ECLI:NL:RBLIM:2026:5155
Rechtbank Limburg
- Kort geding
- Kuster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot toegang tot pand wegens onvoldoende aannemelijkheid huurovereenkomst
Eiser vordert in kort geding dat Oz hem onmiddellijk toegang tot het pand verleent, omdat hij stelt dat hij een onderhuurder is van het pand en dat Oz als hoofdverhuurder gehouden is de onderhuurovereenkomst voort te zetten. De procedure volgt op een eerdere uitspraak waarin de kantonrechter oordeelde dat sprake was van een onderhuurovereenkomst.
Oz betwist de huurovereenkomst met de hoofdhuurder en stelt dat er een koopovereenkomst met uitgestelde levering was, die later is ontbonden. Oz heeft de koopovereenkomst, hypotheekakte en ontbindingsovereenkomst overgelegd ter onderbouwing. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er een huurovereenkomst bestond.
De kantonrechter oordeelt dat de stellingen van eiser onvoldoende aannemelijk zijn en dat de grondslag voor het beroep op voortzetting van de onderhuurovereenkomst wegvalt. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vorderingen van eiser tot toegang tot het pand worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de huurovereenkomst tussen Oz en de hoofdhuurder.