ECLI:NL:RBLIM:2026:5704

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
11939411 \ CV EXPL 25-4565
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 3:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens ontbreken contractspartij en onverschuldigde betaling

In deze civiele bodemzaak vordert het metselbedrijf betaling van openstaande facturen van SVW, terwijl SVW betwist dat het metselbedrijf contractspartij is en stelt dat de overeenkomst met een zusteronderneming, het bouwbedrijf, is gesloten.

De rechtbank oordeelt dat SVW terecht geen betaling verschuldigd is aan het metselbedrijf, omdat de contractuele relatie uitsluitend met het bouwbedrijf bestond. Het enkele feit dat het metselbedrijf facturen stuurde en mogelijk de werkzaamheden uitvoerde, verandert hier niets aan.

Daarnaast heeft SVW een bedrag van € 5.591,00 onverschuldigd betaald aan het metselbedrijf, dat moet worden terugbetaald. De vordering van SVW op het metselbedrijf wegens cessie van vorderingen op het bouwbedrijf wordt afgewezen, omdat cessie de schuldenaar niet verandert.

De rechtbank wijst ook de vorderingen tot handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten af en veroordeelt beide partijen in hun proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vorderingen van het metselbedrijf worden afgewezen en het wordt veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde betaling aan SVW.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11939411 \ CV EXPL 25-4565
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[het metselbedrijf] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [het metselbedrijf] ,
gemachtigde: mr. W.M.J. Saes,
tegen
SVW AANNEMINGSBEDRIJF B.V.,
te Sittard,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: SVW,
gemachtigde: mr. A.L. Stegeman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
SVW houdt zich bezig met de aanneming van bouwwerkzaamheden in de algemene burgerlijke en utiliteitsbouw.
2.2.
Valento Works B.V. (hierna te noemen: Valento Works) is gelieerd aan SVW en houdt zich bezig met de arbeidsbemiddeling, met name uitzending en detachering van personeel in de bouwnijverheid.
2.3.
[het metselbedrijf] is een zusteronderneming van [het bouwbedrijf] .
2.4.
In 2003 heeft SVW werk aangenomen, bij partijen bekend onder de naam ‘schuurwoning [plaats 2] ’, en zocht daarvoor een partij die het metselwerk in onderaanneming wilde nemen.
2.5.
[het bouwbedrijf] zou voor de uit te voeren werkzaamheden vakmensen van Valento Works inlenen en het uitgevoerde werk aan SVW in rekening brengen.
2.6.
Op 3 september 2024 is door de rechtbank Limburg het faillissement van [het bouwbedrijf] uitgesproken.
2.7.
[het metselbedrijf] heeft op 15 augustus 2025 aan SVW vijf facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 12.161,70.
2.8.
SVW heeft tot dusver de facturen niet betaald.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[het metselbedrijf] vordert - samengevat - veroordeling van SVW tot betaling van € 14.784,76, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[het metselbedrijf] legt aan haar vordering vijf onbetaald gelaten facturen ten grondslag. [het metselbedrijf] onderbouwt haar vordering met de werkzaamheden die zij in opdracht en voor rekening van SVW heeft verricht.
3.3.
SVW voert verweer. SVW voert aan dat [het metselbedrijf] geen contractspartij is bij de overeenkomst. [het bouwbedrijf] zou de partij zijn die het werk zou aannemen en uitvoeren. SVW is geen betaling aan [het metselbedrijf] verschuldigd, omdat zij niet met elkaar hebben gecontracteerd. Als er al een overeenkomst tot stand is gekomen, dan is er sprake van een wilsgebrek danwel een onrechtmatige daad. Het is in elk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [het metselbedrijf] aanspraak maakt op een geldelijke vergoeding voor een prestatie die zij niet heeft verricht en aan [het bouwbedrijf] is opgedragen. [het metselbedrijf] maakt misbruik van twee opgerichte rechtspersonen door de lasten van het ingeleende personeel bij [het bouwbedrijf] te laten (en failliet te laten gaan) en de lusten bij [het metselbedrijf] terecht te laten komen. Tot slot betwist SVW de openstaande facturen van [het metselbedrijf] waarvan betaling wordt verlangd. SVW concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen van [het metselbedrijf] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [het metselbedrijf] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
SVW vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat SVW vorderingen heeft op [het metselbedrijf] voor € 5.591,00 en € 13.775,50 en veroordeling van [het metselbedrijf] tot betaling van € 19.366,50, althans een bedrag dat na verrekening van de vordering van [het metselbedrijf] resteert, vermeerderd met rente en kosten.
3.6.
SVW doet een beroep op verrekening. Voor zover er door [het metselbedrijf] al aanspraak bestaat op betaling is deze volledig voldaan. Er is immers een vordering voor een bedrag van € 13.775,50 van Valento Works vanwege de uitlening van personeel op [het bouwbedrijf] gecedeerd aan SVW. Van deze cessie is mededeling gedaan aan [het metselbedrijf] en voor zover nodig wordt die mededeling herhaald. Naast dit bedrag van € 13.775,50 heeft SVW een bedrag van € 5.591,00 onverschuldigd betaald. Daardoor is de vordering die SVW op [het metselbedrijf] heeft hoger dan de vordering die [het metselbedrijf] op SVW heeft. Dit maakt dat SVW niet alleen aanspraak maakt op voornoemde bedragen, maar ook op een vergoeding van de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.7.
[het metselbedrijf] voert verweer. [het metselbedrijf] betwist dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of ongerechtvaardigde betaling op grond waarvan SVW betaling vordert. Volgens [het metselbedrijf] was er wel degelijk een overeenkomst tussen partijen waarvoor een betalingsverplichting bestond. SVW heeft de door [het metselbedrijf] verzonden factuur zonder enig voorbehoud of protest voldaan. [het metselbedrijf] heeft de overeengekomen werkzaamheden feitelijk uitgevoerd en de werkzaamheden zijn ook door SVW aanvaard en benut. De vordering van SVW die gebaseerd is op een akte van cessie tussen haar en Valento Works is civielrechtelijk noch faillissementsrechtelijk toewijsbaar. Voor wat betreft de handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten voert [het metselbedrijf] aan dat zij nimmer tot betaling is gemaand of anderszins in gebreke is gesteld. [het metselbedrijf] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van SVW met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SVW in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van [het metselbedrijf] worden afgewezen. Hieronder licht de kantonrechter toe hoe hij tot dat oordeel komt.
4.2.
SVW voert het formeel verweer dat [het metselbedrijf] haar conclusie van repliek in conventie te laat heeft ingediend. De rechtbank heeft [het metselbedrijf] ten onrechte de gelegenheid gegeven om conclusie van repliek in conventie in te dienen, terwijl daarvoor door [het metselbedrijf] geen uitstel is gevraagd of verkregen. Daarmee is volgens artikel 133 lid 4 Rv Pro alsmede artikel 1.18 van het rolreglement het recht om die proceshandeling te verrichten vervallen. Er moet daarom aan de conclusie van repliek in conventie voorbij worden gegaan, aldus SVW.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat nu de vorderingen van [het metselbedrijf] worden afgewezen er geen rechtens te respecteren belang meer bestaat om het ingediende processtuk buiten beschouwing te laten danwel de procedure eerder te laten eindigen.
Wie is contractspartij bij de overeenkomst?
4.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag met wie SVW heeft gecontracteerd. De kantonrechter stelt voorop dat het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst afhankelijk is van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. [1]
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat SVW de vordering in hoofdsom van [het metselbedrijf] niet hoeft te betalen. Vaststaat dat er e-mailcontact is geweest tussen [het bouwbedrijf] en SVW en dat [het bouwbedrijf] een offerte naar SVW heeft gestuurd die SVW heeft geaccepteerd. Omdat onderaan de e-mails telkens als afzender ‘ [het bouwbedrijf] B.V.’ vermeld stond, mocht SVW erop vertrouwen dat [het bouwbedrijf] en niet [het metselbedrijf] contractspartij was.
Naar het oordeel van de kantonrechter is duidelijk dat er afspraken zijn gemaakt tussen [het bouwbedrijf] , SVW en Valento Works. Deze afspraak bestond eruit dat Valento Works het personeel zou betalen, het uitzendtarief aan [het bouwbedrijf] zou factureren en [het bouwbedrijf] het door het personeel uitgevoerde metselwerk met toeslagen, overige werkzaamheden en materiaalkosten aan SVW zou factureren. Hetgeen [het metselbedrijf] heeft aangevoerd leidt ook niet tot een andere conclusie. De enkele omstandigheid dat de werkzaamheden mogelijk feitelijk door [het metselbedrijf] zouden zijn verricht verandert de relatie tussen SVW en haar contractspartij niet, daargelaten of [het metselbedrijf] heeft onderbouwd dat dit het geval is. Het enkel sturen van facturen door [het metselbedrijf] naar SVW maakt in ieder geval niet dat de werkzaamheden daadwerkelijk door [het metselbedrijf] zijn uitgevoerd. Niet danwel onvoldoende onderbouwd gesteld is dat SVW ervan op de hoogte was er sprake was van een taakverdeling tussen [het metselbedrijf] voor kleinere projecten (zoals die van SVW) en [het bouwbedrijf] voor grotere projecten. Ook dit maakt echter nog niet dat SVW anders dan uit de hiervoor geschetste omstandigheden en correspondentie had moeten begrijpen dat zij niet met [het bouwbedrijf] maar met [het metselbedrijf] contracteerde.
4.6.
Nu de kantonrechter oordeelt dat [het metselbedrijf] geen contractspartij is bij de overeenkomst, behoeven de overige verweren van SVW geen verdere bespreking meer.
Buitengerechtelijke incassokosten en handelsrente
4.7.
[het metselbedrijf] vordert € 896,62 aan buitengerechtelijke incassokosten en
€ 1.727,04 aan handelsrente. De kantonrechter oordeelt dat nu de vordering in hoofdsom wordt afgewezen, de buitengerechtelijke kosten en handelsrente eveneens worden afgewezen.
[het metselbedrijf] wordt in de proceskosten veroordeeld
4.8.
[het metselbedrijf] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SVW Aannemingsbedrijf B.V. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
In reconventie
4.9.
Voor wat betreft de onverschuldigde betaling van SVW stelt de kantonrechter het volgende voorop. Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag. [2]
4.10.
De kantonrechter oordeelt dat SVW het bedrag van € 5.591,00 onverschuldigd heeft betaald. Nu de kantonrechter in conventie immers heeft geoordeeld dat [het metselbedrijf] geen contractspartij is bij de overeenkomst met SVW, is daarmee de rechtsgrond voor deze betaling komen te vervallen. De kantonrechter begrijpt dat deze betaling door SVW een vergissing was. SVW heeft het betaalbewijs overlegd en de betaling daarvan wordt door [het metselbedrijf] verder niet betwist. Daarmee staat voor de kantonrechter genoegzaam vast dat SVW de betaling daadwerkelijk heeft gedaan. Nu de rechtsgrond voor die betaling is komen te vervallen, maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat [het metselbedrijf] het bedrag van € 5.591,00 aan SVW moet terugbetalen.
4.11.
Voorts oordeelt de kantonrechter dat de vordering van SVW van € 13.775,50 dient te worden afgewezen. Weliswaar beroept SVW zich op een akte van cessie tussen haar en Valento Works, maar dit betreft een vordering van Valento Works op [het bouwbedrijf] . SVW is niet gerechtigd om een vordering die zij op [het bouwbedrijf] heeft op [het metselbedrijf] te verhalen. Een cessie van een vordering brengt enkel een verandering mee aan de kant van de schuldeiser (van Valento Works naar SVW) en niet aan de kant van de schuldenaar. [3] Die laatste blijft immers hetzelfde, namelijk [het bouwbedrijf] . Dit maakt dat SVW de vordering die zij op [het bouwbedrijf] heeft niet kan vorderen van [het metselbedrijf] .
4.12.
De kantonrechter hoeft gelet op het voorgaande het beroep op verrekening niet meer te beoordelen. Dit komt doordat in de hoofdzaak (conventie) is vastgesteld dat [het metselbedrijf] en SVW geen contractspartijen van elkaar zijn. Omdat er geen overeenkomst of verbintenis tussen hen bestaat, is er ook geen basis om verrekening toe te passen. Zonder contractuele relatie ontbreekt namelijk de bevoegdheid om te verrekenen.
4.13.
Nu de vordering van SVW in reconventie gedeeltelijk wordt toegewezen, wordt ook de gevorderde verklaring voor recht gedeeltelijk toegewezen zoals bepaald in de beslissing.
Handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
SVW vordert betaling van een bedrag vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
4.15.
SVW vordert buitengerechtelijke incassokosten, maar vermeld in haar conclusie van antwoord (tevens conclusie van eis in reconventie) geen bedrag. SVW stelt daartoe reeds in het voortraject juridisch bijstand te hebben gezocht die meer heeft moeten doen dan enkel de instructie van de zaak. Deze werkzaamheden worden verder niet geconcretiseerd of onderbouwd. [het metselbedrijf] betwist echter dat haar buitengerechtelijke kosten zijn aangezegd. Als gevolg hiervan oordeelt de kantonrechter dat de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
SVW wordt in de proceskosten veroordeeld
4.16.
Gelet op het vorenstaande zal SVW in de proceskosten worden veroordeeld conform het liquidatietarief dat aansluit bij het toe te wijzen bedrag. Nu de nakosten reeds bij de vordering in conventie zijn meegenomen, worden deze in reconventie niet meer meegenomen en begroot op nihil. De proceskosten van [het metselbedrijf] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
Totaal
720,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en reconventie
5.1.
wijst de vorderingen van [het metselbedrijf] af,
5.2.
veroordeelt [het metselbedrijf] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [het metselbedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat SVW een vordering heeft op [het metselbedrijf] voor een bedrag van € 5.591,00,
5.5.
veroordeelt [het metselbedrijf] om aan SVW te betalen een bedrag van € 5.591.00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt SVW in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SVW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

2.Artikel 6:203 BW Pro.
3.Artikel 3:94 BW Pro.