Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4832

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
ROE 26/792
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet

De burgemeester van Maastricht heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een woning te sluiten voor zes maanden omdat er een hennepplantage en 98 gram gedroogde henneptoppen werden aangetroffen. Verzoeker, huurder van de woning, maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting en dat de sluiting evenredig is. Hoewel verzoeker stelt dat hij de bewoner is en de woning ten onrechte als lokaal is aangemerkt, kan dit in bezwaar nader worden onderzocht. De voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de sluiting noodzakelijk is om de woning aan het drugscircuit te onttrekken.

Verzoeker heeft onvoldoende bewijs geleverd voor zijn stellingen en de nadelige gevolgen van de sluiting wegen niet op tegen het algemeen belang. De woning is gelegen in een kwetsbare omgeving en de burgemeester heeft het beleid om drugshandel tegen te gaan zorgvuldig toegepast. De uitspraak is definitief en hoger beroep is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/792

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Maastricht, verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Schyns),
en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, de burgemeester

(gemachtigde: mr. M.C.W. Ploum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning (aangemerkt als lokaal) van verzoeker voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten en dat de sluiting van de woning evenredig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker, die als lokaal wordt aangemerkt, vanaf 8 april 2026 voor zes maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
2.1.
Verzoeker heeft tegen de sluiting van de woning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft per e-mailbericht van 8 april 2026 de rechtbank laten weten dat de sluiting wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is huurder van de woning gelegen aan de [adres] in Maastricht.
3.1.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 6 maart 2026 blijkt het volgende.
De politie heeft een anonieme melding ontvangen dat er aanloop is door meerdere personen aan de achterzijde van de woning, dat de woning niet bewoond is en dat er een tijdschakelaar aanwezig was waarop de lampen op hetzelfde tijdstip aan en uit gingen. De politie heeft op 20 februari 2026 de woning betreden en in de woning werd een niet werkende hennepplantage aangetroffen op de gehele eerste verdieping. Verder werd er in de woning één kilogram gedroogde henneptoppen aangetroffen alsmede een schakelkast, groeimiddelen, een druppelsysteem, een slakkenhuis, ventilatie, een koolstoffilter en ledlampen. Tevens was er sprake van diefstal van stroom en brandgevaar.
3.2.
De burgemeester heeft op 18 maart 2026 het voornemen tot sluiting van het pand voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft daarvan geen gebruik gemaakt; hij stelt deze niet te hebben ontvangen. Vervolgens is het thans bestreden besluit genomen door de burgemeester.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.1.
De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat hij niet in zijn woning kan wonen als die wordt gesloten.
Wat is het toetsingskader?
5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen softdrugs (zoals henneptoppen) en harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Maastricht tegen te gaan. Dit beleid staat in het Damoclesbeleid lokalen en Woningen 2019 Artikel 13b Opiumwet (het beleid). In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit het beleid volgt dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs in een woning, de burgemeester de woning sluit voor een periode van drie maanden en een lokaal voor de duur van zes maanden.
5.1.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [1] , 6 juli 2022 [2] en 16 juli 2025 [3] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de aangetroffen hoeveelheid in beginsel (ook) bestemd wordt voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Is de besluitvorming onzorgvuldig?
6. Verzoeker stelt zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid nu verzoeker niet de mogelijkheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen. Verder is de bestuurlijke rapportage onzorgvuldig omdat er in plaats van 98 gram henneptoppen uitgegaan wordt van één kilo. Dit is onjuist. Naar de mening van verzoeker ontbreekt daardoor de grondslag.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het voornemen wel aan verzoeker aangetekend verstuurd is op het adres van de woning waar de drugs aangetroffen zijn. Met de burgemeester is de voorzieningenrechter van oordeel dat het voor verzoekers rekening en risico komt dat hij de post die aan zijn adres wordt aangeboden niet heeft ontvangen. Daarnaast is van belang dat vanaf het indienen van het verzoekschrift tot de zitting al bijna vier weken zijn verstreken. Ook als hij het voornemen niet heeft ontvangen, heeft hij vier weken de tijd gehad om te reageren. Voor zover er toch sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad.
6.2.
De voorzieningenrechter kan verzoeker volgen dat er een onjuiste hoeveelheid van één kilo genoemd wordt in de bestuurlijke rapportage terwijl 98 gram is aangetroffen. De burgemeester heeft op zitting aangegeven dat er sprake is van een fout in de bestuurlijke rapportage en uitgegaan dient te worden van 98 gram. De burgemeester heeft een nadere bestuurlijke rapportage ingediend waarin deze fout is hersteld. Deze geconstateerde onzorgvuldigheid vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester niet langer van de juistheid van de bestuurlijke rapportage mag uitgaan. Gelet op de zaken die zijn aangetroffen is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan.
Dient de woning gezien te worden als een lokaal?
7. Verzoeker voert aan dat hij wel degelijk de bewoner is van het pand en dat de woning ten onrechte als een lokaal aangemerkt wordt. Hij stond op 20 februari 2026 en nog steeds als bewoner ingeschreven en hij heeft een huurovereenkomst. Tot enkele weken voor de politie-inval woonde verzoeker in de woning met zijn ex-partner en hun zoontje. Zijn ex-partner en zoontje zijn toen vertrokken omdat de relatie verbroken werd. Na de relatiebreuk heeft verzoeker het merendeel van de inboedel aan zijn ex-partner meegegeven en daarna heeft hij tijdelijk bij een bekende gelogeerd. Verzoeker verbleef en verblijft in de woning en slaapt op de bank.
7.1.
In het beleid staat dat een woning die feitelijk niet als zodanig in gebruik is voor de toepassing van het beleid aangemerkt wordt als lokaal met de daarbij behorende sluitingstermijnen. De bedrijfsmatigheid die samenhangt met een dergelijk gebruik veronderstelt een grotere bekendheid in het criminele circuit en een daarbij behorende aanzuigende werking. Een langere sluitingsduur bij lokalen wordt daarom noodzakelijk geacht om de gevolgen van de overtreding teniet te doen.
7.2.
De burgemeester stelt dat de woning een onbewoonde indruk maakte en veelal zeer rommelig uitziet. Uit de foto’s die op 20 februari 2026 zijn gemaakt blijkt dat er veel rotzooi lag en er vuilniszakken lagen in de woning. Op de badkamer stond een container en in de douche stonden spullen. De gehele bovenverdieping was ingericht als hennepplantage waardoor er geen bedden aangetroffen zijn. Er stond enkel een bank, maar die lag ook helemaal vol met rotzooi, terwijl er geen slaapspullen waren. Tot slot was de voordeur afgesloten vanwege de verbrekingen aan de aldaar gelegen elektriciteitskast waardoor de woning alleen via de achterzijde betreden kon worden.
7.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat dit punt in bezwaar nog nader kan worden onderzocht. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat als het pand als een woning moet worden beschouwd, de woning voor drie maanden zal worden gesloten. Verzoeker heeft de mogelijkheid om in bezwaar nader te onderbouwen dat hij in de woning woonde en nog steeds woont zodat de sluitingsduur mogelijk wordt teruggebracht. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit thans niets afdoet aan de bevoegdheid tot sluiting van het pand, gelet op de aangetroffen hoeveelheid softdrugs (98 gram hetgeen fors boven de gebruikershoeveelheid van 5 gram ligt) en de overige omstandigheden maar enkel aan de duur van de sluiting. De voorzieningenrechter ziet hierin dus geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
De evenredigheidsbeoordeling
Geschiktheid
8. De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de betreffende woning aan het drugscircuit te onttrekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen, gelet op de ernst van de overtreding en de aangetroffen hoeveelheid softdrugs van 98 gram.
Noodzaak
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester op goede gronden heeft besloten dat er in dit geval een noodzaak bestond om de woning te sluiten. In de woning is een, weliswaar niet in gebruik zijnde, hennepplantage aangetroffen op de gehele bovenverdieping en 98 gram gedroogde henneptoppen (softdrugs). Verder zijn in de woning een groot aantal voorwerpen aangetroffen die wijzen op het telen van hennep. Dit staat in de bestuurlijke rapportage. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt ook dat er meldingen zijn geweest over aanloop aan de achterzijde van de woning en dat van daaruit (regelmatig) goederen meegenomen worden die bedekt zijn. Daardoor is het aannemelijk dat de woning een rol speelt binnen het criminele (drugs-)circuit. De aanwezigheid van grote hoeveelheden verdovende middelen in een woning maken daarbij dat er gevaar dreigt voor zogeheten ripdeals en represailles vanuit het criminele circuit. Verder dient meegenomen te worden dat de elektriciteit illegaal werd verkregen en dat er brandgevaar was. Dat de gemeente Maastricht geconfronteerd wordt met systematische handel in verdovende middelen vanuit illegale verkooppunten heeft de burgemeester ook mogen meewegen in zijn besluitvorming. Tot slot heeft de burgemeester daarbij kunnen betrekken dat de woning is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving. De voorzieningenrechter acht – gelet op het voorgaande – aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en acht daarom sluiting noodzakelijk.
Evenwichtigheid
10. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.
10.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoe lang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. Ook dient de burgemeester mee te laten wegen dat de huurder door de sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. [4]
10.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een verwijt treft. Verzoeker stelt weliswaar dat hij van een Somalische man, genaamd [naam] , € 200 per week kreeg om zijn woning ter beschikking te stellen en dat hij met de henneptoppen niks te maken heeft gehad, wat ook naar zijn zeggen zou blijken uit het politieonderzoek waar geen DNA van verzoeker is aangetroffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker deze stellingen niet heeft onderbouwd met bewijsmiddelen, terwijl zijn verklaring toch de nodige vragen oproept. Maar ook als moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van verzoeker dat hij iemand anders toegang tot de woning heeft verleend, neemt dat niet weg dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
10.3.
Van een speciale binding met de woning van verzoeker is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoeker stelt dat hij lijdt aan ernstige psychische klachten, namelijk schizofrenie, waarvoor verzoeker naar eigen zeggen meerdere keren opgenomen is geweest bij Mondriaan, zowel bij de crisisopvang als op de gesloten afdeling. Daarbij heeft verzoeker voor zijn psychische klachten medicatie. Verzoeker tracht hiervan stukken te krijgen maar, gelet op zijn psychische gesteldheid, is dat voor hem lastig. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf geen aanleiding om eraan te twijfelen dat verzoeker psychische klachten heeft. Maar de voorzieningenrechter heeft geen zicht op de ernst van deze klachten en ook niet wat een woningsluiting voor verzoeker zou betekenen, gelet op zijn psychische gesteldheid. Verzoeker heeft geen enkel stuk ingebracht, zodat er niet eens een begin van bewijs is. Dit had wel op zijn weg gelegen. Daarnaast stelt verzoeker dat, mocht de woning gesloten worden, hij problemen zal ondervinden ten aanzien van de wekelijkse omgang met zijn minderjarige zoontje die het hoofdverblijf bij de moeder heeft. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de omgangsregeling met verzoekers kind onder druk komt te staan, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze omgangsregeling ook ergens anders kan plaatsvinden. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat deze vervalt als verzoeker zijn woning kwijtraakt. Daar komt bij dat verzoeker naar eigen zeggen al eerder twee weken bij een vriendin verbleven heeft.
10.4.
De burgemeester geeft aan dat de woningstichting aangegeven heeft dat de huurovereenkomst met verzoeker ontbonden zal worden, ongeacht of de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet zal worden gesloten. Niet is gebleken dat verzoeker al heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat hij daar niet in is geslaagd. Ook is niet gebleken dat hij niet tijdelijk bij familie of vrienden zou kunnen wonen, zoals hij al eerder tijdelijk heeft gedaan. Verder is van belang dat de burgemeester een lijst met potentiële huurwoningen/-ruimtes op de particuliere markt overgelegd heeft. Dat de woningsluiting financiële consequenties met zich brengt is inherent aan de sluiting en dat vormt geen reden om van sluiting af te zien. Eiser heeft weliswaar een bewindvoerder en schulden maar niet gebleken is dat verzoeker geen andere woonruimte zou kunnen bekostigen.
10.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet opwegen tegen de omstandigheden die het nodig maken om de woning te sluiten. Van een onevenwichtigheid is geen sprake. De burgemeester heeft een groter belang mogen hechten aan het algemeen belang van handhaving en de noodzaak om het perceel te onttrekken aan het drugscircuit, dan aan het belang van verzoeker.
10.6.
De voorzieningenrechter acht – gelet op het voorgaande – de woningsluiting evenwichtig.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst en dat de burgemeester mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 mei 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

4.Zie noot 3 (r.o. 11.1 en 11.2).