Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5656

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/1180
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:87 AwbArt. 12 RwmArt. 31 WwmArt. 9 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking erkenning schietsportcentrum op grond van Wet wapens en munitie

De korpschef heeft de erkenning van het schietsportcentrum I.D.C. ingetrokken vanwege geconstateerde overtredingen van de Wet wapens en munitie (Wwm), Regeling wapens en munitie (Rwm) en Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg). De voorzieningenrechter beoordeelt of de eerder getroffen voorlopige voorziening moet worden opgeheven of gewijzigd.

De voorzieningenrechter concludeert dat niet alle door de korpschef aangevoerde gronden voor intrekking naar verwachting stand zullen houden in het administratief beroep. Zo is de situatie tijdens de controle niet representatief voor de reguliere gang van zaken, en is de erkenninghouder inmiddels deels in gebreke hersteld. Wel blijft een belangrijk punt overeind dat betrekking heeft op het overdragen van wapens aan onbevoegden zonder direct toezicht.

Gezien het grote tijdsverloop tussen controle en besluit, het ontbreken van eerdere waarschuwingen en het feit dat de intrekking een zware maatregel is, acht de voorzieningenrechter het besluit niet proportioneel. Daarom wordt het bestreden besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op het administratief beroep en wordt de werking van de erkenning verlengd. Tevens wordt de korpschef veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt gehandhaafd, het bestreden besluit geschorst en de werking van de erkenning verlengd tot na de beslissing op het administratief beroep.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1180

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen

Schietsportcentrum I.D.C., uit Baexem, verzoeker

(gemachtigden: I.J. Oort en mr. De Vries),
en

de korpschef van politie

(gemachtigde: mr. I. Haagmans).

Samenvatting

Deze uitspraak is een vervolg op de ordemaatregel die de voorzieningenrechter eerder heeft getroffen. De korpschef heeft de erkenning van verzoeker op grond van de Wet wapens en munitie ingetrokken. De voorzieningenrechter beoordeelt of zij aanleiding ziet de reeds getroffen voorziening op te heffen of te wijzigen. Bij die beoordeling is van belang of het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. Niet alle punten die de korpschef aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd, houden naar verwachting stand in administratief beroep. De voorzieningenrechter laat daarom de ordemaatregel in stand. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 heeft de korpschef de verleende erkenning op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm), inclusief het daaraan verbonden beheerderschap, ingetrokken en de aanvraag om verlenging afgewezen
.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen administratief beroep ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Met de uitspraak van 22 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel toegewezen.
1.3.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Ten aanzien van twee stukken [1] heeft de korpschef verzocht om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de beslissing van 29 mei 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. [2] Verzoeker heeft geen toestemming verleend aan de voorzieningenrechter om kennis te nemen van deze stukken. De voorzieningenrechter heeft deze stukken daarom terug laten sturen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: M.F. Hoovenstat namens verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigden. De gemachtigde van de korpschef heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter of aanleiding bestaat om de ordemaatregel, die zij heeft getroffen met de uitspraak van 22 mei 2026, op te heffen of te wijzigen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De feiten
3. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
[naam] en zijn echtgenote, [naam] zijn sinds 1997 eigenaar van een schietsportcentrum in Baexem. [naam] is de enige erkenninghouder. De erkenning was geldig van 21 mei 2023 tot 21 mei 2026. Ongeveer 530 schutters van 12 schietverenigingen doen op regelmatige basis een beroep op de diensten van het schietsportcentrum. Het schietsportcentrum omvat drie lucht-/vuurschietbanen, een wapenwinkel en een horecagelegenheid.
3.2.
Op 14 maart 2024 hebben medewerkers van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het schietsportcentrum geïnspecteerd. Het doel van deze inspectie was om te beoordelen of verzoeker voldoet aan de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg). Tijdens de inspectie hebben de medewerkers geconstateerd dat verzoeker geen geldige overbrengingsvergunning heeft. Daarnaast hebben de medewerkers geconstateerd dat de mede-eigenaresse niet beschikt over een vereiste Wecg-erkenning. Met een brief van 23 maart 2024 heeft de ILT een waarschuwing gegeven aan verzoeker. Aan verzoeker is tot 23 juni 2024 de tijd gegeven om de benodigde Wecg-erkenning te verkrijgen. De echtgenote beschikt vanaf 6 augustus 2025 over een Wecg-erkenning.
3.3.
Op 27 maart 2025 hebben meerdere overheidsdiensten op de locatie van verzoeker een integrale controle uitgevoerd. De politie heeft twee voorwerpen inbeslaggenomen, namelijk een slachtwapen en de loop van een geweer. De bevindingen van de politie zijn neergelegd in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 juli 2025.
3.4.
Op 30 oktober 2025 heeft de korpschef het voornemen uitgebracht om de erkenning, inclusief het daaraan verbonden beheerderschap, in te trekken. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit controle van 27 maart 2025 is gebleken dat verzoeker de wettelijke bepalingen niet, danwel niet stipt naleeft.
3.5.
Verzoeker heeft op 25 november 2025 mondeling een zienswijze ingediend. Daarnaast heeft verzoeker op 27 november 2025 en 9 december 2025 schriftelijke zienswijzen ingediend.
3.6.
Op 30 januari 2026 is [naam] als verdachte verhoord door de politie, op verdenking van overtreding van de Wwm. [naam] heeft een verklaring afgelegd en daarbij verwezen naar de ingediende zienswijzen. Voor zover bekend heeft de officier van justitie nog geen vervolgingsbeslissing genomen.
3.7.
Op 19 mei 2026 heeft [naam] in persoon verzocht om verlenging van de erkenning.
3.8.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 heeft de korpschef de erkenning van verzoeker ingetrokken en, voor zover nog van belang, de aanvraag om verlenging geweigerd. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat tijdens de controle van 27 maart 2025 overtredingen van de Wwm, Regeling wapens en munitie (Rwm) en de Wecg zijn geconstateerd. Het gaat om vijf punten:
Er was sprake van toegang tot de erkenningsruimte en tevens tot de bergruimte, zonder aanwezigheid van toezichthoudend personeel;
Er zijn door mevrouw [naam] handelingen verricht met kruit, zonder de daartoe vereiste Wecg-erkenning;
Er zijn wapens en munitie overgedragen aan daartoe onbevoegden;
Er is een niet-geregistreerd vuurwapen (slachtapparaat) en een niet-geregistreerd onderdeel van een vuurwapen (loop) aangetroffen;
Verzoeker heeft niet voldaan en voldoet ook op dit moment niet aan de registerplicht.
Standpunten van partijen
4. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef voornoemde vijf punten ten grondslag gelegd. Deze punten worden hierna, vanaf overweging 6, besproken en de voorzieningenrechter zal de standpunten van partijen over deze punten daar opnemen. Partijen hebben ook in meer algemene zin hun standpunten naar voren gebracht. Deze standpunten luiden als volgt.
4.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij dertig jaar het schietsportcentrum exploiteert op de manier zoals hij dat altijd heeft gedaan. Hij heeft niet eerder te horen gekregen dat het niet goed zou zijn. De controle was op 27 maart 2025 en nu pas volgt het bestreden besluit, zonder voorafgaande waarschuwing of een ander lichter middel. Al die tijd was het schietsportcentrum open en nu zou het ineens te gevaarlijk zijn. Het intrekken van de erkenning gaat veel te ver.
4.2.
De korpschef stelt zich op het standpunt dat van verzoeker strikte naleving van de regelgeving mag worden verwacht. Als erkenninghouder heeft [naam] een uitzonderingspositie en daar hoort bij dat hij zich nauwgezet aan de regels houdt. Op meerdere punten houdt verzoeker zich niet aan de voorwaarden. Dat is niet alleen vastgesteld tijdens de controle, maar blijkt ook uit het proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI-verbaal), de anonieme brief en uit de zienswijze zelf. Het tijdsverloop tussen de controle en het bestreden besluit is inderdaad te lang geweest, maar dat doet niet af aan de ernst van de feiten. [naam] is aangemerkt als verdachte en een vervolgingsbeslissing moet nog worden genomen. De korpschef handhaaft de vijf punten die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit.
Toegang tot de erkenningsruimte zonder toezichthoudend personeel?
5. Ten eerste heeft de korpschef aan de intrekking ten grondslag gelegd dat de bedrijfsruimtes vrijelijk toegankelijk zijn. Tijdens de controle is dit geconstateerd. De aanwezigheid van de erkenninghouder ergens op het bedrijf is niet voldoende, tenzij er ander toezichthoudend personeel aanwezig was in de erkenningsruimte. Maar verzoeker heeft geen personeel en de erkenning ziet niet op de echtgenote. In het TCI-verbaal wordt bevestigd dat het openstaan van de bedrijfs- en bergruimte, zoals tijdens de controle was geconstateerd, geen eenmalig incident was. De informatie in het TCI-verbaal luidt als volgt: “
De kluis achter de toonbank en de deur van de wapenkamer staan regelmatig open. De klanten kunnen dan zelf wapens en munitie uit de wapenkamer pakken.” Uit de zienswijze blijkt dat verzoeker onder “directe aanwezigheid” verstaat “directe aanwezigheid op het schietsportcentrum” en niet, zoals is bedoeld, directe aanwezigheid in de betreffende ruimte.
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat ten tijde van de controle alle deuren openstonden, juist om een goede controle mogelijk te maken. Normaal gesproken is het niet zo, dat iedereen zomaar overal naar binnen kan lopen. Het schietsportcentrum is niet zo groot. De ruimtes waar het om gaat liggen dicht bij elkaar en als verzoeker in de ene ruimte is, heeft hij een goed (over)zicht op de andere ruimte(s).
7. Deze grond slaagt. Daarbij is het volgende van belang.
7.1.
Dat ten tijde van de integrale controle op 27 maart 2025 het gehele bedrijf voor de aanwezigen toegankelijk was, kan niet aan de intrekking ten grondslag worden gelegd. De situatie tijdens een dergelijke controle kan niet representatief worden geacht voor de reguliere gang van zaken.
7.2.
Nu de voorzieningenrechter geen kennis mag nemen van het TCI-verbaal, gaat de voorzieningenrechter uit van de inhoud, zoals deze is geciteerd in het bestreden besluit. Hierin staat inderdaad vermeld dat de deuren regelmatig open staan, maar niet dat de erkenninghouder dan niet aanwezig is. Over de discussie wat “directe aanwezigheid” betekent, zal de voorzieningenrechter onder punt 3 nader ingaan.
Handelingen verricht zonder Wecg-erkenning?
8. Ten tweede heeft de korpschef zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de echtgenote van de erkenninghouder werkzaamheden met kruit heeft verricht, terwijl zij daarvoor geen Wecg-erkenning heeft. Met de waarschuwing van 23 maart 2024 is verzoeker er al op gewezen dat een Wecg-erkenning hiervoor is vereist. Pas anderhalf jaar later, na de controle van 27 maart 2025, heeft verzoeker dit verzuim hersteld door alsnog de vereiste erkenning aan te vragen. Er kan dan ook onmogelijk worden gesproken van proactief handelen. Dat de erkenning op 6 augustus 2025 is verleend doet er niet aan af dat zij daarvóór handelingen met (bus)kruit heeft verricht, zonder de benodigde erkenning. Bovendien had bij nader inzien de Wecg-erkenning niet aan haar mogen worden verleend en deze zal zo spoedig mogelijk worden ingetrokken.
9. Verzoeker heeft aangevoerd dat aan het feit dat een Wecg-erkenning is verleend, verzoeker het vertrouwen mocht ontlenen dat volgens de korpschef voldoende is gereageerd op deze overtreding. Aan het verlenen van een Wecg-erkenning gaat namelijk een uitgebreide screening vooraf.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef dit punt niet aan de intrekking ten grondslag mocht leggen, maar kan ook begrijpen dat de korpschef dit punt benoemt in het bestreden besluit. Deze grond slaagt dus deels. Daarbij is het volgende van belang.
10.1.
De voorzieningenrechter ziet niet in, waarom verzoeker niet onmiddellijk na de controle door ILT op 14 maart 2024 is overgegaan tot actie om de vereiste Wecg-erkenning aan te vragen. Verzoeker heeft daarvoor geen reden naar voren gebracht. Pas na de controle van 27 maart 2025 heeft hij een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Dit had verzoeker veel eerder moeten doen. De handelwijze van verzoeker getuigt daarmee niet van stipte naleving van de regels. Dat mag als erkenninghouder wel van verzoeker worden verwacht. In zoverre begrijpt de voorzieningenrechter dat de korpschef het wel belangrijk vindt om dit punt te benoemen.
10.2.
Maar omdat verzoeker dit punt ten tijde van het bestreden besluit heeft hersteld, kan de korpschef dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Nu de erkenning op 6 augustus 2025 is verleend, mocht verzoeker er inderdaad vanuit gaan dat hieraan een controle is voorafgegaan. Dat tot intrekking van de Wecg-erkenning zal worden overgaan, zoals de korpschef aankondigt in het bestreden besluit, kan eventueel worden betrokken bij de nog te nemen beslissing op het administratieve beroep. In deze fase van de procedure vindt de voorzieningenrechter het te voorbarig om daarop vooruit te lopen. In zoverre slaagt de grond van verzoeker.
Wapens en munitie overgedragen aan onbevoegden?
11. Ten derde heeft de korpschef aan de intrekking ten grondslag gelegd dat verzoeker wapens en munitie overdraagt aan onbevoegden. Tijdens de controle van 27 maart 2025 is op meerdere momenten gebleken dat verzoeker personen op de schietbaan laat schieten met wapens en munitie uit de handelsvoorraad, terwijl deze personen niet gerechtigd zijn om die betreffende wapens en munitie voorhanden te hebben. De erkenninghouder was daarbij niet aanwezig, wat wel is vereist. De aanwezigheid op het schietsportcentrum is onvoldoende en ook cameratoezicht is onvoldoende. Het gaat om direct toezicht. Verzoeker houdt zich niet aan de voorwaarden, genoemd in paragraaf 2.3 onder 3 van de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Zonder directe aanwezigheid van de erkenninghouder of een schietinstructeur is sprake van ongeoorloofd overdragen. Dit is niet alleen vastgesteld tijdens de controle, maar blijkt ook uit het TCI-verbaal. Daarnaast heeft de korpschef op 10 december 2024 en op 27 februari 2025 vastgesteld dat verzoeker wapens uit de handelsvoorraad ter beschikking had gesteld aan de betreffende sportschutter. Dit kwam naar voren tijdens de verlofaanvragen van de betreffende personen.
12. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in de interpretatie van de korpschef over het begrip “ter beschikking stellen” uit artikel 9 van Pro de Wwm en van “overdragen” uit artikel 31 van Pro de Wwm. In de zienswijze heeft verzoeker toegelicht dat hij zijn bedrijfsvoering zo heeft ingericht dat personen die aan de aangesloten verenigingen een Verklaring Omtrent Gedrag hebben overgelegd en door de verenigingsfunctionarissen als voldoende geïnstrueerd bevonden zijn, gedurende de feitelijke leiding en directe aanwezigheid van de erkenninghouder op het schietsportcentrum, een wapen uit de handelsvoorraad kunnen gebruiken. Hiermee stelt de erkenninghouder de wapens ter beschikking, maar draagt ze niet over. Over de uitleg van deze begrippen loopt momenteel een zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Pas als de uitkomst van die zaak duidelijk is kan worden vastgesteld wat de juiste interpretatie is. Dit kan dan worden betrokken bij de nog te nemen beslissing op het administratief beroep. Verzoeker voldoet aan de regels. Het schietsportcentrum bestaat weliswaar uit meerdere ruimtes, maar heel groot is het niet en de ruimtes liggen dicht bij elkaar. Verzoeker houdt op die manier voldoende toezicht.
13. Deze grond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
13.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de uitleg zoals verzoeker die voorstaat te volgen. Onder “overdragen” wordt verstaan het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht. [3] Onder overdragen valt ook het tijdelijk afstaan aan een ander. Zolang het schieten met verenigingswapens en binnen schietsportcentra gebeurt onder het direct toezicht van een daartoe bevoegd persoon, is er geen sprake van overdragen in de zin van de Wwm. Hiervoor zijn in de Circulaire duidelijke regels opgenomen [4] , onder meer dat het vuurwapen pas op het schietpunt van de schietbaan door de beheerder of door een van zijn schietinstructeurs aan de schutter mag worden afgegeven en dat de beheerder of de betrokken schietinstructeur tijdens het schieten bij de schutter blijft op het schietpunt. Dat de voordeur altijd op slot is, dat het schietsportcentrum klein en overzichtelijk is en dat de erkenninghouder altijd in de buurt is, is iets anders dan het bij de schutter blijven op het schietpunt. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat verzoeker niet (altijd) aan deze voorwaarde voldoet.
13.2.
Dat het gebruik van wapens uit de handelsvoorraad alleen onder de strikte voorwaarden geschiedt, zoals toegelicht in de zienswijze, maakt het oordeel over de uitleg van de wettelijke begrippen overdragen en ter beschikking stellen niet anders. Ook niet dat deze handelwijze wordt toegepast ten aanzien van schietverenigingen en personen die al over een wapenverlof beschikken. Dat er samenhangend bezien een algeheel stelsel is van direct toezicht binnen het schietsportcentrum is een omstandigheid die de voorzieningenrechter hierna bij de belangenafweging zal betrekken.
Registratieplicht voor het slachtapparaat en loop van vuurwapen?
14. Met verwijzing naar het proces-verbaal van 1 oktober 2025 stelt de korpschef zich op het standpunt dat het slachtapparaat moet worden aangemerkt als een toestel voor beroepsdoeleinden dat geschikt is om projectielen af te schieten en tevens als vuurwapen. Daarom had verzoeker het slachtapparaat moeten opnemen in het register, als bedoeld in artikel 12 van Pro de Rwm. Ook de loop van het vuurwapen had verzoeker moeten opnemen in het register. Dat de loop niet meer verkoopbaar is en al lang in de vernietigingsbak lag, maakt niet dat de loop op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als “voor de handel bestemd” en dat daarmee de registerplicht niet van toepassing is.
15. Verzoeker heeft aangevoerd dat nog niet alle feiten op tafel liggen om te kunnen concluderen dat de politie rechtmatig optreedt tegen verzoeker. Op 9 juni 2026 dient een raadkamerzitting waarin de rechtmatigheid van de inbeslagname door de politie van het slachtapparaat en de loop zal worden beoordeeld. Volgens verzoeker heeft het slachtapparaat geen mogelijkheid om een projectiel te verschieten. Het gaat om een toestel met een pen. Omdat een tegenonderzoek niet wordt toegestaan, kan de gemachtigde van verzoeker deze stelling niet onderbouwen. Over de loop heeft verzoeker naar voren gebracht dat de regelgeving een enorm grijs gebied laat over de manier waarop het voorwerp geregistreerd had kunnen en moeten worden. Als het al een overtreding is van de regelgeving, dan is het geen evidente overtreding.
16. Deze grond slaagt deels. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
16.1.
De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat verzoeker met het slachtapparaat de Wwm heeft overtreden. In het proces-verbaal staat dat er twee soorten slachtapparaten zijn en mede met verwijzing naar de beantwoording van Kamervragen op 28 oktober 2007, komt de verbalisant tot de conclusie dat het aangetroffen slachtapparaat geregistreerd had moeten worden. De gemachtigde van verzoeker heeft meerdere keren verzocht om het slachtapparaat te mogen onderzoeken, om zo zijn eigen deskundige mening te vormen over het slachtapparaat, maar dat is geweigerd. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom die gelegenheid niet is geboden.
16.2.
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat in administratief beroep alsnog de gelegenheid wordt geboden om het slachtapparaat te onderzoeken. Dat geldt ook voor de loop. Hoewel de voorzieningenrechter over de registratieplicht van de loop op dit moment geen twijfels heeft, zal dit in administratief beroep verder onderzocht kunnen worden.
Voldoet verzoeker aan de registerplicht?
17. Ten slotte heeft de korpschef aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoeker niet heeft voldaan en ook op dit moment niet voldoet aan de registerplicht. Tijdens de controle van 27 maart 2025 kon verzoeker alleen de registers over januari en februari 2025 laten zien. Geen inzage kon worden gegeven in de registers over 2024 en afgesproken was dat verzoeker deze alsnog zou aanleveren. Pas in december 2025 leverde verzoeker deze registers aan, op papier, terwijl dit elektronisch aangeleverd moet worden. Verzoeker is er meerdere keren op gewezen dat hij de registraties maandelijks en via de elektronische weg moet inleveren.
18. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij maandelijks naar het politiebureau kwam om de registers aan te leveren. Hij voldeed dus wel degelijk aan de registratieverplichting. Sinds kort heeft verzoeker de mogelijkheid om het digitaal door te geven. Dat dit allemaal moeizaam gaat, komt vooral door de korpschef zelf. Hij heeft zijn digitale systeem niet goed op orde. Het mailadres dat ter zitting door de gemachtigde van de korpschef werd genoemd, bestaat niet, is althans niet algemeen bekend gemaakt.
19. Deze grond slaagt deels. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de korpschef dit punt niet aan de intrekking ten grondslag mocht leggen. Daarbij is het volgende van belang.
19.1.
Niet in geschil is dat – behoudens het slachtapparaat en de loop – de korpschef geen onregelmatigheden heeft geconstateerd in de door verzoeker aangeleverde registers. Verder heeft verzoeker onweersproken gesteld dat hij maandelijks een papieren exemplaar op het politiebureau inleverde. Maar hiermee voldeed verzoeker niet aan de Rwm, omdat hij dit niet via de elektronische weg deed. [5] Aan het betoog van verzoekers gemachtigde ter zitting dat de regelgeving ruimte laat voor een andere interpretatie, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat op verzoeker de verplichting rust om de registraties elektronisch aan te leveren. Maar de korpschef heeft ter zitting onvoldoende duidelijk kunnen maken op welke manier verzoeker dit had moeten doen. In administratief beroep kan dit zonodig nog verder worden onderzocht.
19.2.
Ter zitting is voor de voorzieningenrechter ook voldoende komen vast te staan dat verzoeker inmiddels zijn systeem zodanig heeft ingericht, dat hij de registers ook digitaal kan aanleveren. Hiermee heeft verzoeker dit punt hersteld.
Mocht de korpschef de erkenning intrekken?
20. Uit voorgaande overwegingen volgt dat de korpschef de punten 1, 2 en 5 niet aan de intrekking ten grondslag mocht leggen en voor wat betreft punt 4 staat dit nog onvoldoende vast. Punt 3 blijft dus overeind, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat de intrekking van de erkenning en de afwijzing van de verlengingsaanvraag een te zware maatregel is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
20.1.
De korpschef heeft meerdere keren geconstateerd dat verzoeker niet stipt de regels naleeft voor wat betreft het overdragen en ter beschikking stellen van vuurwapens. De korpschef heeft dit al op 10 december 2024, op 27 februari 2025 en daarna tijdens de controle op 27 maart 2025 vastgesteld. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij zijn bedrijfsvoering altijd al op deze manier heeft ingericht. Samenhangend bezien is er een algeheel stelsel van direct toezicht binnen het schietsportcentrum. De politie weet dit en verzoeker heeft hierover nooit opmerkingen gehad. Of deze stellingen van verzoeker kloppen, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen, maar er zijn in elk geval geen stukken waaruit blijkt dat de politie eerder waarschuwingen heeft gegeven aan verzoeker over zijn bedrijfsvoering. Het rauwelijks, zonder waarschuwing of zonder het stellen van nadere voorwaarden aan verzoeker, de erkenning in te trekken en de verlengingsaanvraag af te wijzen, acht de voorzieningenrechter niet proportioneel.
20.2.
Daarbij komt dat sprake is van een zeer groot tijdsverloop. Pas meer dan één jaar na de controle heeft de korpschef het bestreden besluit genomen, zonder daarbij acht te slaan op de actuele situatie. Dat de korpschef in de tussentijd een anonieme brief heeft ontvangen over de gang van zaken op het schietsportcentrum is onvoldoende zwaarwegend. De korpschef heeft nadien zelf geen nadere controle verricht. In het bestreden besluit heeft de korpschef een belangenafweging gemaakt en daarbij doorslaggevend belang gehecht aan de ernst van de overtredingen. De korpschef heeft daarbij zwaar laten meewegen dat verzoeker blijkens de zienswijze geen inzicht heeft in zijn gedrag. Het tijdsverloop legt de korpschef juist ten nadele van verzoeker uit, omdat hij de tijd niet heeft gebruikt om verbetering te laten zien.
20.3.
Het moet de korpschef inderdaad worden toegegeven dat verzoeker zijn manier van bedrijfsvoering niet heeft aangepast naar aanleiding van het voornemen. Verzoeker heeft nog steeds geen schietinstructeurs in dienst, er is maar één erkenninghouder en hij houdt vast aan een andere uitleg van de Wwm, terwijl hij daarin ook andere keuzes had kunnen maken. Daar staat tegenover dat er meerdere punten zijn, waar verzoeker juist wél verbetering heeft laten zien.
20.4.
In administratief beroep zullen bepaalde aspecten nog nader onderzocht en onderbouwd kunnen worden. Bij de huidige stand van zaken komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat naar verwachting niet alle punten die de korpschef ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking, standhouden in administratief beroep. Daarbij opgeteld het tijdverloop en dat niet is gebleken van eerdere waarschuwingen door de politie, acht de voorzieningenrechter de intrekking niet evenredig. De voorzieningenrechter betrekt daarbij mede het bepaalde in paragraaf 9.4 van de Circulaire.

Conclusie en gevolgen

21. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de voorziening, die zij met de uitspraak van 22 mei 2026 heeft getroffen, op te heffen. Wel zal de voorzieningenrechter de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening wijzigen, in die zin dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep. Daarbij treft de voorzieningenrechter de voorziening dat de werking van de erkenning wordt verlengd tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep.
22. De voorzieningenrechter wijst partijen erop dat deze uitspraak er niet aan in de weg staat dat de korpschef het schietsportcentrum controleert op de naleving van de Wwm. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan kan de korpschef verzoeken om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening. [6]
Proceskosten
23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek heeft toegewezen, moet de korpschef het griffierecht aan verzoeker vergoeden en de proceskosten. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Deze vergoeding bedraagt in totaal dus € 1.868,-. Daarnaast heeft verzoeker om reiskosten verzocht. Deze worden vergoed tot een bedrag van € 5,78. [7] Verzoeker heeft verder om verletkosten verzocht. Verzoeker heeft enkel gesteld deze kosten te hebben gemaakt, maar niet onderbouwd met of voorzien van ondersteunende bewijsstukken. Reeds daarom kent de voorzieningenrechter hiervoor geen vergoeding toe.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijzigt de bij uitspraak van 22 mei 2026 getroffen voorlopige voorziening;
  • schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep;
  • bepaalt dat de werking van de erkenning wordt verlengd tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep;
  • bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 397,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.873,78,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J.M. van Rijt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
De griffier is niet in staat
de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van Team criminele inlichtingen (CIE-verbaal) en de anonieme brief, ontvangen op 13 maart 2026.
2.De rechter die deze beslissing heeft genomen is niet de voorzieningenrechter.
3.Dit staat in artikel 1, aanhef en onder 11, van de Wwm.
4.Bijzonder deel (B) paragraaf 2.3 Schietcentra van de Circulaire.
5.Dit staat in artikel 12, negende lid, van de Rwm.
6.Dit staat in artikel 8:87 van Pro de Awb.
7.Dit is het tarief voor de reiskosten openbaar vervoer, laagste klasse, retour.