Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5695

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
03.252230.25 en 03.087555.26
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 38v SrArt. 36f SrArt. 509hh SvArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging ex-partner en overtreden gedragsaanwijzing met vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank Limburg heeft verdachte veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner gedurende de periode van 9 december 2024 tot en met 13 oktober 2025 en het overtreden van een gedragsaanwijzing door het plaatsen van een tracker op de auto van het slachtoffer in oktober 2025.

De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, camerabeelden en technische gegevens van de tracker. De verdachte zocht ondanks meerdere duidelijke verzoeken en een stopgesprek met de politie herhaaldelijk contact met het slachtoffer en haar omgeving, en plaatste een Airtag om haar te volgen.

De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte ernstig en kwalijk, met een grote impact op de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van het slachtoffer. De verdachte ontkent het plaatsen van de tracker, maar dit wordt door de rechtbank niet geloofd.

De straf bestaat uit een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden en toezicht door de reclassering. Tevens is een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd met een contact- en locatieverbod voor drie jaar. De rechtbank wijst een schadevergoeding toe van in totaal €3.534,35 aan materiële en immateriële schade.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 100 uren taakstraf en vrijheidsbeperkende maatregel voor belaging en overtreden gedragsaanwijzing.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummers : 03.252230.25 en 03.087555.26 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 15 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1955,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord. De benadeelde partij is bijgestaan door mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
03.252230.25
in de periode van 26 november 2024 tot en met 13 oktober 2025 [slachtoffer] heeft belaagd;
03.087555.26
Feit 1:in de periode van 10 tot en met 13 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing van de officier van justitie;
Feit 2:in de periode van 8 november 2025 tot en met 29 december 2025 heeft gehandeld in strijd met een (verlengde) gedragsaanwijzing van de officier van justitie.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
03.252230.25
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit voor de periode zoals tenlastegelegd, dan wel vanaf 9 december 2024. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de relatie van de verdachte en aangeefster op 26 november 2024 is beëindigd en dat aangeefster kort daarna geen contact meer wilde met de verdachte. De verdachte is desondanks veelvuldig en gedurende een lange periode contact blijven zoeken met aangeefster en stuurde haar onder andere een grote hoeveelheid vervelende brieven en kaarten en ook nog bloemen. Op 9 december 2024 heeft de zwager van aangeefster op haar verzoek een gesprek gehad met de verdachte, waarbij de zwager aan de verdachte heeft laten weten dat hij aangeefster met rust moest laten. Op 11 december 2024 heeft aangeefster zelf ook nog eens via Whatsapp aan de verdachte laten weten dat hij haar met rust moest laten. Op 11 maart 2025 heeft aangeefster een stopbrief naar de verdachte gestuurd. Deze brief is op 9 april 2025 door de verdachte naar aangeefster retour gestuurd met daarop met pen opmerkingen van de verdachte. Op 14 april 2025 heeft de wijkagent een stopgesprek gevoerd met de verdachte. De verdachte gaat echter ook na dit stopgesprek gewoon door met het sturen van berichten en pakketten. Ook stuurt de verdachte berichten en pakketten naar de familie en vrienden van aangeefster. Aangeefster heeft op 22 juli 2025 aangifte tegen de verdachte gedaan. Zij doet op 4 augustus 2025 aanvullend aangifte en verklaart dan dat een Airtag bij de motorkap van haar auto was geplaatst. Op de door getuige [naam 2] gemaakte beelden is te zien dat er op het station een auto geparkeerd staat naast de auto van aangeefster en dat een persoon bezig is bij de auto van aangeefster. Getuige [naam 2] heeft verklaard dat hij de persoon herkende als de stalker van aangeefster. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die avond bij het station zijn auto heeft geparkeerd. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster en getuige [naam 2] . De belaging, inclusief het plaatsen van de Airtag, kan dus wettig en overtuigend bewezen worden.
03.087555.26 feit 1 en 2
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en vrijspraak van feit 2. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat een tracker aangetroffen werd voor de oprit van aangeefster, welke vermoedelijk onder haar auto vandaan is gevallen toen zij wegreed. Deze tracker is door de politie onderzocht en het valt op dat de tracker masten aanstraalde in de buurt van de verdachte en in de buurt van aangeefster in de periode tussen juni 2025 en 14 oktober 2025. In combinatie met de belaging onder parketnummer 03.252230.25 maakt dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het opvallend is dat de verdachte golflessen is gaan nemen op de plek waar aangeefster ook golft. In het dossier zit echter onvoldoende bewijs waaruit geconcludeerd kan worden dat de verdachte aangeefster actief heeft gevolgd.
3.2
Het standpunt van de verdediging
03.252230.25
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. In de periode voorafgaand aan het stopgesprek van 14 april 2025 was het voor de verdachte niet duidelijk dat aangeefster geen contact meer wilde. Dat aangeefster het contact wilde afbouwen heeft de verdachte verkeerd geïnterpreteerd. De verdachte dacht dat er nog hoop was voor hun relatie en zijn insteek met de brieven, kaarten en bloemen was om aan aangeefster te laten weten dat hij nog gevoelens had voor haar. De verdachte is een romanticus en heeft zich niet opgedrongen bij haar. Na het stopgesprek van 14 april 2025 werd het de verdachte duidelijk dat aangeefster geen contact meer wilde. Na deze datum heeft hij weliswaar nog contact gezocht met aangeefster, maar dit was niet van dien aard dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een Airtag een volstrekt ongeschikt middel is om iemand mee te achtervolgen. De verdachte herkent zichzelf bovendien niet op de beelden die zijn gemaakt op het station en ontkent de Airtag te hebben geplaatst. De verdachte dient dan ook van dit gedachtestreepje vrijgesproken te worden. Ook het achtervolgen van aangeefster kan niet bewezen worden. Gelet op de locatie waar de achtervolging zou hebben plaatsgevonden, kan worden geconcludeerd dat het bovendien geen lange achtervolging is geweest en er ontbreekt opzet op dit onderdeel. Dit geldt ook voor het contact zoeken met de personen in de omgeving van aangeefster. Dit contact was niet bedoeld om het contact met aangeefster te herstellen, maar om deze personen een hart onder de riem te steken of te feliciteren, en kan daarom niet gekoppeld worden aan de belaging.
03.087555.26 feit 1 en 2
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van beide feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat het te kort door de bocht is om te stellen dat door de zendmastgegevens geconcludeerd kan worden dat de tracker door de verdachte bij aangeefster is geplaatst. Hier zou meer onderzoek naar gedaan moeten worden. De tracker is bovendien aangetroffen op de openbare weg en het is niet vastgesteld dat de tracker onder de auto van aangeefster heeft gezeten.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte het contact met aangeefster niet opgezocht heeft op de golfbaan. De verdachte golfde daar al langere tijd en aangeefster woont daar niet in de buurt, dus het ligt niet voor de hand dat zij daar golflessen zou gaan nemen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 03.252230.25 [1] en feit 1 onder parketnummer 03.087555.26 [2]
Op 22 juli 2025 heeft [slachtoffer]
aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [3]
Ik doe klacht van stalking/belaging gepleegd door mijn ex partner [verdachte] . Ik heb [verdachte] via een datingsite in december 2018 of januari 2019 leren kennen. Dit is uitgegroeid in een relatie. [verdachte] kwam elke week in het weekend. Het ging in eerste instantie goed maar in 2024 kreeg ik argwaan. Ik kwam er toen achter dat hij een geheime relatie onderhield met een andere vrouw. Tevens zag ik dat hij op sites zat om seksuele contacten te krijgen. Het vertrouwen was toen weg en op 26 november 2024 heb ik de relatie definitief verbroken.
Vanaf 28 november 2024 stuurde [verdachte] mij vele Whatsappberichten over liefde. Ik heb toen aangegeven dat ik hem op 29 november 2025 (de rechtbank begrijpt: 2024) zou bellen. In dit gesprek dreigde [verdachte] ermee dat hij zelfmoord wilde plegen. Hij gaf aan dat hij marinier was geweest en wist wat hem te doen stond. Hij zei een paar keer "mission accomplished". Ik schrok hier wel van en vond het eng. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij hulp moest zoeken en dat ik zijn zus [naam 3] ging bellen voor hulp. [verdachte] brak hierna het gesprek af.
Op 30 november 2024 heb ik weer een telefoongesprek met [verdachte] . Hij geeft hierin aan dat hij niets meer te verliezen heeft en smeekte gewoon. Ik vond dit wel eng. Hij gaf mij de schuld en verwijt mij dat hij zijn zoon niet meer ziet. Ik heb hierop geantwoord dat ik graag wil dat we respectvol uit elkaar zouden gaan en de kinderen erbuiten laten.
Op 4 december 2024 ontving ik een brief met ondertekening zoals in een trouwakte.
Op 6 december 2024 brengt [verdachte] bij mijn schoonzoon een hele kist met cadeaus,
gedichtjes en gebak voor pakjesavond. Dit ondanks dat ik hem gezegd had dat hij niet kon komen.
Op 8 december 2024 heb ik [verdachte] gevraagd om zich uit de oud/nieuwjaarsapp groep te verwijderen en andere familieapp groepen. Dit deed hij niet. Hij werd vervolgens door de beheerders van de appgroepen uit de groepen verwijderd.
Ik heb op 8 december 2024 mijn zwager [naam 4] (de rechtbank begrijpt: [naam 4] ) gevraagd om een gesprek met [verdachte] te voeren om aan te geven dat het echt over is. Op 9 december 2024 heeft [naam 4] dit gesprek gevoerd en beloofde [verdachte] om te stoppen. De dag erop ging hij echter gewoon weer door. [verdachte] stuurde een mail over het bezoekje van [naam 4] .
Op 11 december 2024 heb ik een Whatsappbericht gestuurd naar [verdachte] waarin ik
duidelijk heb aangegeven dat hij mij met rust moest laten en moest stoppen met het
sturen van berichten. Hij ging echter gewoon door.
Op 12 december 2024 heb ik ook tegen [verdachte] gezegd dat hij mijn kinderen met rust
moest laten.
Tussen 12 en 20 december 2024 stuurde [verdachte] mij dagelijks twee tot vijf berichten, foto's, filmpjes en stichtelijke woorden via Whatsapp. Hierop had ik hem geblokkeerd.
Vervolgens stuurde hij van 12 tot 18 december 2024 vele mails. In het Engels en ‘dit
wilde ik met je delen’. Ik lees de mails niet meer vanaf 20 december 2024 en heb ook
niet meer gereageerd.
Toen hij geen contact meer met mij kreeg begon hij rond 13 december 2024 kerstkaarten te sturen naar vrienden van mij in Kessel. Dit deed hij voorheen nooit.
Bij mijn vriendin [naam 5] stond [verdachte] ineens ongevraagd voor de deur met een kerstkaart. Zij vond dit niet prettig en heeft hem niet binnengelaten.
Op 19 december 2024 kwam ik 's avonds thuis na mijn maandelijkse kookavond en stonden er bij mijn achterdeur 70 of meer rode rozen, kaarten en cadeaus. Ik schrok hiervan. Hij weet precies dat ik elke derde donderdag aan het koken ben waardoor hij die spullen kon bezorgen. Mijn vriendin [naam 6] was er gelukkig bij. Zij heeft de bloemen, cadeaus en kaarten met mijn zwager [naam 4] een dag later terugbezorgd bij [verdachte] . Dit samen met gereedschap en kleding. Ik heb toen ook de politie gebeld voor advies. Als reactie op het terugbezorgen ontving ik weer mails van [verdachte] . Ik heb vervolgens ook mijn buren op de hoogte gebracht dat [verdachte] mij serieus lastigvalt. Bij onraad komen zij met de sleutel bij mij naar binnen.
Op 21 december 2024 ontving ik een bericht van [verdachte] op Instagram. Hier heb ik hem ook direct geblokkeerd.
Op 25 december 2024 ontving ik een Whatsappbericht van de werktelefoon van [verdachte] . Ook dit nummer heb ik geblokkeerd.
Op 26 december 2024 verschenen er foto's op zijn Facebookpagina. Als profielfoto
[verdachte] en ik.
Op 27 december 2024 ontving mijn dochter [naam 7] een envelop met daarin kaarten welke zij ooit verstuurd heeft naar [verdachte] tijdens onze relatie. Hij heeft op deze kaarten geschreven dat ik er schuld aan heb dat hij geen opa kan zijn. Hij stuurde ook naar [naam 7] een Whatsappbericht hoe het met haar zwangerschap gaat.
Op 28 december 2024 heb ik nieuwe sloten laten plaatsen in mijn woning omdat ik er
niet zeker van ben dat hij een kopie heeft. Ook heb ik een camera laten ophangen bij de achterdeur. Dit omdat ik mij gewoon niet veilig voel. De ene keer is [verdachte] lief en
aardig in zijn berichten en de andere keer verwijt hij mij van alles.
Op 30 december 2024 zag ik dat [verdachte] mij volgt op LinkedIn. Hier heb ik hem ook
geblokkeerd.
Op 1 januari 2025 ontving ik via mail een nieuwjaarwens van [verdachte] . Ik heb
vervolgens voor de tweede keer de politie gebeld voor advies.
Op 3 januari 2025 werd ik gebeld. Ik zag dat er gebeld werd met de werktelefoon van
[verdachte] . Ik heb niet opgenomen.
Op 4 januari 2025 overhandigde [naam 6] mij een brief welke zij van [verdachte] heeft
ontvangen. Hierin verwijt hij [naam 6] van alles en geeft haar de schuld omdat zij de
rozen, kaarten en cadeaus heeft teruggebracht.
Op 5 januari 2025 ontving ik een mail van [verdachte] . Hij wilde een gesprek. Ik heb hier
niet op gereageerd. Op 11 januari 2025 stuurde hij deze mail nogmaals.
Op 7 januari 2025 ontving ik twee kaarten van [verdachte] . Deze had ik niet geopend.
Op 15 januari 2025 ontving mijn schoonzoon [naam 8] een Whatsappbericht van [verdachte] met een vraag over de baby.
Op 19 januari 2025 vond ik na een wandelweekend in de brievenbus een reep chocolade van Broekmans met de tekst: Hou van jou.
Op 20 januari 2025 ontving ik een mail met vijf redenen voor herstel relatie.
Op 23 januari 2025 kreeg ik een bericht dat er een pakje voor mij was. Ik heb dit niet
opgehaald.
Op 27 januari 2025 ontving ik wederom een mail van [verdachte] over de 20ste van de
maand.
Op 11 februari 2025 zijn er twee Valentijn chocolade dingen in de brievenbus bezorgd.
Op 12 februari 2025 ontving ik met de post een doos met Valentijndingen. Dit heb ik met mijn zus geopend. Op de kaart stond een gedicht en een uitnodiging voor een wandeling.
Op 24 februari 2025 ontving ik een brief van [verdachte] . Hij noemt me schat. Hierin
staat ook weer hoe een relatie weer gestart kan worden door tips. Hij geeft hierin
aan dat ik in zijn gedachten zit en dat hij er mee opstaat en naar bed gaat. Dit klinkt erg obsessief.
Op 10 maart 2025 ontving ik een kaart van [verdachte] over [naam 9] mijn hond en mij.
Op 17 maart 2025 heb ik een aangetekende stopbrief naar [verdachte] gestuurd.
Op 31 maart 2025 ontving ik een mail van [verdachte] over een programma Brugge. Hierin stonden weer veel verwijten in mijn richting.
Op 31 maart 2025 was de stopbrief nog niet opgehaald. Ik heb [verdachte] gedeblokkeerd en een bericht gestuurd dat hij de brief dient op te halen. Hierna heb ik hem weer geblokkeerd.
Op 2 april 2025 kreeg ik een sms bericht. Deze heb ik ook geblokkeerd.
Op 9 april 2025 kwam de stopbrief retour. Hierop staat aangevuld dat ik na gedwongen seks het hazenpad heb gekozen.
Op 9 april 2025 kreeg ik een bericht dat er een pakje voor mij was. Ik durfde dit niet op te halen en heb de politie gebeld voor advies.
Op 14 april 2025 werd ik door de politie gebeld dat men een stop gesprek met [verdachte]
ging voeren.
Op 17 april 2025 ontving ik een terugkoppeling van de politie. [verdachte] claimde dat er
zakelijke dingen open stonden. Via de politie heb ik de lijst ontvangen.
Op 14 mei 2025 bracht mijn zwager [naam 4] de spullen van de lijst naar [verdachte] . Hierna zou alles afgehandeld zijn. Ik heb zelfs een bedrag overgemaakt.
Ik ontving van [verdachte] een doos met bekladde kaarten en nieuwe kostenoverzichten. Op advies van de politie heb ik deze genegeerd.
Op 25 mei 2025 na het stopgesprek met de politie ontving ik weer een mail van
[verdachte] .
Op 31 mei 2025 liet [verdachte] bloemen bezorgen bij de schoonmoeder van mijn dochter
[naam 10] . Dit is raar omdat ze elkaar niet goed kennen. [verdachte] blijft contact zoeken
met mijn familie om zo weer met mij in contact te komen.
24 juni 2025 ontving [naam 6] een verjaardagskaart terwijl [verdachte] haar eerder die
lelijke brief had gestuurd.
Op 7 juli 2025 ontving ik drie kaarten van [verdachte] waarvan een voor mijn verjaardag. Een kaart is een soort vooraankondiging voor een huwelijksaanzoek. Ik vind dit afschuwelijk eng. [verdachte] maakt hiermee inbreuk op mijn levenssfeer.
Op 9 juli 2025 heb ik wederom de politie gebeld. Bij mij was de maat vol. [verdachte] gaat te ver en het maakt mij angstig. [verdachte] stopt gewoon niet en blijft gewoon bezig.
[verdachte] heeft vervolgens tussen 12 en 21 juli 2025 nog contact opgenomen met mijn
dochter en schoonzoon via Whatsapp en mijn dochter [naam 10] heeft een kaart ontvangen.
[verdachte] blijft inbreuk maken op mijn familie en mijn leven door het sturen van
kaarten, berichten, mails en dergelijke. Hij springt van de hak op de tak. De ene
keer is hij romantisch en wil hij dat we weer bij elkaar komen en de andere keer erg
verwijtend dat ik overal schuld aan heb. Ik vind het eng en heb geen idee wat er
allemaal in het hoofd omgaat van [verdachte] . Hij lijkt wel door mij geobsedeerd. Het houdt mij wakker en maakt mij onrustig.
Ik heb hem vaak gezegd te stoppen en er heeft een stopgesprek plaatsgevonden door de politie maar [verdachte] blijft doorgaan. Ik wil gewoon dat hij stopt en mij en mijn
familie met rust laat. Ik ben wel bang voor de reactie van [verdachte] op deze klacht
tegen hem en hoe hij gaat reageren als ik een nieuwe relatie met iemand anders zou
hebben. Voor mij is er geen andere oplossing meer dan dat er strafvervolging plaatsvindt.
[slachtoffer] heeft een
logboekals bijlage toegevoegd aan haar aangifte van 22 juli 2025 en hier staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende op vermeld: [4]
21-4-25: [verdachte] wil met zus en zwager koffiedrinken. Maar dat gebeurt niet omdat zus en zwager daar niet op in willen gaan.
1-8-25: ik vind in “de prullenbak” van de mail een mail van [verdachte] van 13-7-25 waarin [verdachte] mij weer een en ander verwijt en aangeeft nog steeds achter de verstuurde kaarten staat. Deze heb ik naar agente [naam 11] gemaild. [naam 11] antwoordde dat de aangifte nu inderdaad definitief is. ’s Avonds ben ik alleen in mijn huis en ben ik bang.
Op 4 augustus 2025 heeft [slachtoffer]
aanvullend aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [5]
Op zaterdag 2 augustus 2025 omstreeks 18:25 uur arriveerde ik met mijn auto bij de
golfclub [naam 12] . Ik kreeg vervolgens een melding op mijn iPhone: "wireless tag, de eigenaar kan de locatie ervan opzoeken." Ik schrok hiervan en werd er erg nerveus van.
Omstreeks 21:00 uur arriveerde ik bij mijn partner [naam 2] in [plaats 1] . De
melding op mijn iPhone zat me niet lekker. Ik ging vervolgens op de iPhone zoeken en ontdekte in de app "zoek mijn iPhone" dat er "onbekende objecten gevonden bij jou". In deze app zat ook de mogelijkheid om geluid af te spelen. Ik zei tegen [naam 2] dat ik graag naar mijn auto wil om te kijken of er geluid komt. Tot mijn verbazing was dat zo. We gingen samen zoeken en hoorden dat het signaal ergens bij een scharnier van de motorkap zat. We hebben de auto vervolgens verplaatst naar het station in [plaats 1] . Dit is dichtbij de woning van [naam 2] . Ik parkeerde daar mijn auto onder een camera. Vervolgens hebben we nogmaals gezocht naar het object. [naam 2] heeft het object gevonden. Het blijkt een tracker te zijn. Ik schrok hier erg van. [verdachte] moet de tracker geplaatst hebben om mij te volgen. Ik heb de tracker op internet opgezocht en las daar dat als je twee keer op een knopje drukt dat de tracker dan uitschakelt. Dit hadden we gedaan. We zijn vervolgens naar de woning van
[naam 2] gelopen waar we de politie hebben gebeld. Dit was omstreeks 22:06 uur. De auto met de tracker hebben we bij het station laten staan.
De politie wilde de tracker veiligstellen maar er bleek niet direct een auto
beschikbaar te zijn. [naam 2] is vervolgens naar het station gegaan omdat ik bang was
dat [verdachte] de tracker zou verwijderen. [naam 2] ging op het perron staan waar hij zicht op mijn auto had. Na vijf minuten zag [naam 2] dat er een Audi Q7 het parkeerterrein van het station opreed en naast mijn auto parkeerde. [naam 2] zag dat het [verdachte] was en heeft hem gefilmd bij mijn auto. [naam 2] gaf aan dat hij zag dat [verdachte] direct naar de plek liep waar de tracker was gevonden. [verdachte] heeft ongeveer een half uur zitten rommelen bij mijn auto en liep af en toe ook terug naar zijn auto. [naam 2] zag zelfs dat [verdachte] op de grond ging liggen bij het achterwiel.
[…]
De tracker werd door de politie onder de motorkap gehaald en in beslag genomen voor onderzoek. De tracker was weer actief. Er werd geen tweede tracker aangetroffen.
Ik was erg bang en durfde niet naar mijn huis te gaan en ben bij [naam 2] gebleven.
[verdachte] heeft mij kunnen volgen en weet waar ik ben geweest met mijn auto.
Ik voel mij niet meer veilig en ben erg bang dat hij mij iets wil aandoen.
[naam 4] is als
getuigegehoord en hij heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [6]
[slachtoffer] is mijn schoonzus en zij heeft een relatie met [verdachte] gehad. Dit is
destijds beëindigd vanuit [slachtoffer] omdat er dingen waren voorgevallen omtrent
vertrouwen. Hij heeft vaak contact met [slachtoffer] door haar te appen, berichten te
sturen, te mailen of cadeaus te kopen. Ik weet dat [slachtoffer] toen ook heeft gevraagd
hiermee te stoppen. Ik heb zelf rond december nog met hem gesproken. Ik heb hem toen ook gezegd te stoppen met zijn gedrag en het met rust te laten. Even had ik het idee dat het gestopt was en toch is het weer doorgegaan en heeft hij weer berichten en mailtjes gestuurd.
[naam 2] is als
getuigegehoord en hij heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [7]
Ik kreeg te horen dat [slachtoffer] een relatie heeft gehad en dat dit tot november heeft
geduurd. Vanaf november wordt zij door haar ex-partner op allerlei manieren lastig
gevallen. Hij probeert op allerlei manieren indirect en direct contact met haar te
krijgen. Dit doet hij door haar verschillende berichten, e-mails, kaarten en zelfs
cadeautjes te sturen. Hij kan haar maar niet loslaten. Ook zoekt hij contact met
de familie van [slachtoffer] en zelfs met haar vrienden.
[slachtoffer] kwam terug van het golfen. Zij hoorde iets bij haar auto of merkte dat er
iets niet klopte. Zij was vervolgens naar mij toegereden en daar hadden wij
geconstateerd dat er een Airtag in haar auto lag. Zij heeft middels haar telefoon
kunnen zien welke route deze Airtag heeft gemaakt. Zij heeft gezien dat deze Airtag
na installatie actief was in Kessel. Wij hebben vervolgens de Airtag uitgezet en de auto bij het station in [plaats 2](de rechtbank begrijpt: station [plaats 2] gelegen te [plaats 1] )
neergezet. Dit is enkele honderden meters bij mij vandaan. De Airtag lag bij de motorkap. Ik ben vervolgens op het station gaan zitten en ik had zicht op het voertuig van [slachtoffer] . Ik denk ongeveer een kwartier later zag ik dat er een donkerblauwe Audi Q7 aan kwam rijden en dat deze naast de auto van [slachtoffer] werd geparkeerd. Ik zag dat er een man uitstapte die ik herkende als zijnde de stalker. Hij is op dat moment dat hij de auto daar parkeerde een half uur bezig geweest rondom de auto van [slachtoffer] . Hij heeft de Airtag gepakt en deze in zijn auto aangezet. Hij heeft deze toen weer bij de auto van [slachtoffer] geplaatst. Ik zag ook dat hij onder de auto lag. Ik zag een donkerblauwe Audi Q7 en ik heb alleen de letters [nummers] gezien van het kenteken. Het laatste deel kon ik niet zien omdat de auto net achter een struikje stond.Ik heb eerder foto's van hem gezien, ook heeft [slachtoffer] mij verteld hoe hij er uitzag. Dit in combinatie met de auto wist ik meteen dat hij dit was. Ik wist hoe hij
eruit zag door zijn bouw, het is een grote man.
De verdachteheeft ter terechtzitting zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Het klopt dat ik na het verbreken van de relatie berichten, mails, cadeaus en rozen heb verstuurd aan aangeefster. Het klopt dat ik op 9 december 2024 een gesprek heb gehad met [naam 4] . Het klopt dat ik kaarten (terug) heb gestuurd naar de dochter van aangeefster met daarop door mij aangebrachte tekst. Het klopt dat ik ook de stopbrief van aangeefster terug heb gestuurd met tekst. Het klopt dat ik kaarten heb gestuurd naar vriendinnen van aangeefster en dat ik bloemen heb gestuurd naar de schoonmoeder van de dochter van aangeefster. Ook heb ik contact gezocht met de schoonzonen en de dochters van aangeefster. Ik kan me achteraf voorstellen dat dit allemaal een inbreuk op de levenssfeer van aangeefster is geweest.
Het klopt dat de Audi Q7 met kenteken [nummers] mijn auto is. Ik heb die avond van 2 augustus 2025 mijn auto geparkeerd bij het station [plaats 1] .
Op 25 september 2025 is aan de verdachte
een gedragsaanwijzingopgelegd. Deze gedragsaanwijzing is op 28 september 2025 in persoon aan de verdachte uitgereikt en houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in: [8]
Beveelt de verdachte:
Gebiedsverbod:
zich niet op te houden in/op [straatnamen] ;
Contactverbod
zich te onthouden van contact met de volgende persoon: [slachtoffer] .;
bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch
indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels
telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel,
noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke
middelen) zal hebben met genoemde persoon.
Periode
De gedragsaanwijzing gaat in met ingang van de dag van uitreiking en blijft
van kracht voor een periode van 90 dagen, tenzij binnen de gestelde
termijn een onherroepelijke afdoening heeft plaatsgevonden van de uit
onderhavige verdenking voortkomende strafzaak.
Op 15 oktober 2025 heeft [slachtoffer]
aanvullend aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard: [9]
Op 13 oktober 2025 omstreeks 20:00 uur belde mijn vriendin mij op. Zij vertelde mij dat ze tijdens een wandeling vrienden van haar was tegengekomen welke voor mijn oprit tussen 19:00 en 19:30 uur een tracker hadden gevonden. Ik schrok daar wel van. In augustus 2025 is er al eerder een tracker gevonden onder mijn auto. Korte tijd later is [verdachte] gezien bij de auto toen deze geparkeerd stond in [plaats 1] bij het treinstation. Mogelijk is deze tracker onder mijn auto vandaan gevallen toen ik op 13 oktober 2025 om 18:55 uur ben weggereden. Ik heb toen ook iets gehoord.
In
het proces-verbaal van bevindingenstaat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd: [10]
Op 13 oktober 2025, tussen 19:00 uur en 19:30 uur werd een tracker op de oprit van aangeefster aangetroffen. Deze tracker zat vermoedelijk onder het voertuig van
aangeefster. Deze tracker werd in beslag genomen en nader onderzocht. De tracker bleek voorzien te zijn van een IMEI nummer. Dit IMEI nummer werd historisch bevraagd over een periode van 2 juni 2025 tot en met 15 oktober 2025.
Ik zag dat er gegevens terugkwamen van de periode tussen 5 juni 2025 tot en met 15
oktober 2025.
Ik zag dat de tracker de gehele maand juni masten aanstraalde in [plaats 3] en [plaats 2] .
Deze masten lagen allen in de directe omgeving van het woonadres van de verdachte.
Op 11 juli 2025 werd er een mast aangestraald op de [adres 2] te Kessel.
Hierna straalt de tracker wederom hoofdzakelijk masten aan in [plaats 3] en [plaats 2] .
Vanaf 10 oktober tot en met 14 oktober 2025 straalt de tracker een mast in Kessel aan op de [adres 2] .
De bewijsoverweging
De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
De rechtbank stelt aan de hand van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de relatie van de verdachte met aangeefster op 26 november 2024 is beëindigd door aangeefster. Vanaf 28 november 2024 bleef de verdachte vele berichten sturen naar aangeefster. Ook stuurde hij een brief naar haar en bracht hij een kist met cadeaus naar de schoonzoon van aangeefster. Aangeefster heeft op 8 december 2024 haar zwager gevraagd of hij een gesprek met de verdachte wilde voeren om aan hem duidelijk te maken dat de relatie echt over was. Op 9 december 2024 heeft de zwager van aangeefster een gesprek gevoerd met de verdachte en aangegeven dat de verdachte moest stoppen met zijn gedrag en aangeefster met rust moest laten. De rechtbank is van oordeel dat de boodschap van dit gesprek de verdachte meer dan duidelijk moet zijn geweest en dat hij in ieder geval vanaf dat moment aangeefster met rust had moeten laten. De verdachte ging echter door met veelvuldig contact zoeken met aangeefster en haar omgeving. Aangeefster heeft daarna tevergeefs meermaals aangegeven dat ze wilde dat de verdachte ermee stopte. Zij stuurde cadeaus terug en zij heeft de verdachte op diverse wijzen geblokkeerd op haar telefoon en op sociale media. Ze reageerde niet op de vele berichten die zij van de verdachte ontving. Uiteindelijk heeft aangeefster zelfs een aangetekende stopbrief gestuurd en heeft een stopgesprek met de wijkagent plaatsgevonden: dit alles weerhield de verdachte er niet van om contact te zoeken met aangeefster en haar omgeving. Integendeel, de verdachte ging hierna zelfs zodanig ver dat hij een Airtag heeft geplaatst op de auto van aangeefster om haar te kunnen volgen.
In tegenstelling tot wat de verdediging stelt, acht de rechtbank een Airtag wel degelijk een geschikt middel om iemand mee te kunnen volgen. De eigenaar van de Airtag kan namelijk op deze manier zien waar de Airtag zich bevindt en daarmee ook de (onbewuste) drager van deze Airtag traceren. Dat het uiteindelijk niet het meest slimme middel was, omdat aangeefster zelf ook een melding van de Airtag kreeg, doet hier niets aan af.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Airtag niet onder de auto van aangeefster heeft bevestigd. Hij zou zijn auto op de betreffende dag op de parkeerplaats bij het station [plaats 1] hebben geparkeerd en met de trein naar Utrecht zijn gegaan. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Getuige [naam 2] heeft immers de persoon die een half uur bezig is geweest aan de auto van aangeefster - ook op de plek waar de Airtag bevestigd was - herkend als zijnde de hem, [naam 2] , bekende stalker van aangeefster. Dit in samenhang gezien met het feit dat de verdachte die avond met zijn auto op dezelfde parkeerplaats was, maakt dat de rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die deze Airtag heeft geplaatst op de auto van aangeefster met het doel haar te kunnen volgen.
Op 25 september 2025 is aan de verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd die inhoudt dat hij niet in Kessel mocht komen en ook dat hij geen contact mocht opnemen met aangeefster. Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat op 13 oktober 2025 wederom een tracker is aangetroffen, ditmaal bij de oprit van de woning van aangeefster nadat zij van huis was vertrokken. Deze tracker is onderzocht en uit de gegevens volgt dat de tracker de gehele maand juni 2025 masten aanstraalde in de woonomgeving van de verdachte. Op 11 juli 2025 heeft deze tracker een mast aangestraald op de [adres 2] te Kessel. Hierna straalde de tracker wederom hoofdzakelijk masten aan in de woonomgeving van de verdachte. Vanaf 10 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 straalde de tracker wederom de mast in Kessel aan op de [adres 2] , welke straat één straat verwijderd is van het woonadres van aangeefster. De rechtbank acht de vaststelling dat de verdachte eerder een Airtag op de auto van aangeefster heeft geplaatst mede redengevend voor het bewijs van onderhavig feit. En gezien het feit dat deze ‘tweede’ tracker eerst een lange tijd aanstraalde in de omgeving van het woonadres van de verdachte en vervolgens vanaf 10 oktober 2025 op een mast in de buurt van de woning van aangeefster alvorens de tracker op 13 oktober 2025 werd aangetroffen bij de oprit van aangeefster. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tracker op 10 oktober 2025 onder de auto van aangeefster heeft geplaatst om haar te kunnen volgen. Hiermee heeft hij eveneens de gedragsaanwijzing van 25 september 2025 overtreden.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig is geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Gelet op de verschillende en herhaalde wijzen waarop aangeefster te kennen heeft gegeven van dat gedrag niet gediend te zijn, acht de rechtbank deze inbreuk gedurende de bewezen te verklaren periode ook wederrechtelijk.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de verdachte pas tijdens het stopgesprek met de wijkagent van 14 april 2025 duidelijk is geworden dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster. De rechtbank is echter van oordeel -zoals hierboven ook al overwogen- dat het voor de verdachte al vanaf 9 december 2024 duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster geen contact meer wilde met de verdachte en dat hij haar met rust moest laten. Op die dag heeft de zwager van aangeefster een gesprek gehad met de verdachte en hem verteld dat hij moest stoppen met zijn gedrag en dat hij aangeefster met rust moest laten.
De rechtbank acht daarmee de belaging onder parketnummer 03.252230.25 voor de periode van 9 december 2024 tot en met 13 oktober 2025 en feit 1 onder parketnummer 03.087555.26 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het gedachtestreepje “eenmaal of meermalen met de auto achter die [slachtoffer] aan te rijden”, alleen al om de reden dat het niet mevrouw [slachtoffer] was die in de auto zat.
Vrijspraak feit 2 onder parketnummer 03.087555.26
De rechtbank stelt vast dat niet uit het dossier blijkt dat de verdachte wist of moest vermoeden dat aangeefster bij genoemde golfclub kwam en/of op welke momenten. De verdachte is voor dit tenlastegelegde feit niet door de politie verhoord. Ter terechtzitting heeft hij hierover pas voor het eerst een verklaring afgelegd, waarbij hij heeft gesteld dat hij al geruime tijd bij de golfclub kwam vóórdat aangeefster daar kwam. De rechtbank stelt vast dat het een keuze van de politie en/of van de officier van justitie moet zijn geweest om de verdachte niet over deze verdenking te verhoren voorafgaand aan de dagvaarding, en constateert dat hierdoor de verschillen tussen de aangifte enerzijds en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte anderzijds in de lucht blijven hangen, nu aangeefster niet geconfronteerd kon worden met de verklaring van de verdachte en nu bijvoorbeeld evenmin de genoemde kapster benaderd is ter verificatie of falsificatie van hetgeen bij de aangiftes is vermeld. De rechtbank acht nader onderzoek naar dit feit in de huidige fase van berechting niet meer aan de orde, waarmee voor dit feit de vereiste duidelijkheid ten enenmale ontbreekt. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van feit 2 onder parketnummer 03.087555.26.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
03.252230.25
in de periode van 9 december 2024 tot en met 13 oktober 2025 in Nederland wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,
door:
- veelvuldig berichten naar die [slachtoffer] te sturen (via Whatsapp, e-mail, SMS en Instagram) en
- meermalen brieven en kaarten te sturen naar die [slachtoffer] en
- meermalen pakketten en/of cadeaus en/of goederen bij die [slachtoffer] te laten bezorgen en
- meermalen een Airtag en/of tracker op/aan de auto van die [slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde die [slachtoffer] te kunnen volgen en
- meermalen contact op te nemen/zoeken met personen in de directe omgeving van die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en/of te dulden;
03.087555.26
Feit 1
in de periode van 10 tot en met 13 oktober 2025 te Kessel opzettelijk heeft
gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 september 2025, gegeven door de officier van justitie te Limburg
door een tracker op/aan de auto van die [slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde die [slachtoffer] te kunnen volgen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
03.252230.25:belaging
03.087555.26, feit 1:opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze vrijheidsbeperkende maatregel houdt in een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor Kessel en Kessel-Eik voor de duur van vier jaren met een vervangende hechtenis van 14 dagen per overtreding met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich bij een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging. Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om deze maatregel op te leggen. Er bestaat geen vrees dat de verdachte nog contact gaat zoeken met aangeefster.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich over een periode van 10 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner mevrouw [slachtoffer] , nadat zij een einde heeft gemaakt aan hun relatie. Aan de verdachte is meermaals op ondubbelzinnige wijze duidelijk gemaakt dat zij geen behoefte had aan contact, toch bleef hij het contact met haar en haar omgeving opzoeken. Zelfs na het stopgesprek met de wijkagent leek de verdachte geen gehoor te geven aan de grenzen van mevrouw [slachtoffer] . De verdachte heeft al die tijd puur vanuit zijn eigen belang geredeneerd; híj had behoefte aan contact en hierbij heeft hij op geen enkel moment stilgestaan bij de belangen en gevoelens van mevrouw [slachtoffer] . Door zo te handelen is de verdachte veelvuldig over de grenzen van mevrouw [slachtoffer] heen gegaan. Zelfs nadat een gedragsaanwijzing is opgelegd, waarbij is bepaald dat de verdachte geen contact meer mocht hebben met mevrouw [slachtoffer] , heeft hij zijn eigen belang weer vooropgezet en heeft hij gebruik gemaakt van elektronische hulpmiddelen om zo zicht te krijgen op de plekken waar mevrouw [slachtoffer] zich bevond. Dit neemt de rechtbank de verdachte erg kwalijk en het plaatsen van de trackers maakt dat de belaging een stap verder is gegaan dan het sturen van berichten, brieven en pakketten. Ondanks dat de verdachte in zijn berichten geen bedreigende, waarschuwende of beledigende woorden heeft gebruikt, heeft zijn obsessieve manier van contact blijven zoeken gevoelens van angst en onbehagen bij mevrouw [slachtoffer] en haar familie teweeggebracht. Uit de slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer] volgt ook dat zij op veel momenten ontzettende angst heeft gekend voor de verdachte. Dat zij met behulp van apparatuur getraceerd en gevolgd werd, verontruste haar nog verder. Belaging is een ernstig feit, gericht tegen de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Mevrouw [slachtoffer] heeft door dit alles enige tijd niet thuis durven wonen en alleen durven zijn; zij is door de feiten in haar privacy aangetast en er is een inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.
Uit het strafblad van de thans 70-jarige verdachte van 13 mei 2026 volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De reclassering heeft op 26 mei 2026 een rapport opgemaakt omtrent de verdachte en daaruit volgt dat de verdachte zijn leven verder naar behoren op de rails heeft. Hij woont in een koopwoning en hij is tot op heden werkzaam als consultant. Er is sprake van een financieel stabiele situatie. Verder heeft hij een constructief sociaal netwerk en is hij actief in het verenigingsleven. Er is geen sprake van middelengebruik. De verdachte was niet eerder in beeld bij de reclassering of binnen de hulpverlening. De reclassering maakt zich bij een veroordeling voor beide tenlasteleggingen met name zorgen over het gegeven dat het delictgedrag is gecontinueerd. De verdachte presenteert zich én komt ook over als een
intelligente man die zijn leven verder meer dan op orde heeft. Juist van hem zou verwacht mogen worden dat hij de gevolgen van zijn gedrag kan overzien, hierop kan reflecteren en zijn handelen kan doorbreken. Mocht de verdachte in beide zaken worden veroordeeld dan blijkt het hiervoor genoemde niet het geval te zijn geweest, hetgeen als zorgwekkend en risicoverhogend wordt gezien. In dat geval is nader onderzoek naar de totstandkoming van het delictgedrag en behandeling hiervan geïndiceerd. De kans op volharding wordt als gemiddeld ingeschat. Mocht de rechtbank een voorwaardelijke straf overwegen dan worden bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De rechtbank houdt voorts rekening in de strafoplegging met de proceshouding van de verdachte. Alhoewel hij de feitelijke handelingen - afgezien van het aanbrengen van apparatuur - erkent, lijkt hij het kwalijke er niet van in te zien. Hij ziet zichzelf vooral als slachtoffer en legt de verantwoordelijkheid van zijn handelen neer bij mevrouw [slachtoffer] . Het lukt hem niet om in te zien wat zijn handelen bij haar heeft veroorzaakt. Alles overwegend en om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbaar gedrag gaat vertonen, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 100 uren als onvoorwaardelijke straf toereikend en acht zij daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op zijn plaats. De rechtbank koppelt hier een proeftijd van 3 jaren aan met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De rechtbank zal voorts als extra waarborg en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, namelijk een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor Kessel en Kessel-Eik. Gelet op de ernst van het feit en ter bescherming van het slachtoffer, zal de rechtbank die maatregel -gelijk aan de duur van de hiervoor genoemde proeftijd- opleggen voor een periode van drie jaren. De vervangende hechtenis per overtreding van het verbod zal de rechtbank op 7 dagen bepalen met een maximum duur van de totale vervangende hechtenis van 6 maanden. De rechtbank zal op grond van artikel 38v lid 4 van het Wetboek van Strafvordering bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
03.252230.25 en 03.087555.26
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 5.577,85 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
beveiligingskosten: 89,00 euro
nieuwe sloten woning: 240,79 euro
eigen risico 2025: 341,88 euro
eigen risico 2026: 385,00 euro
reiskosten: 521,18 euro
immateriële schade: 4.000,00 euro
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voldoende is onderbouwd en daarmee toewijsbaar is.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich bij veroordeling op het standpunt gesteld dat de beveiligingskosten (89,00 euro) en de nieuwe sloten voor de woning (240,79 euro) voldoende zijn onderbouwd en toegewezen kunnen worden.
Ten aanzien van het eigen risico heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van de reiskosten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak is voor deze kosten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdachte de hoogte van het bedrag betwist.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van 534,35 euro aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit de posten:
beveiligingskosten: 89,00 euro
nieuwe sloten woning: 240,79 euro
reiskosten (m.u.v. de reiskosten naar de psycholoog): 204,56 euro
Deze kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en zij wijst dit deel van de vordering toe. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Het overige deel van de vordering van de materiële schade acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De gestelde schade is mogelijk mede het gevolg van andere omstandigheden, die niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De beoordeling van de mate waarin de aan verdachte toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen en de vraag of de billijkheid een andere verdeling van de schade eist, vergen in dit geval een uitvoerig partijdebat en mogelijke nadere bewijslevering. Daarvoor is in dit strafgeding geen plaats. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank dient een verzoek tot vergoeding van immateriële schade te beoordelen aan de hand van artikel 6:106 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Op grond van dit artikel zijn er drie gevallen waarin een benadeelde partij een wettelijk recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van het handelen van een verdachte. Een van die gevallen is wanneer er sprake is van lichamelijk letsel of aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze bij de benadeelde. Het is voldoende onderbouwd wat de bewezenverklaarde feiten met de benadeelde hebben gedaan en welke gevolgen zij vandaag de dag nog ondervindt hiervan. De benadeelde is na de feiten in behandeling geweest van een psycholoog voor een andere gespecificeerde trauma- of stressgerelateerde stoornis. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een persoonsaantasting. De rechtbank maakt bij de schatting van de omvang van de schade gebruik van de Rotterdamse Schaal onder hoofdstuk 17 Belaging. De rechtbank heeft aan de hand van de onderbouwing van de immateriële schade en de omstandigheden van de bewezenverklaarde feiten gekeken naar de verschillende categorieën waarbij zo veel mogelijk aansluiting is gezocht bij de genoemde factoren die van belang zijn voor het bepalen van de omvang van de schade. De verdachte heeft over een periode van 10 maanden contact gezocht met de benadeelde zelf en haar omgeving/familie, heeft gebruik gemaakt van verschillende communicatiemiddelen en heeft gebruik gemaakt van een tracker om haar te kunnen volgen. Hierbij is de rechtbank van oordeel dat gezien de huidige informatie het meest aangesloten wordt bij categorie b. Aan de hand hiervan zal de rechtbank de schade schatten op 3.000,00 euro.
Het overige deel van de vordering van de immateriële schade acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van feit 2 onder parketnummer 03.087555.26;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een
  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
a.
Meldplicht bij reclassering
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland via telefoonnummer 088 804 1501.
Ambulante behandeling
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Rooyse Wissel ambulant behandelen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de delictgerelateerde problematiek.
Contactverbod
Dat de verdachte gedurende de gehele proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met: [slachtoffer] (aangeefster), geboren op [geboortedatum] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Kessel en Kessel-Eik.
  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht,
De vrijheidsbeperkende maatregel
- legt op een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor een periode van drie jaren, inhoudende:
- het bevel dat de verdachte zich onthoudt van iedere vorm van contact, direct of indirect, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;
- het bevel dat de verdachte zich niet bevindt in Kessel en Kessel-Eik.
  • beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de duur van deze vervangende hechtenis
  • beveelt dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • wijst de vordering van de benadeelde partij
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van
  • bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.C. van de Winkel, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. C.P.W. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.
Buiten staat:
Mr. Geuns en mr. Van Well zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
03.252230.25
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2024 tot en met 13 oktober 2025 te
Kessel, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke
levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,
door:
- veelvuldig berichten naar die [slachtoffer] te sturen (via Whatsapp, e-mail, SMS en/of
Instagram), en/of
- meermalen, althans eenmaal, brieven en/of kaarten te sturen naar die [slachtoffer] ,
en/of
- meermalen, althans eenmaal, pakketten en/of cadeaus en/of goederen bij die
[slachtoffer] laten bezorgen en/of laten bezorgen, en/of
- meermalen, althans eenmaal, een Airtag en/of tracker op/aan de auto van die
[slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde die [slachtoffer] te kunnen volgen, en/of
- eenmaal of meermalen met de auto achter die [slachtoffer] aan te rijden, en/of
- meermalen, althans eenmaal, contact op te nemen/zoeken met personen in de
directe omgeving van die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/of vrees aan te jagen;
03.087555.26
Feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2025 tot en met 13 oktober december
2025 te Kessel, gemeente Peel en Maas en/of, althans in Nederland opzettelijk heeft
gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh,
eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing d.d. 25 september 2025, gegeven door de officier van justitie te
Limburg
door een tracker op/aan de auto van die [slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde die
[slachtoffer] te kunnen volgen;
Feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 8 november 2025 tot 29 december 2025 te
Geijsteren, gemeente [plaats 2] , althans in Nederland
opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing d.d. 25 september 2025 en/of de verlenging van de
gedragsaanwijzing d.d. 15 december 2025, gegeven door de officier van justitie te
Limburg
door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] te volgen naar en/of aanwezig
te zijn bij [naam golfclub] " terwijl hij wist , althans redelijkerwijs
moest vermoeden dat die [slachtoffer] hier aanwezig zou zijn.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2025130807, gesloten d.d. 4 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 217 (dossier 1).
2.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer LB000OO_202513080, gesloten d.d. 1 april 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 25 (dossier 2).
3.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 22 juli 2025, pagina 11 t/m 15 (dossier 1).
4.Het logboek van [slachtoffer] , pagina 42 en 43 (dossier 1).
5.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 4 augustus 2025, pagina 177 en 178 (dossier 1).
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] d.d. 6 augustus 2025, pagina 183 (dossier 1).
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 7 augustus 2025, pagina 180 en 181 (dossier 1).
8.De gedragsaanwijzing aan de verdachte d.d. 25 september 2025.
9.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 15 oktober 2025, pagina 2 (dossier 2).
10.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2026, pagina 17 (dossier 2).