ECLI:NL:RBLIM:2026:7616

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1353
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugslab en amfetamineproductie

De burgemeester van Venlo heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning van verzoeker gesloten voor drie maanden vanwege de aanwezigheid van een drugslab en grondstoffen voor amfetamineproductie. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang en dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting. Uit de doorzoeking bleek dat chemicaliën en apparatuur aanwezig waren die gebruikt worden voor de vervaardiging van amfetamine, inclusief restanten van amfetaminepasta. Verzoekers stelling dat de spullen van een kennis waren en voor het opknappen van oldtimers dienden, wordt niet aannemelijk geacht.

De rechter beoordeelt dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is om herhaling en overlast te voorkomen. Hoewel verzoeker een minderjarig kind heeft en de sluiting grote gevolgen heeft, is er geen bijzondere binding of voldoende onderbouwing van de situatie van het kind en de woonruimte. De burgemeester had de sluitingsduur teruggebracht naar drie maanden en moet in de bezwaarprocedure nader ingaan op de huisvestingsmogelijkheden.

De voorlopige schorsing van het besluit wordt opgeheven en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De burgemeester mag de woning sluiten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de sluiting van de woning voor drie maanden wegens drugshandel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1353

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

(gemachtigde: [naam gemachtigde] )
en

de burgemeester van de gemeente Venlo

(gemachtigde: mr. E. Moors).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Om de sluiting van de woning te voorkomen heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de burgemeester niet bereid was om te wachten met de uitvoering van het primaire besluit tot de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 11 juni 2026 een ordemaatregel getroffen. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of de schorsing van het bestreden besluit al dan niet moet worden opgeheven. Hierbij beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen schorsing van het bestreden besluit op. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 1 juni 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de duur van drie maanden met ingang van 15 juni 2026.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij uitspraak van 11 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter -bij wijze van ordemaatregel- het verzoek toegewezen en het primaire besluit geschorst. [1]
1.3.
Het onderzoek ter zitting – ter beoordeling of voormelde schorsing moet worden opgeheven [2] - heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
Waar gaat deze zaak over?
3. De burgemeester heeft op 28 april 2026 een bestuurlijke rapportage van de Koninklijke Marechaussee ontvangen. Hieruit blijkt het volgende.
3.1.
Op 8 april 2026 werd een melding gemaakt dat er op het adres van verzoeker een drugslab zou zitten in de losstaande garage achter het huis. De garage werd vermoedelijk verhuurd. De buren merken dat er ’s nachts veel mensen langskomen en er veel activiteit is bij de garage.
3.2.
Op diezelfde datum heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Er werd onder andere chemicaliën en hardware aangetroffen. Deze chemicaliën en hardware hebben allen een relatie tot de bewerking en/of vervaardiging van verdovende middelen. Op het perceel werd tijden de doorzoeking het volgende aangetroffen.
In de garage:
- kleine weegschaal;
- een 5 liter jerrycan Methanol bij het achterwiel van de bus;
- een 5 liter jerrycan Ethanol voor de voorzijde van de bus;
- een 5 liter jerrycan Ethanol onder de bus;
- gasflesje;
- vocht onttrekkende korrels;
- doos met diverse rollen tape in de kleuren zwart, doorzichtig en groen;
- diverse gripzakjes en envelopjes;
- emmer met diverse lepels en maatbekers;
- boterhammenzakje met wit poeder erin.
- grote weegschaal;
- jerrycan van 5 liter met daarin corrosiemiddel;
- garde en schaar met witte restsubstantie;
- flesje siroop, met daar een doorzichtige vloeistof;
- veel restanten wit poeder op de diepvries.
Onder de overkapping (in de tuin):
- Twee bakken met witte afscheiding;
- kleine oven;
- sealapparaat;
- zwarte sealzakken en grote gripzakken;
- klein plastic bakje met witte restanten;
- klein plastic bakje met lege gripzakjes en een Xtc-pil;
- koelbox met zwarte sealzak en maatbeker;
- krat met netten, touwtjes en diverse zakken met grote zwarte ballonnen;
- luchtontvochtiger;
- sporttas met daarin een mal van een blokkenpers. Voor kiloblokken;
- een barbecue, met gaspit;
- plastic bakjes en bril.
In de tuin:
- een gasfles met blauwe kop;
- een 5 liter jerrycan zonder label.
3.3.
De goederen en chemicaliën die zijn aangetroffen passen bij het bewerken, vervaardigen, persen en verpakken van (synthetische) drugs, namelijk amfetamine. In de plastic bakken, in de vriezerbakken en in een plastic zakje werden restanten amfetamine-pasta aangetroffen. De aangetroffen chemicaliën werden voorlopig getest.
4. De burgemeester kwalificeert hetgeen is aangetroffen op het perceel van verzoeker als strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van het vervaardigen van harddrugs. De aangetroffen situatie is van dien aard dat de burgemeester redelijkerwijs kan aannemen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Daarbij neemt de burgemeester in overweging de aard van de aangetroffen voorwerpen in combinatie met de aangetroffen resten aan amfetamine. De burgemeester heeft op 4 mei 2026 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van drie maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft hierin geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. [3]
5.1.
Gelet op het feit dat verzoeker de woning in het geval van sluiting daarvan zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De burgemeester heeft dit ook niet betwist. De zaak zal dan ook verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?6. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt duidelijk dat de aangetroffen chemicaliën en hardware allen een relatie hebben tot de bewerking en/of vervaardiging van verdovende middelen. Het feit dat er restanten amfetamine pasta zijn aangetroffen, benadrukken dat uitgangspunt des te meer. Daarnaast duiden de materialen die gebruikt kunnen worden voor het persen en verpakken van kiloblokken van deze harddrugs erop dat deze voorwerpen mede aanwezig waren ten behoeve van de handel.
De evenredigheidsbeoordeling
7. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [4] , 6 juli 2022 [5] en 16 juli 2025 [6] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Geschiktheid
8. De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de betreffende woning aan het drugscircuit te onttrekken. Zo wordt herhaling van overtreding van de Opiumwet en de negatieve effecten daarvan (voor het woon- en leefklimaat en verstoring van de openbare orde) voorkomen.
Noodzaak
9. Verzoeker heeft aangevoerd dat onvoldoende is gebleken van een noodzaak om de woning te sluiten. Het staat niet vast dat er verdovende middelen zijn aangetroffen. De aanleiding voor het onderzoek was een anonieme melding, maar een dergelijke melding kan ook worden gedaan om iemand een hak te zetten. Verzoeker heeft zelf geen (geluids)overlast ervaren. De spullen waren van een kennis van zijn dochter die de garage tijdelijk gebruikte als opslag. De chemicaliën behoorden toe aan verzoeker vanwege zijn hobby, het opknappen van oldtimers.
10. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
10.1.
Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang, waaronder de aard en hoeveelheid aangetroffen drugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning zijn verhandeld, of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprak is geweest van drugsovertredingen en of aannemelijk is dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel. [7]
10.2.
De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel. Naar aanleiding van een melding over een drugslab komt de politie (en daarna de Koninklijke Marechaussee) ter plaatse en de spullen die worden aangetroffen, zijn nodig om amfetamine te maken. Daarnaast zijn restanten amfetamine aangetroffen. Het staat voor de voorzieningenrechter voldoende vast dat het om amfetamine gaat. Een voorlopige test is daarvoor voldoende. [8] Ook als de verklaring van verzoeker wordt gevolgd, dat hij de garage ter beschikking heeft gesteld aan een kennis, maakt dit de sluiting niet minder noodzakelijk. Deze verklaring kan de voorzieningenrechter bovendien moeilijk rijmen met de ingenomen stelling dat de chemicaliën aanwezig waren om oldtimers op te knappen. Op de vraag van de voorzieningenrechter waar die betreffende oldtimers dan waren, antwoordde verzoeker dat hij die net had verkocht. Verzoeker heeft dit echter niet onderbouwd met stukken. Aangenomen mag worden dat als een auto wordt verkocht, hiervan controleerbare bewijsmiddelen aanwezig moeten zijn. Maar ook als verzoeker wordt gevolgd in zijn verklaring, dat de chemicaliën van hem zijn en de spullen van een kennis, dan verklaart dit nog niet de aangetroffen amfetamine.
10.3.
De burgemeester heeft er op kunnen wijzen dat uit de melding blijkt dat er kennelijk een loop was naar de woning. Verder heeft de burgemeester gewezen op het ontploffingsgevaar nu dergelijke chemicaliën aanwezig zijn in een woonwijk. De burgemeester heeft de noodzaak van de sluiting voldoende toegelicht in het bestreden besluit.
Evenwichtigheid
11. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. [9] Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. [10]
12. Verzoeker voert aan dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft in goed vertrouwen een kennis van zijn (meerderjarige) dochter een sleutel gegeven van de garage om spullen op te slaan. De gevolgen van de sluiting zijn zeer groot. De moeder van zijn zoon is overleden. Hij is een alleenstaande vader met een zoontje van tien jaar, waarvoor hij alleen de zorg draagt. Als hij de woning moet verlaten, komt hij met zijn zoontje op straat te staan omdat hij geen alternatieve woonruimte heeft.
13. Deze gronden slagen niet. Daarbij is het volgende van belang.
13.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester terecht verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker heeft aangenomen. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan tot gevolg hebben dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Dat daarvan sprake is, heeft de burgemeester terecht niet aannemelijk geacht. Verzoeker is eigenaar van de woning en het perceel en woont er zelf. Er zijn geen feiten of omstandigheden (concreet gemaakt) die erop wijzen dat de verdovende middelen niet van verzoeker waren of dat verzoeker niet op de hoogte was (of redelijkerwijs kon zijn) van de aanwezigheid van de verdovende middelen in (en handel vanuit) zijn woning. De stelling dat hij de garage alleen ter beschikking stelde voor de opslag van spullen, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Niet valt in te zien waarom die kennis dan een sleutel nodig had. Maar ook als aangenomen zou worden dat verzoeker de garage ter beschikking heeft gesteld in goed vertrouwen, dan nog had hij als eigenaar en bewoner van de woning toezicht moeten uitoefenen. [11] Bovendien heeft hij erkend dat een deel van de spullen van hem was. Maar dat hij die nodig had om oldtimers op te knappen, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt.
13.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is van een bijzondere binding en afhankelijkheid van de woning. De voorzieningenrechter hecht eraan dat de burgemeester heeft toegelicht dat het juist niet in het belang van het minderjarige kind is om te wonen in een woning waar drugs aanwezig zijn, worden geproduceerd of verhandeld. Verzoeker heeft geen stukken ingebracht die de situatie van zijn minderjarige zoon onderbouwen. Ter zitting heeft verzoeker deze situatie toegelicht, maar stukken ontbreken. Daarnaast heeft verzoeker ook geen stukken ingebracht die onderbouwen wat hij heeft ondernomen om te komen tot tijdelijke, vervangende woonruimte.
13.3.
Omdat in de woning een minderjarig kind woont, rust op de burgemeester een bijzondere motiveringsplicht. De burgemeester heeft in de aanwezigheid van de zoon aanleiding gezien de sluitingsduur terug te brengen naar drie maanden. Maar ook drie maanden is nog steeds een aanzienlijke sluitingsduur. De burgemeester zal in de nog te nemen beslissing op bezwaar nader op de sluitingsduur moeten ingaan. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat het in beginsel aan verzoeker is om te zoeken naar vervangende woonruimte. Maar omdat het om een minderjarige gaat, had de burgemeester in het bestreden besluit uitdrukkelijker moeten stilstaan bij de vraag waar de zoon terecht kan, als het verzoeker toch niet lukt om in tijdelijke, vervangende woonruimte te voorzien. Ter zitting heeft de burgemeester dit wel voldoende toegelicht. Het is van belang dat deze toelichting in de nog te nemen beslissing op bezwaar wordt opgenomen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen schorsing van het bestreden besluit op. Bij deze stand van zaken, gelet op de ernst van de situatie en omdat geen enkele stelling met enig stuk is onderbouwd of voldoende is geconcretiseerd, ziet de voorzieningenrechter geen ruimte om tot een ander oordeel te komen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat de burgemeester de woning van verzoeker mag sluiten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- heft de getroffen ordemaatregel op;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Hammes griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:87 van Pro de Awb.
3.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
8.ECLI:NL:RVS:2025:2922 (rechtsoverweging 14).
9.ECLI:NL:RVS:2025:2922 (rechtsoverweging 11 e.v.).
10.ECLI:NL:RVS:2025:3262 (rechtsoverweging 6.2).
11.ECLI:NL:RVS:2022:285 (rechtsoverweging 10.2 en 10.3).