Wet luchtvaart is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/1690

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: mr. C.J.M. van Hees, mr. P. Roumen en mr. R.P.H. Rozenbrand).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers. Zij willen dat er handhavend opgetreden wordt tegen overvliegend zwaar vrachtverkeer naar Maastricht Aachen Airport (MAA). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van het verzoek en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank stelt geen overtreding vast. Het is onvoldoende duidelijk dat de wijze van deelname aan het luchtverkeer het gevaar veroorzaakt
.De minister kan daarom niet overgaan tot handhaving. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eisers hebben op 5 augustus 2021 een handhavingsverzoek ingediend bij het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Beek en het college van Gedeputeerde Staten van Limburg. Het college van burgemeesters en wethouders heeft het verzoek doorgestuurd naar de minister.
4. De minister heeft het verzoek met het besluit van 15 december 2021 afgewezen (primaire besluit). Eisers zijn daartegen in bezwaar gegaan. Met het besluit op het bezwaar van 23 juni 2022 (bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
4.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend en eisers hebben nog aanvullende stukken overgelegd.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over en wat vinden partijen?
5. Eisers wonen in [woonplaats] vlak naast de luchthaven MAA. Eisers ervaren overlast van de vliegtuigen die overvliegen. Door de wakevortexturbulentie – een zuigende windwerveling – van landende vliegtuigen zijn er al meerdere keren dakpannen van het dak van eisers gevlogen. In één instantie ging dit om zeker 25 dakpannen. Ook de tuinparasol is al een keer weggevlogen en op een fiets geland. Eisers betwijfelen niet dat de vluchten uitgevoerd zijn binnen de daarvoor geldende regels maar die regels dekken niet de veiligheid op de grond af. Er ontstaat daarom ondanks de regels gevaar voor eisers en de omgeving. Hierdoor worden ook eisers’ fundamentele rechten geschonden; het recht op leven, ongestoord genot van eigendom en privé- en familieleven. Eisers hebben daarom verzocht handhavend op te treden tegen de overvliegende zware vrachtvliegtuigen, met name de Boeing 777.
6. De minister ziet ook dat sommige vluchten schade en overlast veroorzaken. De minister stelt dat hij daartegen niet handhavend kan optreden omdat er geen regels worden overtreden. Het gevaar wordt namelijk niet door de wijze van deelname aan het luchtverkeer veroorzaakt. Als er wel sprake zou zijn van een overtreding dan zou deze overtreding gerechtvaardigd zijn omdat de betreffende vluchten zich aan alle (andere) geldende regels voor het vliegverkeer hebben gehouden. Verder is handhaven in de zaak onevenredig. Om het gevaar van wakevortexturbulentie uit te sluiten zou de minister namelijk maatregelen moet treffen tegen alle vluchten die op MAA landen.
Wat is het juridisch kader?
7. De in deze zaak relevante regels zijn voornamelijk te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet luchtvaart (Wlv). Eisers beroepen zich ook op het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
7.1.
In artikel 5.3 van de Wlv staat dat het verboden is op een dusdanige wijze deel te nemen aan het luchtverkeer of luchtverkeersdiensten te leveren dat daardoor mensen of zaken in gevaar gebracht kunnen worden.
7.2.
Op grond van het EVRM heeft iedereen het recht op leven, het recht op ongestoord genot van zijn eigendom en het recht op respect voor zijn privé- en familieleven. [1]
7.3.
Een bestuursorgaan kan alleen overgaan tot handhaving als er sprake is van een overtreding. In beginsel moet een bestuursorgaan dan zelfs overgaan tot handhaving. [2] Een bestuursorgaan gaat echter niet over tot handhaving als er een rechtvaardigingsgrond is voor de overtreding. Dit doet zich onder meer voor als de overtreding het gevolg is van het uitvoeren van een wettelijk voorschrift of een bevoegd gegeven ambtelijk bevel. Ook moet gekeken worden of handhaving wel evenredig en proportioneel is. De nadelige gevolgen van handhaving voor een belanghebbende mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de handhaving gediend wordt. Verder geldt dat een bestuursorgaan op grond van de Awb alleen een bestuurlijke sanctie op kan leggen voor een bepaalde overtreding als daartoe een bevoegdheid is verleend. [3]
De omvang van het geding
8. De rechtbank moet beoordelen of de minister het verzoek tot handhaving terecht heeft afgewezen. De inhoud van het handhavingsverzoek bepaalt waar het in de handhavingsprocedure over kan gaan (de omvang van het geding). Nadat het primaire besluit is genomen kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek namelijk niet meer worden uitgebreid. [4]
8.1.
In het handhavingsverzoek hebben eisers specifiek gevraagd handhavend op te treden tegen zwaar overvliegend vrachtverkeer, met name de Boeing 777, dat schade veroorzaakt door wakevortexturbulentie. De minister heeft het handhavingsverzoek niet onterecht zo uitgelegd dat daarmee gevraagd wordt om handhavend op te treden tegen een overtreding van artikel 5.3 van de Wlv.
8.2.
Eisers hebben in beroep een aantal andere verzoeken ingediend en vermeende overtredingen gesteld die de rechtbank niet kan beoordelen in dit beroep. Deze verzoeken en vermeende overtredingen vallen buiten de omvang van het geding. Zo hebben eisers er in beroep op gewezen dat de luchthaven MAA opereert zonder luchthavenbesluit, maar hebben zij in hun verzoek niet gevraagd om daar handhavend tegen op te treden. Ook het geven van opdrachten aan de minister over het nog vast te stellen luchthavenbesluit valt buiten de reikwijdte van het verzoek zoals eisers dat aanvankelijk gedaan hebben. Hetzelfde geldt voor de in beroep gestelde overtreding van de regels omtrent veiligheidszones rond de luchthaven. De regels omtrent veiligheidszones,
Runway End Safety Areas(RESA’s), zijn gericht op de situatie waarin een vliegtuig de landingsbaan onverhoopt niet haalt en de veiligheid in die situatie. Dat staat los van het gevaar dat wordt veroorzaakt door de wakevortexturbulentie van overvliegend zwaar vrachtverkeer waar het handhavingsverzoek op ziet.
Kan de wijze van deelname aan het luchtverkeer gevaar veroorzaken?
9. Om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van artikel 5.3 van de Wlv moet de rechtbank beoordelen of door de wijze van deelname aan het luchtverkeer gevaar kan ontstaan voor personen of zaken.
9.1.
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat eisers schade hebben geleden en dat die schade is ontstaan door wakevortexturbulentie. Wakevortexturbulentie bestaat uit aanzuigende windwervelingen achter de punten van de vleugels van een vliegtuig. Sommige vliegtuigen die over eisers woning vliegen bij de nadering van MAA veroorzaken wakevortexturbulentie. Die wakevortexturbulentie kan objecten van de grond tillen waarbij schade en gevaar kan ontstaan zoals in het geval van eisers.
9.2.
Omdat niet ter discussie staat dat de wakevortexturbulentie gevaar kan veroorzaken en de rechtbank dit niet anders ziet, moet de rechtbank alleen nog beoordelen of de wakevortexturbulentie en daarmee het gevaar wordt veroorzaakt door
de wijze van deelname aan het luchtverkeer. Dat men zich bij de schadeveroorzakende vluchten aan alle (andere) geldende regels rondom het vliegverkeer en de vliegveiligheid heeft gehouden is daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend. Daarmee is namelijk niet uitgesloten dat men door de wijze van deelname aan het vluchtverkeer wakevortexturbulentie en daarmee gevaar veroorzaakt. Dit moet zelfstandig beoordeeld worden.
9.3.
De rechtbank acht van belang dat er verschillende onderzoeken zijn gedaan om te achterhalen hoe vaak wakevortexturbulentie voorkomt rondom MAA, waarom dit voorkomt en wat er tegen gedaan kan worden. In het dossier bevinden zich onderzoeksrapporten van to70 en TNO. De minister heeft met de gegevens uit het onderzoek van to70 berekend dat bij ongeveer 1% van de dalingen met de Boeing 777 schade wordt veroorzaakt door wakevortexturbulentie. De onderzoekers hebben echter niet kunnen vaststellen waarom in sommige gevallen wel wakevortexturbulentie optreedt en in andere gevallen niet. De vluchten die uiteindelijk schade hebben veroorzaakt zijn niet anders uitgevoerd dan de vluchten die geen schade hebben veroorzaakt. Het zijn dus voornamelijk andere factoren dan de feitelijke wijze van vliegen die bepalen of er bij een bepaalde landing wakevortexturbulentie en daardoor schade ontstaat. Uit het onderzoek van to70 blijkt dat onder meer windrichting, windsnelheid en stabiliteit van de atmosfeer van invloed kunnen zijn. To70 benoemt in het onderzoeksrapport ook een aantal maatregelen dat een (mogelijke) reductie van de intensiteit van de wakevortexturbulentie kan bewerkstelligen, zoals een andere flapstand dan gebruikelijk of een lager landingsgewicht. Hoewel die maatregelen mogelijk tot een reductie van het gevaar kunnen leiden, kan de rechtbank op basis daarvan niet vaststellen wat de daadwerkelijke oorzaak van het gevaar, de wakevortexturbulentie, is. Dat de wakevortexturbulentie en dus het gevaar wordt veroorzaakt door de wijze van deelname aan het luchtverkeer kan op basis van de rapporten of anderszins dus niet worden vastgesteld.
9.4.
Eisers verwijzen ook naar het feit dat de woonplaats van eisers direct onder de aanvliegroute van baan 23 van MAA ligt op een afstand van 400 tot 600 meter. Voor zover het gevaar het gevolg zou zijn van omstandigheden die te wijten zijn aan de opzet en ligging van de luchthaven, geldt echter dat die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet van belang zijn bij de vaststelling of artikel 5.3 van de Wlv is overtreden. Die omstandigheden worden immers niet bepaald door de
wijze van deelname aan het luchtverkeer.Naast de locatie van eisers woning ten opzichte van de landingsbaan gaat het hierbij onder meer om de aanvliegroute, het type landing, de dalingshoek en daarmee hoogte van vliegtuigen nabij de luchthaven. Een deelnemer aan het luchtverkeer heeft geen of uiterst beperkte invloed op deze omstandigheden. De luchthaven(exploitant) heeft die invloed wellicht wel maar neemt zelf niet deel aan het luchtverkeer en levert geen luchtverkeersleidingsdiensten. Artikel 5.3 van de Wlv richt zich daarom niet tot luchthavenexploitanten. Dit blijkt ook uit het feit dat artikel 5.3 van de Wlv in het hoofdstuk van de Wlv staat dat specifiek ziet op het luchtverkeer en niet in het hoofdstuk dat specifiek ziet op luchthavens.
9.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat het de
wijze van deelnameaan het luchtverkeer is die de wakevortexturbulentie en daarmee het gevaar veroorzaakt. De minister heeft daarom terecht geen overtreding van artikel 5.3 van de Wlv vastgesteld.
Kan de minister handhavend optreden tegen schendingen van het EVRM?
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen bepalingen zijn die de minister de bevoegdheid geven om handhavend op te treden tegen overtredingen van de artikelen 2 en 8 van het EVRM of artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM. Dit zijn de bepalingen die gaan over het recht op leven, het recht op ongestoord genot van eigendom en het recht op respect voor privé- en familieleven. Zou er al sprake zijn van een overtreding van deze bepalingen, dan kan de minister daartegen zonder de genoemde bevoegdheid niet optreden. De rechtbank zal daarom niet verder beoordelen of er sprake is van een overtreding van deze artikelen.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van eisers ter zitting dat het risico op gevaar door wakevortexturbulentie een onveilig gevoel bij eisers oproept en dat zij dit op dagelijkse basis ervaren. De minister heeft daarom ook uitgesproken faciliterend te willen optreden bij het zoeken naar een oplossing met MAA en eisers. De rechtbank komt in deze beroepsprocedure echter tot het oordeel dat er geen sprake is van een overtreding. Omdat er geen sprake is van een overtreding komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige stellingen van partijen en heeft de minister het handhavingsverzoek van eisers terecht afgewezen.
12. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
13. Omdat het beroep ongegrond is krijgen eisers het griffierecht niet terug. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, voorzitter, en mr. G. Leijten en
mr. E.P.J. Rutten, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM en artikelen 2 en 8 van het EVRM.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
3.Dit volgt uit artikel 5:4, eerste lid, van de Awb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3425, r.o. 7-7.1; De Afdeling 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2221, r.o. 8.1.