ECLI:NL:RBLIM:2026:766

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
343119 HA ZA 25-283
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 1 BWArt. 3:307 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt toepassing 20-jarige verjaringstermijn op geldlening uit nalatenschap

In deze civiele zaak staat centraal of de vordering van de dochter op haar vader, voortvloeiend uit een geldlening die is ontstaan door omzetting van haar erfdeel, is verjaard. De dochter vordert betaling van het bedrag van € 23.975,00 vermeerderd met 6% rente sinds 2002. De vader betwist dit en stelt dat de vordering verjaard is op grond van een verjaringstermijn van vijf jaar.

De rechtbank stelt vast dat de geldlening is vastgelegd in een akte van verdeling uit 2005, waarin de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk is gesteld van onzekere toekomstige omstandigheden. Er is geen vaste terugbetaaldatum overeengekomen. De rechtbank concludeert dat de verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is, omdat de verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is aangegaan.

De vordering is op 10 januari 2025 opgeëist, ruim binnen de 20-jarige termijn die ingaat vanaf 11 september 2015, het moment waarop de huwelijkse voorwaarden van vader werden opgeheven. De rechtbank wijst de vordering toe, verminderd met reeds betaalde successierechten. Proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is gewezen door mr. Piëtte en op 28 januari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en bevestigt dat de 20-jarige verjaringstermijn geldt, waardoor de vordering niet is verjaard.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/343119 / HA ZA 25-283
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. N.V.T. Cremers,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde partij 2],
wonende op een geheim adres in de gemeente [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. J.B. Gubbels.
Partijen worden hierna [eisende partij] , vader en [gedaagde partij 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aan de zijde van eisende partij nader ingezonden productie d.d. 24 september 2025
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is de dochter van [gedaagde partij 1] en de op [datum 1] 2002 vooroverleden moeder. Naast [eisende partij] zijn er nog twee kinderen, [dochter 2] en [zoon] .
2.2.
Moeder beschikte niet over een testament.
2.3.
In de akte van verdeling, van 31 januari 2005 zijn vader, [eisende partij] , [zoon] en [dochter 2] overeengekomen, samengevat weergegeven, dat het aandeel in de nalatenschap van ieder kind € 23.975,00 bedraagt. In de akte is de volgende passage opgenomen:
“ Voormelde schulden van de comparant sub 1 tot uitkering wegens zijn overbedeling, worden bij deze omgezet in schulden uit geldleningen van de comparant sub 1(vader, opmerking rechtbank)
aan ieder van zijn drie genoemde kinderen, ter uitvoering waarvan
de comparanten sub 2(de kinderen, opmerking rechtbank
) bij deze elk verklaren afstand te doen van hun respectievelijke vorderingsrechten uit hoofde van hun voormelde onderbedeling en de comparant sub 1 terzake volledige kwijting te verlenen, welke afstand en kwijting bij deze door comparant sub 1 wordt aangenomen, terwijl dé comparant sub 1 bij deze wegens ter leen ontvangen gelden schuldig erkent aan elk van de comparanten sub 2 een bedrag in hoofdsom groot drie en twintig duizend negen honderd vijf en zeventig euro (€ 23.975,00), welke schuldigerkenningen bij deze door elk van de comparanten sub 2 worden aangenomen.-
Terzake van de tengevolge van deze omzetting ontstane vorderingen van de comparanten sub 2.a., 2.b. en 2.c. zijn de comparanten de volgende bepalingen overeengekomen: -
1. Over de aan de comparanten sub 2.a., 2.b. en 2.c. verschuldigde bedragen is
jaarlijks zes procent (6 %) rente verschuldigd. Over de rente is niet opnieuw
rente verschuldigd. -
2. De vordering in hoofdsom is slechts opeisbaar:
a. bij het overlijden van comparant sub 1;
b. bij faillissement of verlening aan de comparant sub 1 van surséance van betaling, dan wel bij het van toepassing worden ten aanzien van de comparant sub 1 van de wettelijke regeling inzake schuldsanering;-
c. bij hertrouwen, zonder het maken en handhaven van huwelijksvoorwaarden, inhoudende de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en verrekenbedingen, van de comparant sub 1;
d. bij het aangaan door de comparant sub 1 van een geregistreerd partnerschap zonder het maken en handhaven van partnerschapsvoorwaarden, inhoudende de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en verrekenbedingen; en
e. bij onder curatelestelling of de onder bewindstelling van het vermogen van
de comparant sub 1.-
In afwijking van het vorenstaande is de vordering in hoofdsom evenwel in de sub c, d en e genoemde gevallen niet opeisbaar indien de comparant sub 1 alsdan voldoende zekerheid stelt.”
2.4.
Vader is in 2008 een geregistreerd partnerschap met partnerschapsvoorwaarden aangegaan. Wegens het overlijden van zijn toenmalige partner, is het partnerschap ontbonden.
2.5.
Vader is op [datum 2] 2010 getrouwd met [gedaagde partij 2] , onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en verrekenbedingen.
2.6.
De kinderen en vader zijn in een juridische discussie verwikkeld geraakt, onder andere over de in de akte van verdeling opgenomen rentepercentage van 6%. Dit heeft geleid tot een uitspraak van de rechtbank Roermond [1] . Dit vonnis is door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch [2] bekrachtigd. Door de rechtbank en het Gerechtshof is – kort gezegd – geoordeeld, dat er geen rechtsgrond bestaat voor het vernietigen van het rentebeding.
2.7.
Vader heeft na voormelde uitspraak een minnelijke regeling getroffen met [zoon] en [dochter 2] . Deze regeling hield in dat hij per kind € 39.489,15 zal voldoen. De rente over dit bedrag is berekend tot en met 14 maart 2014 en het succesrecht is in mindering getrokken. De vordering van [eisende partij] heeft vader niet betaald.
2.8.
Tussen de kinderen is op 8 april 2014 een notariële vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt in dat zij het bedrag dat vader aan [zoon] en [dochter 2] heeft betaald, gelijkelijk onder hun drieën verdelen. Ook is afgesproken dat [eisende partij] , op het moment dat vader haar deel ook heeft betaald, dit ook zal delen met haar broer en zus.
2.9.
Vader heeft op 11 september 2015 de huwelijkse voorwaarden die golden sinds
[datum 2] 2010 laten opheffen. Per die datum is hij in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met [gedaagde partij 2] .
2.10.
Vader heeft in 2024 de woning die hij toen bewoonde met [gedaagde partij 2] verkocht.
2.11.
Op 10 januari 2025 heeft [eisende partij] haar vordering bij vader opgeëist. Vader en [gedaagde partij 2] hebben bij brief van 3 februari 2025 het standpunt ingenomen dat de vordering van [eisende partij] is verjaard.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I Vader en [gedaagde partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 23.975,00, te vermeerderen met 6% enkelvoudige rente vanaf [datum 1] 2002, althans per 31 januari 2025, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van voldoening, te verminderen met de door vader betaalde successierechten ad € 789,00;
II. Vader en [gedaagde partij 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekeningen van dit vonnis zijn voldaan;
III. te bepalen dat indien de ene gedaagde geheel of gedeeltelijk aan het vonnis voldoet, de andere gedaagde in zoverre zal zijn bevrijd.
3.2.
Vader en [gedaagde partij 2] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] in beginsel nog recht heeft op uitbetaling van het kindsdeel uit de nalatenschap van moeder ten laste van vader. Verder staat tussen partijen niet ter discussie dat de vorderingen van de kinderen uit hoofde van de nalatenschap van moeder zijn omgezet in een geldlening met de afspraak dat die geldlening dient te worden terugbetaald aan -onder andere- [eisende partij] . [eisende partij] heeft vader op 10 januari 2025 aangeschreven en betaling van de geldlening inclusief rente gevorderd. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [eisende partij] hier terecht aanspraak op maakt. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en zal hierna dit oordeel motvieren.
Het beroep op verjaring
4.2.
Vader stelt dat de vordering van [eisende partij] tot betaling van de hoofdsom en rente is verjaard. Ter onderbouwing van dit standpunt voert vader aan dat de verjaringstermijn van vijf jaar [3] van toepassing is. In de akte van verdeling is immers limitatief opgesomd onder welke voorwaarden de vordering van [eisende partij] opeisbaar wordt. In dit geval zijn de vijf jaar volgens vader gaan lopen vanaf 11 september 2015, het moment waarop de huwelijkse voorwaarden tussen hem en [gedaagde partij 2] zijn omgezet en de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap viel.
4.3.
[eisende partij] betwist dat de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is,. Zij stelt dat de verjaringstermijn van 20 jaar [4] toegepast moet worden. Volgens haar moet gekeken worden naar partijbedoeling bij de verdelingsakte. Het is destijds de bedoeling geweest om de nalatenschap van moeder om te zetten in een overeenkomst van geldlening. De opeisbaarheidsgronden uit de akte zijn bedoeld om zowel de belangen van vader als de kinderen te beschermen en daarbij past geen verjaringstermijn van vijf jaar.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de vordering van [eisende partij] twee onderdelen betreft. Enerzijds de vordering tot betaling van geldlening en anderzijds de vordering tot betaling van de rente daarover. In de verdelingsakte van 31 januari 2005, zoals die onder rechtsoverweging 2.4 is geciteerd, is immers een bepaling opgenomen die zit op de vraag wanneer de geldlening opeisbaar wordt. Daarnaast is ook een bepaling opgenomen wanneer de wettelijke rente opeisbaar wordt. Door de gemachtigden van partijen is ter zitting desgevraagd verklaard dat het de partijbedoeling was om de geldvordering en de wettelijke rente als één geheel te beschouwen in die zin dat er sprake is van een hoofdsom met daaraan gekoppeld de rente. De rechtbank zal dit dan ook tot uitgangspunt nemen en voor wat betreft de opeisbaarheid van de vorderingen hierin geen onderscheid aanbrengen.
4.5.
Voor de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is, is het bepaalde in artikel 3:307 BW Pro relevant en meer in het bijzonder de vraag of voor de geldlening een termijn is bepaald waarbinnen aflossing van de hoofdsom dient plaats te vinden. Anders gezegd: is in de akte van geldlening een duidelijk aanwijsbaar moment bepaald waarop de geldlening moet zijn terugbetaald en is dat moment niet afhankelijk van onzekere toekomstige gebeurtenissen? Als het antwoord op de die vraag ja is, dan geldt dat er een verjaringstermijn van vijf jaren van toepassing is. Als het antwoord op die vraag nee is, dan is een verjaringstermijn van 20 jaren van toepassing.
4.6.
In de akte van geldlening staat limitatief opgesomd onder welke
omstandigheden(onderstreping rechtbank) de geldvordering opeisbaar wordt. Het gaat allemaal om omstandigheden waarvan onzeker en daarmee onduidelijk is op welk moment die zich voor zullen of kunnen doen en -behoudens het overlijden van vader- tevens onzeker en onduidelijk is óf ze zich zullen voordoen. Het gaat hier bovendien om een geldlening tussen familieleden, waarbij geen specifiek tijdstip voor terugbetaling van de geleende geldsom was bepaald. Partijen hebben, zo erkennen zij ook over en weer, bedoeld de verbintenis tot terugbetaling niet direct opeisbaar te laten zijn en de gestelde verbintenis tot terugbetaling afhankelijk gesteld van onzekere in de toekomst gelegen factoren. Ook is niet afgesproken in de verdelingsakte binnen welke termijn vader de geldlening moet terugbetalen, zo een van de in de akte genoemde omstandigheden zich zou voordoen. Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat er sprake was van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro. De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [5] .
4.7.
De conclusie is dan ook dat de verjaringstermijn van 20 jaren van toepassing is.
Dat betekent in deze zaak dat met het vervallen van de huwelijkse voorwaarden tussen vader en [gedaagde partij 2] , de vordering die [eisende partij] heeft op vader met ingang van 11 september 2015 opeisbaar is geworden. Nu [eisende partij] op 10 januari 2025, dus ruim binnen de termijn van 20 jaren, de vordering heeft opgeëist, is deze niet door verjaring komen te vervallen. Vader zal dus ook worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 23.975,00.
4.8.
Vader heeft geen andere verweren naar voren gebracht die aan toewijzing van de vordering van [eisende partij] in de weg staan. De overige aangevoerde gronden van [eisende partij] hoeven ook geen verdere bespreking meer.
Wettelijke rente
4.9.
[eisende partij] maakt op grond van de verdelingsakte aanspraak op de wettelijke rente over de geldlening. Zij maakt aanspraak op betaling van die rente per [datum 1] 2002.
Deze vordering ligt, als niet weersproken, voor toewijzing gereed.
Successierecht
4.10.
Niet ter discussie staat dat vader € 789,00 aan successierechten heeft betaald. Dit bedrag zal in mindering strekken op het totaalbedrag dat vader aan [eisende partij] is verschuldigd.
Proceskosten
4.11.
[eisende partij] vordert de veroordeling van vader en [gedaagde partij 2] in de proceskosten, omdat vader en [gedaagde partij 2] zich onredelijk hebben opgesteld jegens haar door niet in overleg te willen gaan of tot een regeling te komen. De rechtbank stelt voorop dat in elke juridische procedure partijen de mening zijn toegedaan dat hun juridische standpunt terecht is. Dat is in deze zaak niet anders. In familiaire kwesties is het vaste rechtspraak dat proceskosten over en weer worden gecompenseerd. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om daar van af te wijken.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt vader en [gedaagde partij 2] , hoofdelijk, om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 23.975,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 november 2002 tot de dag van volledige betaling, minus € 789,00 aan reeds betaalde successierechten,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Uitspraak van 18 april 2012, zaaknummer 108263 / HA ZA 11-286
2.Arrest van 14 mei 2013, zaaknummer HD 200.106.619/01
3.Artikel 3:307 lid 1 BW Pro
4.Artikel 3:307 lid 2 BW Pro