Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van belaging, zoals omschreven in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd ervan beschuldigd stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer door haar te volgen, te observeren, te fotograferen en te filmen.
Het Hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de gedragingen van verdachte stelselmatig inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, omdat het slachtoffer zich slechts eenmaal bewust was geweest van een belagingshandeling. De Hoge Raad stelt dat deze opvatting onjuist is, omdat het bewustzijn van het slachtoffer ten tijde van de gedraging niet vereist is; ook kennis achteraf kan relevant zijn.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte heeft verzaakt rekening te houden met eerdere belaging door verdachte, die relevant is voor de beoordeling van de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op basis van de juiste rechtsopvattingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.