Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
“Ook wil ik ff aangeven dat ik ga stoppen bij [werkgever] en ik tot 19 juli nog in dienst ben.”
“Je kunt met mij de goeie kant op en de slechte, en geloof me, ik ben een mannetje, maak me de pis niet lauw, ga met mij geen dingen aan, want dan loopt het gewoon niet goed af.”
“ [vader] , ga eruit”. Op het moment dat [werknemer] en haar vader de zaak verlaten zegt [bestuurder]
“ [werknemer] , geef effe de sleutel”.
2.Reden van verzoek
Hoewel de rechtszaak nog loopt, zie ik uit naar de afronding ervan zodat ik dit hoofdstuk
Hierbij meld ik mij per 5 augustus 2025 beter. In overleg met mijn psycholoog is vastgesteld dat werkhervatting noodzakelijk is voor mijn herstel, maar dat dit gezien mijn omstandigheden niet binnen de huidige werkomgeving verantwoord is. Terugkeer naar de werkvloer bij [werkgever] wordt om die reden medisch ontraden.
Geachte mevrouw [werknemer] ,
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
nietdat [bestuurder] tegen [werknemer] heeft gezegd dat zij haar spullen moest pakken en dat zij niet meer terug hoefde te komen. [bestuurder] zegt tegen de vader van [werknemer] dat hij de zaak moet verlaten
(“ [vader] , ga eruit”) en als vader en dochter de zaak verlaten vraagt [bestuurder] [werknemer] om de sleutel van de zaak. Uit het verloop van het gesprek op 28 juni 2025 had [werknemer] niet hoeven af te leiden dat [werkgever] heeft bedoeld haar op dat moment op staande voet te ontslaan.
(€ 2.156,26 x 1,08) + € 145,00 = € 2.473,76.
€ 15.479,42 bruto. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat zij een inkomensverlies (van € 10.479,42) lijdt omdat haar arbeidsovereenkomst hoe dan ook tot 17 mei 2026 zou hebben geduurd. Daarnaast acht zij een additionele vergoeding van € 5.000,00 passend, gelet op de wijze waarop [werkgever] zich jegens haar heeft gedragen en opgesteld en de ernstige onzekerheid en stress die dat bij haar heeft veroorzaakt.
€ 1.740,-. De resterende 70% dient zij bij aflevering van order te ontvangen. De opdracht is echter nog niet voltooid. Volgens [werknemer] druist het in tegen de redelijkheid en de billijkheid om het restant niet aan haar toe te kennen. Als gevolg van het handelen van [werkgever] is zij immers niet meer in dienst. [werknemer] maakt daarom aanspraak op een restant van € 4.060,- aan provisie.