Uitspraak
1.[huurder 1] ,
2.
[huurder 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord en van eis in reconventie met producties 1 t/m 7,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
2.De feiten
3.Het geschil
- primair betaling van € 13.180,00 aan huurpenningen tot 1 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata, althans subsidiair betaling van € 13.180,00 aan contractuele boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025;
- primair betaling van de huurpenningen vanaf 1 januari 2026 tot en met 8 januari 2026, zijnde € 866,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026; althans subsidiair betaling van € 866,63 aan contractuele boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025;
- betaling van € 744,15 wegens afvoerkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2026;
- betaling van € 353,08 wegens energieverbruik, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2026;
- betaling van € 906,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- veroordeling van [huurders] in de proceskosten.
- betaling van € 3.954,00 aan 30% huurprijsvermindering over de periode juni tot en met september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025,
- terugbetaling van de borgsom van € 5.990,00, althans dat de borgsom wordt verrekend met een eventuele vordering van [verhuurder] en veroordeling van [verhuurder] tot terugbetaling van het restant;
- veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten;
- al het voorgaande te vermeerderen de wettelijke rente vanaf 9 december 2025.
4.De beoordeling
opeisbarevordering op [verhuurder] moeten hebben. Nu de huurprijsvermindering wordt vastgesteld door de kantonrechter of de huurcommissie, is die pas opeisbaar nadat een van die instanties op een vordering tot huurprijsvermindering uitspraak heeft gedaan. De vordering tot huurprijsvermindering is immers geen vordering tot schadevergoeding, maar tot gedeeltelijke ontbinding en wordt pas opeisbaar nadat die is uitgesproken. [10] Bovenstaande heeft tot gevolg dat [huurders] de huur over de maanden september en oktober 2025 hadden moeten betalen en die niet mochten opschorten.
€ 151,90 [11] toewijzen, omdat in het voorgaande is komen vast te staan dat de huurovereenkomst per 31 oktober 2025 is geëindigd, waardoor enkel de verbruikskosten over de maand oktober 2025 verschuldigd zijn.
- de ernst van de gebreken (thermostaat 67 dagen defect, lekkage 33 dagen);
- de cumulatie van gebreken (17+ gebreken tegelijk);
- de duur van de gebreken (meerdere gebreken na 67+ dagen nog niet verholpen);
- de woning bevindt zich in een hoger prijssegment.