ECLI:NL:RBLIM:2026:2788

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
12137449 \ CV EXPL 26-1246
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 BWArt. 24 Verordening (EU) 1215/2012Art. 7 lid 2 Verordening (EU) 1215/2012Art. 4 lid 1 sub c Verordening (EG) 593/2008Art. 4 lid 1 Verordening (EG) 864/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot toegang tot zelfstandige huurwoning wegens beëindigde hoofdhuurovereenkomst

De huurder vorderde in kort geding onmiddellijke toegang tot een zelfstandige huurwoning en afgifte van zijn eigendommen nadat de verhuurder de sloten had veranderd en hem de toegang had ontzegd. De huurder stelde dat hij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd had en dat de verhuurder tekort was geschoten.

De verhuurder betwistte de duur van de huurovereenkomst en stelde dat hij zelf slechts onderhuurder was en dat de hoofdhuurovereenkomst inmiddels was beëindigd. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder als onderhuurovereenkomst moest worden beschouwd, en dat de hoofdhuurovereenkomst met de eigenaar was beëindigd.

Omdat de hoofdhuurovereenkomst was geëindigd, kon de huurder zijn vordering tot toegang tot het gehuurde niet richten tegen de onderverhuurder, maar alleen tegen de hoofdverhuurder. De vordering tot afgifte van eigendommen werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De vordering tot Europese executoriale titel werd eveneens afgewezen. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot toegang tot zelfstandige huurwoning en afgifte van eigendommen wordt afgewezen wegens beëindigde hoofdhuurovereenkomst en onjuiste gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12137449 \ CV EXPL 26-1246
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
[huurder],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. D.G.A. Rossi,
tegen
[verhuurder],
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de vrijwillige verschijning van [verhuurder]
- de op de mondelinge behandeling overgelegde producties van [verhuurder]
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[huurder] huurt sinds 1 juni 2025 van [verhuurder] de woning gelegen aan [adres] (hierna: het gehuurde).
2.2.
In de huurovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

Artikel 3 Duur Pro, verlenging en opzegging
3.1
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en gaat in 1. juni 2025”
2.3.
Op 26 februari 2026 waren de sloten van het gehuurde veranderd en kon [huurder] niet meer in het gehuurde.
3. Het geschil
3.1.
[huurder] vordert - samengevat - onmiddellijke toegang tot het gehuurde en een verbod om hem de toegang onmogelijk te maken, beide op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00. Verder vordert [huurder] afgifte van eigendommen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 en veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten. Tot slot vordert [huurder] het in deze te wijzen vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel.
3.2.
[huurder] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en dat [verhuurder] tekort schiet door hem geen toegang meer tot het gehuurde te verstrekken. Verder heeft [verhuurder] de eigendommen van [huurder] zonder zijn toestemming uit het gehuurde verwijderd waardoor [verhuurder] onrechtmatig jegens [huurder] heeft gehandeld en deze eigendommen aan [huurder] dient te retourneren.
3.3.
[verhuurder] voert verweer en betwist dat partijen een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten. [verhuurder] stelt dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat de huur slechts tijdelijk zou zijn. Bovendien stelt [verhuurder] dat hij zelf huurder van het gehuurde was en dat de hoofdhuurovereenkomst met de verhuurder inmiddels is beëindigd. Verder betwist [verhuurder] de aanwezigheid van de door [huurder] gestelde eigendommen in het gehuurde.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
Spoedeisend belang in kort geding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [huurder] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
[huurder] voert aan dat hij geen woonruimte heeft en tijdelijk bij een vriend logeert. Verder heeft hij niet de beschikking over zijn spullen, waaronder zijn rijbewijs. Daaruit is voldoende het spoedeisend belang van [huurder] gebleken.
Nederlandse rechter is bevoegd
4.3.
[verhuurder] is woonachtig in Duitsland. Daardoor heeft dit geschil een internationaal karakter. Omdat het geschil om de toegang tot een huurwoning gaat en het gehuurde in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen [1] . Ten aanzien van de vordering tot afgifte van de spullen, is bepalend dat het schade brengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan [2] .
Op het geschil is Nederlands recht van toepassing omdat het gehuurde in Nederland is gelegen [3] en omdat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan [4] .
Toegang tot het gehuurde
4.4.
[huurder] heeft een door beide partijen getekende huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in het geding gebracht [5] . Daartegenover stelt [verhuurder] dat deze huurovereenkomst alleen was opgemaakt, zodat [huurder] - na detentie - een inschrijfadres had en zijn uitkering kon krijgen/ behouden. Omdat [huurder] deze stelling heeft betwist en een verdere onderbouwing van [verhuurder] is uitgebleven, is [verhuurder] er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat partijen een andere afspraak hebben beoogd dan de afspraken die in de ondertekende huurovereenkomst staan opgenomen. Het gevolg is dat in dit geschil de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd als uitgangspunt zal worden genomen.
4.5.
Op grond van deze huurovereenkomst heeft [huurder] recht op toegang tot het gehuurde totdat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Van een rechtsgeldige beëindiging door [verhuurder] is geen sprake. Het verzoek om de woning te verlaten, is geen geldige opzegging. Het stond [verhuurder] dan ook niet vrij om [huurder] vanaf 26 februari 2026 de toegang tot het gehuurde te ontzeggen.
4.6.
[verhuurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zelf huurder was van het gehuurde en dat zijn verhuurder de huurovereenkomst met hem inmiddels heeft beëindigd. Daartoe heeft hij drie pagina’s overhandigd, waarbij de gemachtigde van [huurder] op de mondelinge behandeling gelegenheid is gegeven om deze door te nemen en op deze stukken te reageren.
4.7.
In de e-mail van 6 februari (2026 - toevoeging kantonrechter) van [persoon 1] gericht aan [verhuurder] staat onder meer het volgende:
“Graag maak ik met jou de afspraak om de ontbinding te ondertekenen e.e.a. Zoals is afgesproken door jou met mijnheer [persoon 2] en [persoon 3] .
Als we de afspraak inplannen dan worden ook meteen de sleutels door jou aan mij overhandigd, m.a.w. [adres] , dient dan leeg en schoon opgeleverd te worden (ook de bovenwoning)”
In de Whatsapp-berichten van 19 februari (2026 - toevoeging kantonrechter) van [persoon 3] staat het volgende:
“Je moet snel een afspraak maken met [persoon 1] om de overeenkomst te tekenen. Beste [verhuurder] Je achterstand word steeds groter en ik kan anders niet meer wachten om de zaak uit handen te geven met alle gevolgen voor jou. groeten, [persoon 3] 14:36
Goede middag [persoon 3] ik ga [persoon 1] strak een e-mail sturen om een afspraak te maken groetjes [verhuurder] 16:12”
Tot slot heeft [verhuurder] de laatste pagina overgelegd van een document getekend door [persoon 2] , Beheermaatschappij OZ B.V.. Hierin staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“ sleutels, leeg en schoon. De heer [verhuurder] kan daarna geen aanspraak meer maken om ’t pand te betreden noch een door hem aangewezen derde.
2. Indien het pand niet leeg, ontruimd en schoon wordt opgeleverd per 2-3-2026 onder afgifte van alle sleutels, zal overleg plaatsvinden en neemt OZ BV het recht om dit te laten uitvoeren waarbij alle kosten voor de heer [verhuurder] zullen komen.”
4.8.
[huurder] heeft niet betwist dat [verhuurder] zelf huurder van het gehuurde was. Evenmin heeft [huurder] betwist dat de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en de eigenaar van het gehuurde (hierna: hoofdhuurovereenkomst) is beëindigd. Doordat [verhuurder] zelf het gehuurde huurde, is er sprake van een onderhuurovereenkomst tussen [verhuurder] en [huurder] . Wanneer de hoofdhuurovereenkomst van een zelfstandige woning eindigt, wordt de onderhuurovereenkomst van deze zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, voortgezet door de (hoofd)verhuurder [6] .
4.9.
Uit de overgelegde onderhuurovereenkomst blijkt dat het gehuurde een zelfstandige woning betreft [7] . Er is in ieder geval nergens in opgenomen dat [huurder] geen toegang had tot een eigen keuken, douche of toilet. Verder blijkt uit de overgelegde stukken van [verhuurder] dat hij met de eigenaar van het gehuurde een overeenkomst heeft gesloten waarbij [verhuurder] het gehuurde, inclusief de bovenwoning, op 2 maart 2026 heeft moeten opleveren. Dat [verhuurder] hieraan gevolg heeft gegeven, volgt uit het feit dat op 26 februari 2026 de sloten van het gehuurde waren veranderd, waardoor [huurder] geen toegang meer had tot het gehuurde [8] . Vanaf de datum van beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst wordt de onderhuurovereenkomst voortgezet door de verhuurder, zijnde Beheermaatschappij OG B.V.. Omdat aannemelijk is dat de hoofdhuurovereenkomst is beëindigd voordat de dagvaarding op 13 maart 2026 aan [verhuurder] was betekend, kan [huurder] zijn vordering tot het verlenen van toegang tot het gehuurde alleen van de verhuurder, zijnde Beheermaatschappij OG B.V., afdwingen, niet van [verhuurder] . Doordat [huurder] echter alleen [verhuurder] heeft aangesproken, zal de vordering tot het verlenen van toegang tot het gehuurde worden afgewezen.
4.10.
De daarmee verband houdende nevenvorderingen om [verhuurder] een verbod op te leggen om de toegang onmogelijk te maken en om een dwangsom op te leggen, treffen hetzelfde doel. Deze vorderingen zullen ook worden afgewezen.
Afgifte van eigendommen
4.11.
[huurder] vordert verder afgifte van eigendommen waarvan hij een lijst in de dagvaarding heeft opgenomen. [verhuurder] heeft betwist dat deze spullen in het gehuurde aanwezig waren. De door [huurder] in het geding gebrachte pinbonnen van winkels en geldautomaten bewijzen niet dat deze spullen zich ook daadwerkelijk in het gehuurde bevonden. Daartoe is meer bewijslevering nodig, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, maar daartoe leent zich deze kort geding procedure niet. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op € 50,00 (verletkosten).
Europese executoriale titel wordt afgewezen
4.13.
De vordering om dit vonnis als Europese executoriale titel te waarmerken wordt afgewezen omdat dit enkel mogelijk is bij niet-betwiste schuldvorderingen [9] en [verhuurder] verweer heeft gevoerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [huurder] af,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 24 Verordening Pro (EU) 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis).
2.Artikel 7 lid 2 Brussel Pro I-bis.
3.Artikel 4 lid1 sub c Verordening (EG) 593/2008 (Rome I).
4.Artikel 4 lid 1 Verordening Pro (EG) 864/2007 (Rome II).
5.Zie hiervoor onder 2.2.
6.Artikel 7:269 lid 1 BW Pro.
7.Zie productie 1 bij de dagvaarding.
8.Zie hiervoor onder 2.3.
9.Zie artikelen 3 en 6 van de Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen.