ECLI:NL:RBLIM:2026:5534

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/03/351932 / KG ZA 26-161
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 111 lid 2 RvArt. 6:119 BWArtikel 4 sub d Richtlijn 2014/24/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt juiste meervoudig onderhandse aanbesteding voor coördinatie Kerstmarkt Valkenburg

De gemeente Valkenburg aan de Geul organiseerde een meervoudig onderhandse aanbesteding voor de coördinatie van de Kerstmarkt in de Gemeentegrot voor de jaren 2026, 2027 en optioneel 2028. TPC en Trichter schreven in, waarbij Trichter als economisch meest voordelige inschrijver werd voorgesteld. TPC startte een kort geding tegen de gemeente om de gunningsbeslissing aan Trichter aan te vechten en een Europese aanbesteding af te dwingen.

De rechtbank oordeelde dat TPC haar bezwaar over de aanbestedingsprocedure niet tijdig had ingebracht, waardoor sprake was van rechtsverwerking. Daarnaast werd geoordeeld dat de opdracht terecht was gekwalificeerd als een sociale en andere specifieke dienst (SAS-dienst) met een drempelbedrag van €750.000, waardoor geen Europese aanbesteding verplicht was. De stelling van TPC dat er sprake zou zijn van een grensoverschrijdend belang werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen van TPC af en verklaarde Trichter als tussenkomende partij toegelaten. TPC werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de gemeente als Trichter. De uitspraak bevestigt dat de gemeente de juiste procedure heeft gevolgd en dat de opdracht niet Europees aanbesteed hoefde te worden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van TPC af en bevestigt dat de gemeente de juiste aanbestedingsprocedure heeft gevolgd door meervoudig onderhands aan te besteden.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351932 / KG ZA 26-161
Vonnis in kort geding van 8 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
THE PEPR COMPANY BV,
gevestigd te Maastricht,
eiseres,
hierna te noemen: TPC,
advocaat: mr. M.C.G. Nijssen,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL,
zetelend te Valkenburg aan de Geul,
gedaagde,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. J. van Beers en mr. A.R.S.P. Lachmansingh,
waarin is tussengekomen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TRICHTER B.V.
gevestigd te Maastricht,
tussenkomende partij,
hierna te noemen: Trichter,
mr. E.F.M. van Loo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met de producties 0 tot en met 10,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Trichter,
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 8,
- de brief van mr. Nijssen van 26 mei 2026,
- de brief van mr. Van Beers en mr. Lachmansingh van 26 mei 2026,
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026,
- de spreekaantekeningen van TPC,
- de spreekaantekeningen van de gemeente,
- de spreekaantekeningen van Trichter.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De gemeente heeft een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure georganiseerd voor “het coördineren van de uitvoering Kerstmarkt Gemeentegrot in en voor de gemeente Valkenburg aan de Geul” voor de edities 2026 en 2027. De overeenkomst kan eenmaal op wens van de gemeente verlengd worden voor de editie 2028 (hierna: de opdracht).
2.2.
De opdracht wordt gegund aan de economisch meest voordelige inschrijver op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding.
2.3.
De gemeente heeft vijf partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de procedure. Twee partijen, TPC en Trichter, hebben op de aanbesteding ingeschreven. Bij brief van
21 april 2026 heeft de gemeente TPC geïnformeerd over de voorlopige gunningsbeslissing. Deze houdt in dat de gemeente voornemens is om de aanbesteding te gunnen aan Trichter en dat TPC in de rangorde als tweede is geëindigd.
2.4.
Op het onderdeel prijs hebben TPC en Trichter beiden het maximum aantal van 20 punten gescoord, omdat de inschrijfprijs van TPC en Trichter exact hetzelfde was. Op het onderdeel kwaliteit heeft TPC 0,87 punt (op een totaal aantal van 80 punten) lager gescoord dan Trichter.
2.5.
TPC heeft bij dagvaarding van 1 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om aan Trichter te gunnen door deze kort geding procedure aanhangig te maken.

3.Vorderingen

De vorderingen van TPC
3.1.
TPC vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de gemeente veroordeelt de voorgenomen gunningsbeslissing van 21 april 2026 aan Trichter in te trekken en ingetrokken te houden;
de gemeente verbiedt uitvoering te geven aan de voorgenomen gunningsbeslissing van 21 april 2026 aan Trichter;
de gemeente gebiedt de meervoudige onderhandse aanbesteding “Coördinatie Kerstmarkt 2026, 2027 (2028)” definitief te staken en gestaakt te houden;
e gemeente gebiedt een Europese aanbesteding te houden, voor zover de gemeente een opdracht in de markt wil zetten ter uitvoering van de “Coördinatie Kerstmarkt 2026, 2027 (2028)”;
en beslissing neemt die recht doet aan de belangen van TPC;
de gemeente veroordeelt in de proceskosten van TPC.
3.2.
De gemeente en Trichter voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De vorderingen van Trichter
3.4.
Trichter vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In het incident:
a. Trichter (primair) toelaat als tussenkomende partij in het kort geding tussen TPC en de gemeente, althans (subsidiair) als voegende partij aan de zijde van de gemeente,
In de hoofdzaak:
TPC in hoofdzaak niet ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel deze afwijst;
de gemeente gebiedt de opdracht definitief te gunnen aan Trichter voor zover zij de opdracht onverminderd in de markt wenst te zetten, althans (subsidiair) de gemeente een andere maatregel oplegt die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Trichter,
In zowel het incident als in de hoofdzaak:
a. TPC veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, daaronder begrepen (een tegemoetkoming in) de kosten van rechtsbijstand van Trichter, en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.5.
TPC en de gemeente voeren geen verweer tegen de vordering in het incident tot tussenkomst van Trichter. TPC voert verweer tegen de vorderingen van Trichter in de hoofdzaak. De gemeente voert geen verweer tegen de vorderingen van Trichter in de hoofdzaak.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In het incident
4.1.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op het incident tot tussenkomst positief beslist, omdat de vordering voldoet aan de eis gesteld in artikel 217 Rv Pro en de gemeente en TPC geen bezwaren hebben geuit.
In de hoofdzaak
Spoedeisendheid
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak.
Kern van het geschil
4.3.
Partijen verschillen van mening of de gemeente de juiste aanbestedingsprocedure heeft gevolgd door de opdracht meervoudig onderhands aan te besteden, en meer in het bijzonder of de opdracht gelet op de waarde daarvan Europees had moeten worden aanbesteed.
Is er sprake van rechtsverwerking?
4.4.
De gemeente en Trichter stellen dat TPC haar recht heeft verwerkt om zich te beroepen op het argument dat de verkeerde aanbestedingsprocedure is gevolgd, nu zij dit bezwaar niet voorafgaand aan haar inschrijving naar voren heeft gebracht, terwijl zij toen bekend was met de gekozen aanbestedingsprocedure.
4.5.
Als uitgangspunt geldt dat een adequaat inschrijver zijn bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium tegenover de aanbestedende dienst aan de orde dient te stellen, zodat eventuele onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure kunnen worden gecorrigeerd met zo weinig mogelijk gevolgen voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. De gemeente heeft deze vereiste proactieve houding van de inschrijver ook tot uitdrukking gebracht in de opgenomen rechtsverwerkingsclausule in de offerteaanvraag [1] . Van TPC kon derhalve worden verwacht dat zij de gemeente vóór haar inschrijving van dit voor haar bekende bezwaar op de hoogte zou stellen en dat heeft zij niet gedaan.
4.6.
De stelling van TPC dat het beroep op rechtsverwerking in de onderhavige procedure gelet op het uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland [2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan niet worden onderschreven. In die uitspraak werd geconcludeerd dat het aannemelijk was dat niet de juiste aanbestedingsprocedure gevolgd was en dat de opdracht Europees aanbesteed had moeten worden. Uit het hiernavolgende zal blijken dat aannemelijk is dat de gemeente in de onderhavige zaak de juiste aanbestedingsprocedure heeft gevolgd en de opdracht niet Europees hoefde aan te besteden. Er is derhalve in deze zaak geen sprake van een fundamenteel gebrek op grond waarvan de rechtsverwerkingsclausule in de offerteaanvraag buiten toepassing dient te worden verklaard.
Is er sprake van een SAS-dienst?
4.7.
TPC stelt dat de gemeente ten onrechte de opdracht gekwalificeerd heeft met de CPV-code 79952100-3 “diensten voor
het organiserenvan culturele evenementen” als bedoeld in bijlage XIV van de Richtlijn 2014/24/EU en daardoor onterecht heeft aangemerkt als een overheidsopdracht voor sociale en andere specifieke diensten (hierna: SAS-diensten) waarvoor een drempelbedrag van € 750.000,00 [3] geldt. Dit drempelbedrag wordt volgens de gemeente niet overschreden. TPC voert aan dat de opdracht enkel ziet op het coördineren van de Kerstmarkt in de gemeentegrot en dat de organisatie daarvan voor rekening blijft van de gemeente. TPC stelt dat voor de opdracht het Europees drempelbedrag van € 216.00,00 (exclusief btw) voor de levering van diensten van een decentrale overheid geldt en dat dit drempelbedrag, gelet op de totale waarde van de opdracht ter hoogte van € 495.000,00 exclusief btw, wordt overschreden. De opdracht had om die reden volgens TPC Europees moeten worden aanbesteed.
4.8.
De voorzieningenrechter volgt TPC niet in haar betoog dat het organiseren en het coördineren van de Kerstmarkt strikt van elkaar kan worden gescheiden. De organisatie en de coördinatie van de Kerstmarkt hangen zodanig samen dat zij in de praktijk hand in hand gaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de offerteaanvraag van de opdracht, waarin staat vermeld:
“De gemeente wenst ambtelijk zoveel mogelijk ontzorgd te worden in de organisatie en coördinatie van de markt (…).” [4] en
“De Opdrachtnemer wordt verantwoordelijk voor het jaarlijks coördineren van de uitvoering en organisatie van de kerstmarkt.” [5] Daarbij heeft de gemeente tijdens de mondelinge behandeling terecht erop gewezen dat uit de offerteaanvraag volgt dat van de aanvrager als kerncompetentie wordt vereist dat deze “ervaring met
het organiserenvan een evenement met standplaatsen” [6] heeft en bovendien betreft
de organisatievan de Kerstmarkt één van de subgunningscriteria met de hoogste weging (30%). [7] Hieruit blijkt dat uit de aanbestedingsstukken volgt dat de opdracht óók de organisatie van de Kerstmarkt omvat. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat de opdracht met de juiste CPV-code is gekwalificeerd en als een SAS-dienst kan worden aangemerkt.
Is er sprake van een grensoverschrijdend belang?
4.9.
TPC heeft, voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat de opdracht een SAS-dienst betreft, voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de gemeente de vraag of sprake is van een grensoverschrijdend belang had dienen te onderzoeken. Volgens TPC kan er sprake zijn van een grensoverschrijdend belang, omdat de plaats van uitvoering van de opdracht zich in de grensregio bevindt en de Kerstmarkt veel bezoekers van andere lidstaten aantrekt. Op het moment dat sprake is van een grensoverschrijdend belang, had de opdracht volgens TPC Europees moeten worden aanbesteed.
4.10.
Trichter acht de nieuwe stelling van TPC dat er sprake is van een grensoverschrijdend belang, in strijd met de goede procesorde, omdat deze stelling pas tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd. Trichter verwijst naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 12 februari 2026 [8] , waarin werd geoordeeld dat de nieuwe grondslag al eerder aangevoerd had kunnen worden en om die reden buiten beschouwing werd gelaten. Daarnaast voert Trichter aan dat de nieuwe grondslag niet aansluit bij de vorderingen. Zelfs als er sprake zou zijn van een grensoverschrijdend belang, hetgeen wordt betwist, kan dit niet leiden tot een Europese aanbesteding van de opdracht. Het kan alleen leiden tot een meervoudig onderhandse aanbesteding waaraan een passende mate van openbaarheid c.q. bekendheid zal moeten worden gegeven, aldus Trichter. De gemeente deelt dit standpunt.
4.11.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had TPC de stelling dat er sprake is van een grensoverschrijdend belang reeds in de dagvaarding naar voren moeten brengen. Dit vereiste volgt uit artikel 111 lid 2 aanhef Pro onder d Rv. Wat er ook verder van zij, in het hiernavolgende zal blijken dat het betoog van TPC niet wordt gevolgd.
4.12.
De gemeente heeft aangevoerd dat uit de aanbestedingsdocumenten blijkt dat de opdracht naar aard en inhoud een uitgesproken lokale verankering heeft die de kring van potentiële buiten Nederland gevestigde gegadigden in belangrijke mate beperkt. [9] Meer specifiek wijst de gemeente erop dat de communicatie in het kader van de opdracht in het Nederlands moet plaatsvinden [10] , de medewerkers van de opdrachtnemer de Nederlandse taal moeten beheersen [11] en de opdrachtnemer aantoonbaar gebruik moet maken van lokale initiatieven, leveranciers en organisaties [12] . Daarbij heeft de gemeente opgemerkt dat de bovengrondse Kerstmarkt Europees is aanbesteed en zich geen geïnteresseerde ondernemingen van andere lidstaten hebben gemeld en dat dit in voorgaande jaren ook niet het geval is geweest.
4.13.
De partij die zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een grensoverschrijdend belang – in dit geval TPC – zal aan de hand van concrete aanwijzingen dienen te stellen en aannemelijk te maken dan wel te bewijzen dat hiervan sprake is. De stelling van TPC dat de uitvoering van de opdracht gelegen is in een grensregio is daartoe onvoldoende. Het louter verwijzen naar de plaats van de uitvoering van de opdracht, zonder uiteen te zetten waarom ondernemingen uit andere lidstaten geïnteresseerd kunnen zijn in deze specifieke opdracht, biedt onvoldoende grond om een dergelijk belang aan te nemen. [13] Uit de stelling van TPC dat enkele buitenlandse standhouders deelnemen aan de Kerstmarkt in de Gemeentegrot, blijkt evenmin dat ondernemingen uit andere lidstaten interesse hebben om deel te nemen aan de opdracht. De gemeente heeft gemotiveerd onderbouwd [14] dat het voor ondernemingen van andere lidstaten minder aantrekkelijk is om op de opdracht in te schrijven. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de gemeente heeft TPC onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een grensoverschrijdend belang.
4.14.
De voorzieningenrechter concludeert op grond van al het voorgaande dat het aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat de gemeente door de opdracht meervoudig onderhands aan te besteden de juiste aanbestedingsprocedure heeft gevolgd. De vorderingen van TPC zullen om die reden worden afgewezen.
Het gevorderde van Trichter
4.15.
Nu de gemeente voornemens is de opdracht definitief te gunnen aan Trichter, brengt voormelde beslissing mee dat Trichter geen belang (meer) heeft bij toewijzing van het door haar gevorderde, zodat dit zal worden afgewezen.
4.16.
Ondanks de afwijzing van de vordering van Trichter moet TPC in haar verhouding tot Trichter worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Trichter was immers te voorkomen dat de vorderingen van TPC worden toegewezen en dat doel is bereikt. TPC zal daarom ook worden veroordeeld in de proceskosten van Trichter.
Proceskosten in het incident
4.17.
Omdat TPC en de gemeente geen bezwaar hadden tegen de vordering tot tussenkomst zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Proceskosten in de hoofdzaak
4.18.
TPC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de gemeente en Trichter.
4.19.
De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.20.
De proceskosten van Trichter worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.21.
De wettelijke rente over de proceskosten, zoals verzocht respectievelijk gevorderd door de gemeente en Trichter, wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in het incident
5.1.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
5.3.
wijst de vorderingen van TPC en Trichter af,
5.4.
veroordeelt TPC in de proceskosten van de gemeente ten bedrage van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als TPC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt TPC in de proceskosten van Trichter ten bedrage van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als TPC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt TPC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de aan de gemeente en Trichter verschuldigde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart de veroordelingen in 5.4. tot en met 5.6. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
8 juni 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 bij dagvaarding, pagina 4.
3.Artikel 4 sub d Richtlijn Pro 2014/24/EU.
4.Productie 2 bij dagvaarding, pagina 5.
5.Productie 2 bij dagvaarding, pagina 6.
6.Productie 2 bij dagvaarding, pagina 16.
7.Productie 2 bij dagvaarding, pagina’s 19 en 21.
9.Randnummer 3.10 van de spreekaantekeningen van de gemeente.
10.Paragraaf 3.9 sub c van productie 2 bij dagvaarding.
11.Nummer 38 Programma van eisen, productie 5 van de conclusie van antwoord.
12.Nummer 36 Programma van eisen, productie 5 van de conclusie van antwoord.
13.HvJEU 6 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:747 r.o. 21 en 22.
14.Zie rov. 4.12.