Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5750

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/1270
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen evenementenvergunning ondanks beroep op vertrouwensbeginsel

Op 15 april 2026 verleende de burgemeester van Nederweert een evenementenvergunning aan Restaurant Diverso voor evenementen in juni en september 2026. Verzoekers, wonend nabij het restaurant, maakten bezwaar tegen deze vergunning en vroegen om een voorlopige voorziening vanwege het spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks gebreken in de vergunning, zoals het ontbreken van een motivering voor afwijking van het geluidsbeleid en een kennelijke verschrijving in de datums, deze gebreken niet leiden tot schorsing van de vergunning. De vergunning kan in bezwaar worden hersteld.

Verzoekers beriepen zich op het vertrouwensbeginsel vanwege een eerdere toezegging uit 2004 dat geen versterkte muziek zou worden toegestaan. De voorzieningenrechter stelde vast dat deze toezegging aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, maar verweerder had bij het verlenen van de vergunning geen belangenafweging gemaakt. Verweerder is voornemens deze toezegging in bezwaar in te trekken met een motivering.

De voorzieningenrechter concludeerde dat ondanks het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel, de vergunning met een aanvullende belangenafweging in bezwaar stand kan houden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de evenementenvergunning wordt afgewezen ondanks een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1270

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit Nederweert, verzoekers

(gemachtigde: mr. B.I. Frenken),
en

de burgemeester van de gemeente Nederweert, verweerder

(gemachtigde: H.M. Gruijters).
Als derde-partij neemt aan deze zaak deel: Restaurant Diverso B.V. (vergunninghoudster).

Inleiding

1. Op 15 april 2026 heeft verweerder aan vergunninghoudster een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van evenementen op 26, 27 en 28 juni en 4 september 2026.
1.1.
Verzoekers hebben op 2 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de evenementenvergunning. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, nu het eerste evenement van vergunninghoudster op korte termijn plaatsvindt en verzoekers daarom een beslissing op hun bezwaar niet kunnen afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van verweerder en [naam] , [naam] en [naam] namens vergunninghoudster.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De feiten en de inhoud van de evenementenvergunning
2. Vergunninghoudster is gevestigd aan de [adres] te Nederweert en exploiteert aldaar sinds 2011 het restaurant Diverso. Daarvoor (sinds 2000) was op die locatie het restaurant ‘Kesselshof’ gevestigd, van dezelfde eigenaar/uitbaters als restaurant Diverso.
2.1.
Verzoekers wonen aan de [adres] te Nederweert. Daarnaast is [naam] mede-eigenaar van de woning aan de [adres] . Deze woningen liggen op hemelsbreed ongeveer 70-75 meter van het restaurant.
2.2.
Vergunninghoudster wil meerdere evenementen organiseren, samen aangeduid als “Arrangementen Diverso 2026”. Deze evenementen vinden plaats op 26, 27 en 28 juni en 4 september 2026 op het terras aan de achterzijde van het pand aan de [adres] . Verweerder heeft hen daartoe op 15 april 2026 de evenementenvergunning verleend.
2.3.
De evenementenvergunning houdt in dat op het terras van Diverso de ‘Arrangementen Diverso 2026’ mogen plaatsvinden onder oplegging van enkele voorschriften. Daarbij is – onder meer – bepaald dat het equivalente geluidsniveau LAeq, T (invallend geluid) veroorzaakt door het evenement ter plaatse van woningen van derden of andere geluidgevoelige objecten niet meer mag bedragen dan 75 dB(A) en dat na 23:00 geen muziek meer ten gehore mag worden gebracht.
De gronden van het verzoek
3. Verzoekers zijn het oneens met het plaatsvinden van de evenementen en hebben op 2 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de evenementenvergunning. Volgens verzoekers is het besluit in strijd met een eerder aan verzoekers gedane toezegging en dus in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast vinden verzoekers dat de evenementenvergunning in strijd is met het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Ten slotte stellen verzoekers dat niet alleen een evenementenvergunning, maar ook een omgevingsvergunning vereist is, omdat de evenementen in strijd zijn met het omgevingsplan “gemeente Nedeweert” en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan “Centrum, Nederweert”.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed dat vereist.
4.1.
Het eerste vergunde evenement begint op 26 juni 2026, terwijl de beslissing op het bezwaar van verzoekers niet voor 20 juli 2026 verwacht wordt, gelet op het plaatsvinden van de hoorzitting in bezwaar op die datum. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Inhoudelijke beoordeling
5. Voor de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen in deze procedure, moet worden beoordeeld of hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht aanleiding geeft voor het oordeel dat er een redelijke kans bestaat dat de evenementenvergunning in bezwaar niet in stand kan worden gelaten. Dat kan een reden zijn om de evenementenvergunning te schorsen. Een andere reden kan zijn dat de belangenafweging in het voordeel van verzoekers moet uitvallen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is de evenementenvergunning in strijd met het motiveringsbeginsel?
6. Verzoekers zijn van mening dat de evenementenvergunning in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat onvoldoende gemotiveerd is waarom in de evenementenvergunning voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van geluid in afwijking van de beleidsregel “Nadere regels ter voorkoming van geluidhinder bij evenementen van de gemeente Nederweert” (hierna: de beleidsregel). Vergunninghoudster mag op grond van de evenementenvergunning een maximale geluidsbelasting van 75 dB(A) produceren tot 23:00 uur, terwijl uit de beleidsregel een standaardnorm van 85 dB(A) tot 00:00 uur indien de volgende dag een werkdag is en 1:00 uur op overige dagen volgt.
6.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht waarom gekozen is om de maximale geluidsbelasting te beperken tot 75 dB(A). Daarbij heeft verweerder rekening gehouden met de beperkte omvang van de evenementen en met de (woon)omgeving. Het geluidsmaximum van 85 dB(A) is volgens verweerder denkbaar bij festivals, maar voor de evenementen van vergunninghoudster te ruim. Een lager geluidsmaximum, zoals 70 dB(A), is volgens verweerder ook overwogen, maar zou gezien de beoogde activiteit (live)muziek op een terras, voor vergunninghoudster niet haalbaar zijn. De muziek zou dan niet op het gehele terras goed gehoord kunnen worden. Alles afwegende is verweerder uitgekomen op de norm van 75 dB(A).Verweerder heeft zich hierover laten adviseren door een (intern) deskundige.
6.2.
De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat, hoewel verweerder verzuimd heeft in de evenementenvergunning de motivering op te nemen waarom wordt afgeweken van de maximale geluidsbelasting zoals opgenomen in het beleid, dit geen gebrek vormt waarvoor de evenementenvergunning geschorst hoeft te worden. Verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht waarom gekozen is om de maximale geluidsbelasting te beperken en in welke mate. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan daarom het de evenementenvergunning met een nadere motivering in de beslissing op bezwaar hersteld worden.
Is de evenementenvergunning in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel?
7. Volgens verzoekers biedt de evenementenvergunning verder geen rechtszekerheid, omdat voornoemde voorschriften ten aanzien van de geluidsbelasting volgens de evenementenvergunning alleen gelden op 26 tot en met 29 juni 2026, terwijl op 4 september 2026 ook een evenement plaatsvindt.
7.1.
Verweerder stelt dat het wegvallen van de datum 4 september 2026 onder het kopje ‘overwegingen’ in de evenementenvergunning een kennelijke verschrijving is. De vergunningvoorschriften gelden ook voor het evenement dat op 4 september 2026 plaatsvindt.
7.2.
De voorzieningenrechter constateert dat de datum 4 september 2026 weliswaar niet onder het kopje ‘overwegingen’ wordt genoemd, maar dat uit de evenementenvergunning verder ondubbelzinnig blijkt dat de vergunning mede voor het evenement op 4 september 2026 is verleend. Alle aan de vergunning verbonden voorschriften, waaronder de voorschriften onder het kopje ‘specifieke voorwaarden geluid’ op pagina vijf van de verleende vergunning, gelden onmiskenbaar ook voor het evenement op 4 september 2026. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het wegvallen van de datum onder het kopje ‘overwegingen’ daarom een kennelijke verschrijving die geen aanleiding vormt om de evenementenvergunning te schorsen. Verweerder kan het wegvallen van deze datum in de beslissing op bezwaar herstellen.
Had een omgevingsvergunning verleend moeten worden?
8. Daarnaast stellen verzoekers zich op het standpunt dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is verleend voor het evenement, omdat volgens hen sprake is van strijd met het omgevingsplan dat op de locatie van toepassing is.
8.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of een omgevingsvergunning vereist is, op geen enkele manier verbonden is met de rechtsgeldigheid van de verleende evenementenvergunning die haar ter beoordeling voorligt. Verzoekers onderkennen dit in hun verzoekschrift ook. De voorzieningenrechter zal daarom aan dit standpunt voorbijgaan.
Handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel?
9. Verzoekers beroepen zich tot slot op een brief van 19 april 2004, afkomstig van de toenmalige burgemeester van de gemeente Nederweert. Daarin schrijft de burgemeester het volgende:

Voor de toekomst zal er geen toestemming meer worden verleend om op het buitenterrein van restaurant Kesselshof activiteiten te hebben waarbij mechanische muziek of live muziek anders dan akoestische muziek zonder versterker plaatsvindt.”
9.1.
Verzoekers zijn van mening dat bovenstaande brief, volgens verzoekers versterkt door een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert (het college) van 13 april 2004 met ongeveer dezelfde inhoud, bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat geen vergunning zou worden verleend voor evenementen waarbij versterkte muziek wordt gebruikt, zoals in onderhavige zaak het geval is.
9.2.
Verweerder erkent dat de bedoelde brief als een toezegging gekwalificeerd kan worden die aan verweerder kan worden toegerekend. Verweerder is echter voornemens om deze toezegging in te trekken, alsmede het college te verzoeken het collegebesluit van 13 april 2004 in te trekken. Volgens verweerder is de inhoud van de brief niet langer actueel, gelet op veranderede inzichten en omstandigheden ten aanzien van het houden van evenementen binnen de gemeente.
9.3.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) hanteert bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel een vast stappenplan. [1] De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop verzoekers zich beroepen, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. Daarbij geldt dat het vertrouwensbeginsel niet met zich brengt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden nagekomen. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen - het algemeen belang of belangen van derden - aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. [2]
9.4.
De voorzieningenrechter stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat aan de eerste twee stappen uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak is voldaan. Er is sprake van een door verweerder gedane toezegging die aan verweerder toe te rekenen is. Naast de door verweerder zelf gedane toezegging is daarnaast ook door het college, waar verweerder deel van uitmaakt, een besluit genomen met eenzelfde inhoud als de door verweerder gedane toezegging. De toezegging strekt tot het verbieden van activiteiten met versterkte muziek op het terras van het restaurant Diverso (voorheen Kesselshof) en heeft daarmee dus betrekking op de thans vergunde evenementen, nu daarbij een maximale geluidsbelasting ter plaatse van woningen van 75 dB(A) geldt. Deze geluidsbelasting vanwege muziek kan alleen worden bereikt met een versterker.
9.5.
Het bovenstaande betekent dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag om een evenementenvergunning de hierboven genoemde ‘derde stap’ had moeten nemen en een belangenafweging had moeten verrichten teneinde de vraag te beantwoorden of het gerechtvaardigde vertrouwen had moeten worden nagekomen.
9.6.
Deze belangenafweging heeft verweerder echter niet (kenbaar) verricht bij het verlenen van de evenementenvergunning. Verweerder heeft ter zitting ook erkend bij het verlenen van de evenementenvergunning geen rekening te hebben gehouden met de gedane toezegging. Naar aanleiding van het ingediende bezwaar is verweerder echter voornemens om de gedane toezegging ongedaan te maken, nog voordat het evenement op 26 juni 2025 plaatsvindt, en om de evenementenvergunning ondanks de toezegging ook in bezwaar in stand te laten. Verweerder is van mening dat de toezegging beleidsmatig niet meer wenselijk is, gelet op het verloop van de tijd, inmiddels veranderde inzichten en het incidentele en kortdurige karakter van het gebruik van versterkte muziek door vergunninghoudster.
9.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder in het kader van de beslissing op bezwaar alsnog moeten motiveren waarom de gedane toezegging niet langer gehonoreerd zal worden, gelet op de daarbij betrokken belangen. Daarbij zal verweerder ook in moeten gaan op de gevolgen van het niet honoreren van het gewekte vertrouwen. Uit de door verweerder gedane uitlatingen ter zitting is de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat verweerder de ontbrekende motivering zal herstellen het besluit op bezwaar, dan wel ten tijde van het intrekken van de gedane toezegging, en dat verweerder ter zitting een begin heeft gemaakt met het verwoorden van deze motivering.
9.8.
Het bovenstaande brengt met zich mee dat, hoewel sprake is van een gebrek in het besluit, de evenementenvergunning naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar alsnog stand zal kunnen houden met een aanvullende (belangen)afweging en motivering.
9.9.
De voorzieningenrechter ziet daarom, en ook naar aanleiding van de belangenafweging, geen aanleiding om de evenementenvergunning te schorsen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 16 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.