Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5435

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/973
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 13 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugsaanwezigheid

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Maastricht om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van harddrugs. De burgemeester baseerde het besluit op een bestuurlijke rapportage waarin op 27 februari 2026 drugs werden aangetroffen, waaronder XTC, hasj, cocaïne en versnijdingsmiddelen. Verzoeker betwist dat de drugs bestemd waren voor handel en stelt dat het om eigen gebruik ging.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de drugs voor eigen gebruik waren, mede vanwege de aanwezigheid van ponypacks en versnijdingsmiddelen die duiden op handel. Ook de nabijheid van een hennepkwekerij en andere aanwijzingen versterken dit oordeel. De burgemeester was daarom bevoegd om de woning te sluiten.

De rechter stelt dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om de woning aan het drugscircuit te onttrekken, mede gezien de kwetsbare omgeving en eerdere maatregelen in de wijk. De evenwichtigheid van de maatregel wordt bevestigd, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen tijdelijke woonruimte kan vinden.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de woning gesloten blijft in afwachting van de beslissing op bezwaar. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wegens drugsaanwezigheid wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/973

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Maastricht, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten),
en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, de burgemeester

(gemachtigden: R. Stassen en B. Kockelkorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 april 2026 heeft de burgemeester besloten om de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van drie maanden vanaf 30 april 2026 om 10:00 uur. Verzoeker heeft hiertegen op 29 april 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De burgemeester heeft verder op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is de huurder en bewoner van de woning. De burgemeester heeft op 9 maart 2026 een bestuurlijke rapportage ontvangen waaruit blijkt dat er op 27 februari 2026 drugs zijn aangetroffen in de woning. Het gaat om de volgende verdovende middelen en voorwerpen:
  • XTC (1,5 gram, 3 stuks netto) indicatief getest;
  • Hasj (1 gram bruto);
  • Cocaine (4,8 gram bruto) indicatief getest;
  • Lidokaine (53,2 gram bruto) indicatief getest;
  • Inositol (6,8 gram bruto) indicatief getest;
  • Ponypacks (envelopjes).
3.1.
De burgemeester heeft op 17 maart 2026 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van drie maanden aan verzoeker toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Naar aanleiding van de zienswijze van verzoeker heeft de burgemeester op 7 april 2026 aanvullende vragen gesteld, waarop op 13 april 2026 een antwoord is ontvangen. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om van het voornemen om tot sluiting over te gaan af te zien en heeft het bestreden besluit genomen.
Is er sprake van spoedeisend belang?
4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Gelet op het feit dat verzoeker de bewoner is van de woning en in het geval van sluiting daarvan, de woning zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Wat voert verzoeker aan?
5. Verzoeker voert kort gezegd aan dat er geen noodzaak is om de woning te sluiten omdat de woning geen deel uitmaakt van het criminele circuit. De aangetroffen drugs waren immers voor eigen gebruik. Ook is de aangetroffen cocaïne, in werkelijkheid geen cocaïne. Een indicatieve test geeft wel vaker een foutieve uitslag. De cocaïne is bovendien bruto gewogen, het betreft dan ook veel minder dan 4,8 gram, nu een seal al snel tussen de 0,5 en 0,7 gram weegt. Wat betreft de versnijdingsmiddelen stelt verzoeker dat hij de lidokaine ooit heeft gevonden en nooit heeft weggegooid en dat de inositol een voedingssupplement is. De ponypacks lagen er al lang en heeft verzoeker niet weggegooid. Er zijn verder geen andere aanwijzingen dat verzoeker daadwerkelijk zou handelen in verdovende middelen. De burgemeester neemt in zijn besluit mee dat voorafgaande aan de doorzoeking in verzoekers woning een doorzoeking heeft plaatsgevonden op een ander adres, waar een hennepplantage werd aangetroffen. Ook werd in de woning een doosje met medicijnen van verzoeker aangetroffen. De andere woning is eigendom van de zus van verzoeker, die de woning verhuurt aan een derde. Daarvoor heeft verzoeker in de woning gewoond, hij vermoedt dan ook dat het doosje met medicijnen daar is blijven liggen. Verzoeker heeft niets met deze plantage te maken. Er is geen noodzaak om de woning te sluiten nu er geen enkele concrete aanwijzing is dat er vanuit de woning van verzoeker gedeald werd. Dat verzoeker twee dozen met hennepstekken bij zijn ouders heeft neergezet is bovendien onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij een rol vervult binnen het criminele circuit. In het kader van de evenredigheid stelt verzoeker dat het om een geringe overtreding van de Opiumwet gaat. De sluiting is disproportioneel en staat in geen verhouding tot hetgeen is aangetroffen. Verzoeker staat onder bewind en heeft een schuldenlast van zeker € 30.000,-, hij ontvangt een bijstandsuitkering en krijgt leefgeld van € 70,- per week. Als verzoeker op zoek moet naar tijdelijke woonruimte is dat nagenoeg onmogelijk. De prijzen op de particuliere markt zijn gigantisch hoog en daar komt bij dat hij dan twee keer huur moet betalen. Verzoeker kan ook niet bij zijn ouders terecht omdat zij boos zijn vanwege de twee dozen hennepstekken, de woning ernaast is door de gemeente Meerssen gesloten, waardoor verzoeker ook daar niet terecht kan. Verzoeker merkt verder op dat hij een klein sociaal netwerk en weinig vrienden heeft. Personen wonen vaak samen en hij kan ook daar niet terecht. Kortom het besluit om te sluiten is disproportioneel als gekeken wordt naar de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. De zaak had bijvoorbeeld ook afgedaan kunnen worden op een andere wijze, zoals bijvoorbeeld een waarschuwing.
Wat is het toetsingskader?
6. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
7. De burgemeester heeft beleidsregels “Damoclesbeleid Lokalen en Woningen” voor de toepassing van deze bevoegdheid vastgesteld.
8. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 [1] en van 16 juli 2025 [2] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
9. Verzoeker betwist dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Hij stelt immers dat de aangetroffen drugs (de Xtc en hasj) voor eigen gebruik waren. De burgmeester is in beginsel bevoegd om een woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in de woning wordt aangetroffen, omdat dan wordt aangenomen dat de aangetroffen drugs in beginsel (mede) bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Bij harddrugs is sprake van een handelshoeveelheid bij meer dan 0,5 gram en bij softdrugs wanneer meer dan een 5 gram aanwezig is. Niet in geschil is dat de aangetroffen Xtc-pillen meer betreffen dan de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij een geringe overschrijding van de grens kan nog sprake zijn van een hoeveelheid voor eigen gebruik of althans een hoeveelheid die niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Verzoeker kan dit aannemelijk maken door een helder en consistent betoog over zijn eigen gebruik dat de overschrijding van de 0,5 gram, vanwege dat gebruik, aannemelijk maakt, er bovendien verder geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en wanneer niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden. In dat geval zal de burgemeester moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor de verkoop, aflevering verstrekking. [3]
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel geen sprake is van een grote overschrijding, verzoeker in ieder geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, in zijn woning aanwezig waren voor eigen gebruik. Verzoeker heeft dit slechts gesteld, met daarbij het verhaal dat hij een gebruiker is en verschillende drugs gebruikt, maar dat hij niet verslaafd is. Hiermee heeft hij niet uitgelegd waarom zijn gebruik de overschrijding van de 0,5 gram-grens rechtvaardigt en ook niet onderbouwd dat hij verschillende soorten drugs gebruikt. Bovendien zijn in de woning ponypacks en versnijdingsmiddelen aangetroffen: indicatoren voor drugshandel. Dat verzoeker de lidokaine ooit heeft gevonden en niet heeft weggegooid, vindt de voorzieningenrechter, zonder nadere toelichting, die verzoeker niet kon geven, geen aannemelijk verhaal. Hetzelfde geldt voor de verklaring dat de inositol een voedingssupplement is. Verzoeker heeft slechts gesteld dat hij dit gebruikt voor sporten, maar kan er verder niets over verklaren. Daar komt bij dat verzoeker heeft toegegeven dat twee dozen met henneptoppen die zijn aangetroffen in de woning van zijn ouders van hem zijn. Bovendien werd in de woning naast die van de ouders van verzoeker (die kennelijk van de zus van verzoeker is) een hennepkwekerij aangetroffen, tijdens de doorzoeking kwam verzoeker aangelopen bij het adres van zijn ouders, in de la op het adres van de hennepkwekerij werd een doosje met medicijnen op naam van verzoeker aangetroffen en bleek verzoeker een sleutel te hebben van de voordeur van de woning waarin de hennepkwekerij zich bevond. Deze bijkomende omstandigheden maken het, naar oordeel van de voorzieningenrechter, nog meer aannemelijk dat verzoeker betrokken is bij drugscriminaliteit en dat de aangetroffen verdovende middelen in verzoekers woning bestemd waren voor handel. Wat de aangetroffen cocaïne betreft overweegt de voorzieningenrechter dat de Afdeling in de uitspraak van 31 juli 2019 [4] heeft overwogen dat in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht, in het bestuursrecht kan gebruik worden gemaakt van een indicatieve test. In de bestuurlijke rapportage, die op ambtseed is opgemaakt, is bovendien opgenomen dat het poeder indicatief is getest op cocaïne. Verzoeker stelt wel dat de cocaïne geen cocaïne is, maar kan ook niet aangeven wat het dan wel zou zijn of hoe het er komt. Dat een indicatieve test vals positief kan zijn is zonder verdere uitleg naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om niet van de resultaten van de indicatieve test uit te gaan. De voorzieningenrechter is dan ook (voorlopig) van oordeel dat de burgemeester ervanuit mocht gaan dat sprake was van een handelshoeveelheid drugs in de woning, die bestemd was voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Daarom is de burgemeester ook bevoegd om de woning te sluiten.
Mocht de burgemeester gebruik maken van deze bevoegdheid?
Is het middel van woningsluiting geschikt?
11. De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen een geschikt middel is om de betreffende woning aan het drugscircuit te onttrekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar in deze zaak, gelet op het tijdsverloop, anders over te oordelen. Verzoeker heeft hiertoe ook niets aangevoerd.
Is het middel van woningsluiting noodzakelijk?
12. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten dan moet er ook een noodzaak bestaan om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [5]
13. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de burgemeester op goede gronden heeft besloten dat er in dit geval een noodzaak bestond om de woning te sluiten. Er is een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. Uitgangspunt is dan dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [6] Verder zijn er attributen aangetroffen- en indicatoren die duiden op drugshandel, zo zijn er ponypacks en versnijdingsmiddelen aangetroffen in de woning. De voorzieningenrechter acht de verklaringen van verzoeker voor de aanwezigheid van de versnijdingsmiddelen, niet voldoende om de aanwezigheid ervan niet te betrekken, de voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar wat is overwogen onder 10. De burgemeester heeft bovendien toegelicht dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving ligt. Zo is in de afgelopen vijf jaar, vijf keer eerder een maatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet opgelegd in de wijk en zijn in het afgelopen jaar 25 meldingen gemaakt inzake drugsoverlast. De burgemeester heeft ook een overzicht van de meldingen overgelegd. Daaruit blijkt dat de handel van de coffeeshop vlakbij zich volgens buurtbewoners verplaatst naar de straat van verzoeker en aanliggende straten. In één van de meldingen wordt aangegeven dat het in de straat van verzoeker een komen en gaan is van buitenlandse auto’s terwijl het een niet doorgaande weg is. In ieder geval blijkt duidelijk dat buurtbewoners vragen om op te treden tegen drugsoverlast. Door de woning te sluiten wordt een signaal afgegeven dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit, wordt de onrust in de buurt hersteld en de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen. De burgemeester heeft gelet hierop ook voldoende toegelicht waarom hij conform het Damoclesbeleid heeft besloten om de woning te sluiten en niet te volstaan met een waarschuwing, en de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is in dit geval.
Is de sluiting van de woning evenwichtig?
14. Als sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Daarbij gaat het erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting.
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de woning, gelet op de door verzoeker aangedragen omstandigheden en de door de burgemeester aangedragen doelen die met de sluiting zijn gediend, evenwichtig is. Daarbij is allereerst van belang dat verzoeker een verwijt treft. Hij is immers de bewoner van woning, waarin de handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Verzoeker heeft hiermee het risico aanvaard dat deze hoeveelheid zou worden ontdekt en tot een woningsluiting zou leiden. Bovendien is het vaste rechtspraak [7] dat het feit dat iemand zijn woning moet verlaten, een inherent gevolg is van de sluiting van de woning, en dat dit op zichzelf daarom geen bijzondere omstandigheid is die de sluiting van de woning onevenwichtig maakt. De voorzieningenrechter wil vooralsnog aannemen dat verzoeker onder bewind staat en dat het voor hem daarom financieel moeilijk is om een andere woning te huren. Maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat verzoeker geen tijdelijke woonruimte kan vinden. Niet is gebleken dat verzoeker zich voldoende heeft ingespannen om een woonruimte te vinden. Met de enkele stelling dat zijn ouders boos zijn en dat hij daarom niet bij hen terecht kan en dat hij een klein sociaal netwerk heeft, heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet tijdelijk bij iemand in zijn netwerk terecht kan. Verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het vinden van (andere) tijdelijke woonruimte.

Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester in afwachting van de beslissing op bezwaar de woning van verzoeker niet (meer) open hoeft te houden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, specifiek overweging 7.2.
4.ECLI:NL:RVS:2019:2625, onder 4.3.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:390.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472.