ECLI:NL:RBLIM:2026:4654

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/03/322970 / FA RK 23-3782
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. dr. Van Binnebeke
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling vakanties en kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank Limburg heeft op 4 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak over wijziging van de zorgregeling tijdens vakanties en kinderalimentatie tussen gescheiden ouders. De moeder verzocht om een gelijke verdeling van vakanties en verhoging van de kinderalimentatie, terwijl de vader verweer voerde en een verlaging van de alimentatie vroeg vanwege gewijzigde omstandigheden.

De rechtbank stelde vast dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarige kinderen uitoefenen en dat er een ouderschapsplan bestaat waarin afspraken over zorg en alimentatie zijn vastgelegd. De ouders bereikten overeenstemming over de verdeling van de zomervakantie en kerstvakantie, maar niet over carnavals-, meivakantie en herfstvakantie. De rechtbank oordeelde dat de vader in redelijkheid zijn werkzaamheden zo moet plannen dat hij de zorg tijdens de helft van deze vakanties kan dragen.

Verder werd het contactverbod tussen de grootvader van vaderszijde en de kinderen opgeheven, omdat de oorspronkelijke reden voor het verbod was komen te vervallen. De rechtbank beoordeelde de draagkracht van beide ouders, waarbij rekening werd gehouden met het beëindigde geregistreerd partnerschap van de moeder en de financiële situatie van de vader als zelfstandig ondernemer. De kinderalimentatie werd aangepast met ingang van 1 mei 2024, met een tijdelijke schorsing van betaling van 1 november 2025 tot 1 november 2026 vanwege een belastingschuld van de vader.

De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees verdere verzoeken af.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling tijdens vakanties en past de kinderalimentatie aan met ingang van 1 mei 2024, met een tijdelijke schorsing van betaling van 1 november 2025 tot 1 november 2026.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Zaaknummer: C/03/322970 / FA RK 23-3782
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats 1] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.F. Cohen, kantoorhoudend Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en
[jongmeerderjarige],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: ‘de jongmeerderjarige’ of ‘ [jongmeerderjarige] ’,
gevolmachtigde: de moeder,
advocaat: mr. R.F. Cohen, kantoorhoudend Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
tegen
[de vader],
Wonend in [woonplaats 2] ,
verder te noemen: de vader,
advocaat mr. J.I.L. Laumans, kantoorhoudend te Venlo,
De moeder en de vader zullen hierna gezamenlijk worden genoemd: de ouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt in deze zaak betrokken: de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de moeder, binnengekomen op
  • het ‘verweerschrift jegens het verzoek tot wijziging kinderalimentatie, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie’ (met bijlagen) van de zijde van de vader, binnengekomen op 3 november 2023;
  • het ‘verweerschrift tegen zelfstandig verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie’ (met bijlagen) van de zijde van moeder, binnengekomen op 27 december 2023;
  • het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 4 december 2025;
  • de ‘aanvullende onderbouwing kinderalimentatie tevens houdende vermeerdering van de verzoeken, verweer zorgregeling en tevens houdende zelfstandige verzoeken’ (met bijlagen) van de zijde van de vader, binnengekomen op 24 december 2025;
  • de brief (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 9 januari 2026;
  • het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 12 januari 2026;
  • het F9-formulier (met bijlage) van de zijde van de moeder, gedateerd 15 januari 2026.
1.2.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op
19 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Cohen;
  • de vader, bijgestaan door mr. Laumans;
  • een medewerker van de raad.
1.3.
Gelet op de leeftijd van de kinderen op het moment van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank hun in de gelegenheid gesteld om voordien hun mening kenbaar te maken ten aanzien van de voorliggende verzoeken van de ouders met betrekking tot de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, waarbij [jongmeerderjarige] ook zijn mening heeft kenbaar kunnen maken ten aanzien van de kinderalimentatie. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een gesprek met de behandelend rechter op 6 januari 2026.
1.4.
[jongmeerderjarige] is kort na de mondelinge behandeling (jong)meerderjarig geworden. Namens [jongmeerderjarige] is bij F9-formulier van de zijde van de moeder van 4 februari 2026 een machtiging overgelegd waarin [jongmeerderjarige] de moeder heeft gemachtigd namens hem te procederen ter zake (verhoging van) een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2022 (C/03/308019 / FA RK 22-2953) is – onder meer – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is [datum 2] 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Beekdaelen.
2.2.
Uit het huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
  • [jongmeerderjarige] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;
  • [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010;
  • [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2017.
2.3.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige kinderen.
2.4.
In het kader van de echtscheiding hebben de ouders afspraken gemaakt met betrekking tot – onder meer – de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in een ouderschapsplan (inclusief bijlagen/producties) dat als bijlage 1 is opgenomen in het echtscheidingsconvenant dat door de ouders op 28 juli 2022 is ondertekend. Het ouderschapsplan alsook het echtscheidingsconvenant maken deel uit van de voormelde beschikking van [datum 1] 2022 door aanhechting daaraan.
2.5.
In het ouderschapsplan hebben de ouders afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en daar staan ingeschreven.
2.6.
Met betrekking tot – kort gezegd – de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties zijn de ouders in een bijlage 1 bij het ouderschapsplan, onder meer het volgende overeengekomen:
“[..] – Tijdens de zomervakantie (als vader vakantie heeft) geldt een ander schema (zie het zomervakantie schema). De weeknummers lopen gelijk aan de 6-weken vakantie van de kinderen zoals dit geldt voor zuid-Nederland. Dit wordt elkaar jaar bepaald.
- Zomervakantie schema: hierin houden ouders rekening met het voorbeeld dat opgemaakt is tijdens het tekenen van het ouderschapsplan. Echter zullen zij elk jaar tijdig rond de tafel gaan zitten om tot een goed schema overeen te komen. De kinderen zijn in de zomervakantie van vader maximaal 10 dagen aaneengesloten dagen bij vader.
- De ouders zullen in onderling overleg invulling geven aan de vakanties buiten de zomervakantie. Hierbij zullen ze streven naar een gelijkwaardige verdeling van 50% / 50%. Vanwege de onderneming van vader is het voor hem niet mogelijk om elke vakantie het op deze manier te doen. Wel heeft vader het recht om de kinderen 50% van iedere vakantie te zien voor omgang. Ouders zullen dit in onderling overleg en op tijd bespreken. Moeder is ermee akkoord dat het niet elke vakantie op deze manier zal gaan. Indien vader geen vrij heeft in een vakantie geldt het reguliere omgangsschema. [..]”
Verder zijn de ouders in het ouderschapsplan het volgende overeengekomen met betrekking tot – kort gezegd – contact met andere familieleden:
“[..] Artikel 6. Andere familieleden
6.1
De ene ouder zal contact tussen de kinderen en de familieleden van de andere ouder niet in de weg staan.
6.2.
Na overlijden van een van de ouders zal de andere ouder zich inzetten om de band tussen de familie van de overleden ouder en de kinderen intact te laten en zoveel mogelijk bevorderen.
6.3
[naam 1] , de vader van [de vader] , en eventuele partners van hem blijven ten allen tijde uit het leven van de kinderen.
6.4.
In het geval dat de kinderen met vrienden of familie van de andere ouder in contact komen waar de andere ouder zich zorgen over maakt, zal hier overleg over worden gepleegd. Er zal dan een passende oplossing gevonden worden hoe hier mee om te gaan.[..]”
Met betrekking tot – kort gezegd – de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zijn de ouders in het ouderschapsplan onder meer het volgende overeengekomen:
“ [..] Artikel 7. Financiën en kinderalimentatie
7.1
Wettelijke aansprakelijkheid:
De ouders zorgen ervoor dat de kinderen bij degene bij wie de kinderen staan ingeschreven tegen wettelijke aansprakelijkheid zijn verzekerd.
7.2
De kinderen zullen op de polis van de moeder tegen ziektekosten verzekerd zijn. De eventuele premie hiervoor zal worden voldaan door de moeder.
7.3
Kosten van de kinderen:
De kosten van de kinderen zijn door de ouders volgens bijlage begroot op € 936,- en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen. Een berekening in verband met deze onderhoudsvoorziening is opgesteld op d.d 27 juli 2022 en bijgevoegd in bijlage 2.
7.4.
Kinderalimentatie:
Met ingang van datum inschrijving echtscheiding bij de burgerlijke stand en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de moeder wonen, betaalt de vader een alimentatie voor de kinderen van € 250,- per kind per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1januari 2023.
De vader betaalt de kinderalimentatie aan de moeder (hoofdverzorgende ouder). Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn. De moeder betaalt de kindgebonden kosten.
Aanvullende afspraken naast de kinderalimentatie:
7.5 1.
De orthodontiekosten die buiten de zorgverzekering vallen zullen voor alle kinderen bij helfte worden verdeeld tussen vader en moeder.
2. Vader en moeder spreken af dat een bedrag van € 25,- per maand voor sport staat bij de kinderalimentatie per kind. Hiermee wordt bedoeld de contributiekosten. De contributiekosten buiten dit bedrag zullen door ouders bij helfte worden verdeeld.
3. De kosten met betrekking tot het dansen van [minderjarige 1] worden tussen vader en moeder bij helfte verdeeld. Hiermee worden alle gemaakte kosten bedoeld die niet onder de contributie vallen.
In bijlage 3 worden er voorbeelden gegeven hoe vader en moeder bovenstaande afspraken uitrekenen en overeenkomen met elkaar.
7.6.
Alimentatie jongmeerderjarige:
Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt treden de ouders met dit kind in overleg of de in artikel 7.4 genoemde bijdrage van de ouders op de rekening van de moeder wordt gestort wordt of rechtstreeks aan het kind zelf wordt overgemaakt. Een en ander hangt mede af van waar het kind verblijft. De ouders zullen samen met het kind bepalen welke financiële verplichtingen het kind zelf regelt, en welke de ouders nog voor hem of haar zullen betalen.
De wettelijke indexeringsregeling blijft van toepassing totdat het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt.
7.7
De ouders hebben de intentie om aan een kind van 21 jaar of ouder een (studie) bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen met een beroepsopleiding bezig is of studeert. doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 25-jartge leeftijd bereikt.
7.8.
Bankrekeningen ten name van de kinderen:
De navolgende bankrekeningen ten name van de kinderen zijn bekend:
[
rechtbank: opsomming bankrekeningen t.n.v. de individuele kinderen]
De tenaamstellingen van de genoemde bankrekeningen blijft ongewijzigd. Voor zover aan de orde, blijven deze rekeningen buiten de financiële regeling die de ouders sluiten in verband met de ontbinding van hun huwelijk.
Het is de bedoeling van de ouders om het saldo van de bankrekeningen ten name van de kinderen ten goede te laten komen aan de kinderen. Ieder van de ouders zal hierop op toezien. Zolang de kinderen minderjarig zijn wordt dit bedrag alleen aangewend met toestemming van beide ouders. Indien een ouder zonder afstemming met de andere ouder een opname doet voor eigen gebruik van een bankrekening op naam van een kind, dan is deze ouder verplicht op het eerste verzoek van de andere ouder het opgenomen bedrag aan het desbetreffende kind te vergoeden.
De moeder beheert de bankrekeningen ten name van de kinderen en zij zal op eerste verzoek van de andere ouder inzage verschaffen in (het verloop van) deze rekeningafschriften.
Het staat ieder van de ouders vrij om een nieuwe (spaar)rekening te openen op naam of ten behoeve van (een van) de kinderen.
7.9.
Wijzigingen:
Kinderalimentatie kan op basis van de wettelijke regeling aangepast worden indien
omstandigheden wijzigen. Onder deze omstandigheden worden door de vader en de moeder ook verstaan het wijzigen van fiscaal of sociaal beleid van de overheid (wijziging toeslagen/heffingskortingen).[..]”
2.7.
De moeder is op [datum 3] 2024 een geregistreerd partnerschap aangegaan met de heer [naam 2] . Dit geregistreerd partnerschap is nadien beëindigd op [datum 4] 2025.

3.Het geschil

3.1.
De moeder verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank van [datum 1] 2022 en het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van die beschikking, te wijzigen voor wat betreft:
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties, in die zin dat deze vakanties bij helfte zullen worden gedeeld, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat de vader niet voldoet aan de in deze te wijzen beschikking, nadat de in deze te wijzen beschikking zal zijn betekend;
de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen, in die zin dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen wordt gesteld op € 545,00 per maand per kind, met ingang van 4 september 2023, zijnde de datum van het aangetekend schrijven, dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren.
3.2.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder en hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoeken althans tot afwijzing daarvan. Daarbij verzoekt de vader wijze van zelfstandig verzoek om bij beschikking, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“[..] Kinderalimentatie
Primair:
de tussen de ouders gemaakte afspraken in de artikelen 7.3 tot en met 7.5 van het tussen de ouders op 28 juli 2022 gesloten ouderschapsplan te wijzigen en in plaats van die afspraken vast te stellen dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen met terugwerkende kracht tot 3 november 2023 wordt verlaagd naar € 157,-- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
de moeder te veroordelen om - binnen 14 dagen na dagtekening van de ten deze te wijzen beschikking - het door de vader te veel aan haar betaalde bedrag ter hoogte van in totaal € 10.670,-- + p.m. aan hem terug te betalen door storting van dit bedrag op de bankrekening van de vader met nummer [rekeningnummer] .
Subsidiair:
de tussen de ouders gemaakte afspraken in de artikelen 7.3 tot en met 7.5 van het tussen de ouders op 28 juli 2022 gesloten ouderschapsplan te wijzigen en in plaats van die afspraken vast te stellen dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen voor de periode van november 2025 tot en met november 2026 op nihil wordt gesteld, waarna de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage met ingang van december 2026 € 157,-- per kind per maand zal gaan bedragen, maandelijks bij vooruitbetaling aan haar te voldoen;
de moeder te veroordelen om - binnen 14 dagen na dagtekening van de ten deze te wijzen beschikking - de door de vader vanaf 1 november 2025 tot de datum van de ten deze te wijzen beschikking aan de moeder betaalde bijdragen in de kosten van de kinderen aan de vader terug te betalen door storting van dit bedrag op de bankrekening van de vader met nummer [rekeningnummer] .
Zorgregeling / overige verzoeken
te bepalen dat de tussen de ouders gemaakte afspraak in artikel 6.3 van voornoemd ouderschapsplan komt te vervallen;
te bepalen dat de moeder - binnen 14 dagen na dagtekening van de ten deze te wijzen beschikking - aan de vader de bankafschriften / transactieoverzichten dient te doen toekomen van alle bankrekeningen van de kinderen genoemd in artikel 7.8 van voornoemd ouderschapsplan betrekking hebbende op de periode van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 alsook bescheiden waaruit blijkt welke bedragen aan compensatie de kinderen hebben gekregen in het kader van de kindregeling (met betrekking tot het herstel van de problemen als gevolg van de toeslagenaffaire) alsook bescheiden waaruit blijkt wat er met dit geld is gebeurd.
3.3.
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader en zij concludeert tot afwijzing daarvan.
3.4.
Op de door de ouders betrokken stellingen zal hierna, voor zover nodig, verder worden ingaan.

4.De beoordeling

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties
4.1.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter kan op grond van artikel 1:253a lid 2 BW op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
4.2.
In geval van een geschil over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang bezien met artikel 1:377e BW, een eerdere beslissing alsmede een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.3.
Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient de rechtbank allereerst te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:377e lid 1 BW. Uit hetgeen de ouders naar voren hebben gebracht volgt dat zij er niet in slagen om op grond van hetgeen zij ter zake zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, in onderling overleg concreet invulling te geven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijden de (school)vakanties van de kinderen en dan met name wat betreft de carnavalsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de ouders ter zake volharden in hun eigen standpunten en een compromis niet mogelijk is gebleken. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden die met zich brengt dat het verzoek van de moeder met betrekking tot de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties inhoudelijk dient te worden beoordeeld.
Zomervakantie
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de ouders na gevoerd debat tijdens de mondeling behandeling (alsnog) overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de zomervakanties van de kinderen. Daarbij zijn de ouders overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
  • in de even jaren gedurende de eerste drie aaneengesloten volledige weken van de zomervakantie bij de vader zullen verblijven en dat zij in de daaropvolgende drie aaneengesloten volledige weken bij de moeder zullen verblijven;
  • in de oneven jaren gedurende de eerste drie aaneengesloten volledige weken van de zomervakantie bij de moeder zullen verblijven en dat zij in de daaropvolgende drie aaneengesloten volledige weken bij de vader zullen verblijven.
4.5.
Gelet op de bereikte overeenstemming tussen de ouders zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties voor wat betreft de zomervakanties voor zover nodig als gewijzigd beschouwen conform de bereikte overeenstemming en beslissen als hierna onder de beslissing vermeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen hetgeen de ouders ter zake zijn overeengekomen.
Kerstvakantie
4.6.
Op grond van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, stelt de rechtbank vast dat de ouders wat betreft de kerstvakanties achter het uitgangspunt staan dat de zorg- en opvoedingstaken dan in beginsel bij helfte gedeeld moeten worden. Daarbij is de rechtbank gebleken dat de ouders er tot nu toe altijd in zijn geslaagd om de kerstvakanties in lijn met het genoemde uitgangspunt in goed onderling overleg te verdelen, waarbij de ouders thans hebben afgesproken dat de kinderen van kerstavond tot en met het avondeten op eerste kerstdag bij de vader verblijven, waarna de kinderen na het avondeten, vanaf 19.00 uur bij de moeder verblijven tot en met het avondeten op nieuwjaardag, waarna – zo begrijpt de rechtbank – de kinderen na het avondeten, vanaf 19.00 uur voor de resterende dagen van de kerstvakantie naar de vader gaan.
4.7.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties voor wat betreft de kerstvakantie toewijzen op de wijze als hierna onder de beslissing vermeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat ook wat betreft de kerstvakantie niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen hetgeen de ouders ter zake zijn overeengekomen.
Overige vakanties
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de ouders na gevoerd debat tijdens de mondelinge behandeling er niet in zijn geslaagd om alsnog (ook) overeenstemming te bereiken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens overige (school)vakanties, te weten de carnavalsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie. Naar de rechtbank begrijpt, wenst de moeder ook deze vakanties – evenals de zomervakantie en de kerstvakantie – bij helfte te verdelen tussen de ouders. De vader voert hiertegen verweer en hij stelt zich daarbij primair op het standpunt dat het voor hem niet mogelijk is om tijdens de overige vakanties gedurende de helft van de tijd voor de kinderen te zorgen aangezien hij tijdens die vakanties moet werken, hetgeen ook al zo was toen de ouders nog samenleefden. Als de vader nu gedwongen zou worden om toch gedurende de helft van de overige vakanties voor de kinderen te zorgen, dan zou dit ertoe leiden dat hij als zelfstandig ondernemer minder inkomen kan genereren waardoor hij – zo begrijpt de rechtbank – zich financieel gezien niet langer staande kan houden. Gelet daarop stelt de vader zich subsidiair op het standpunt dat in het geval de rechtbank zou bepalen dat de vader voortaan gedurende de helft van de overige vakanties voor de kinderen zou moeten zorgen, dit er dan toe zal moeten leiden dat het bedrag aan kinderalimentatie dat hij aan moeder moet voldoen nog verder verlaagd dient te worden dan hij nu verzoekt, aangezien hij dan minder uren zal kunnen werken waardoor het resultaat van zijn onderneming zal dalen en daarmee ook zijn draagkracht om kinderalimentatie te betalen.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Het geschil tussen de ouders spitst zich zoals gezegd toe op de carnavalsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie, zijnde in totaal een periode van vier weken. Op grond van de stellingen van de ouders, begrijpt de rechtbank dat zij weliswaar in het ouderschapsplan hebben afgesproken dat zij zullen streven naar een gelijkwaardige verdeling bij helfte van de zorg- en opvoedingstaken tijdens die vakanties, maar dat dit in de praktijk niet lijkt te lukken. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de vader hieraan met name debet is omdat hij om hem moverende financiële redenen tijdens de betreffende vakanties wil vasthouden aan zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer, hetgeen maakt dat een verdeling bij helfte van de zorg- en opvoedingstaken niet mogelijk is. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft en het waardeert dat de vader zich maximaal wil inspannen om voldoende inkomen te generen om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen, waaronder met name zijn verplichting om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, staat daar tegenover dat het uitgangspunt is dat de vader als gezaghebbende ouder in beginsel de helft van de vakanties voor de kinderen dient te zorgen. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, in redelijkheid van de vader kan en mag worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zodanig plant en inricht dat hij in de betreffende vakanties gedurende de helft van de tijd voor de kinderen kan zorgen. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het gesprek dat de behandelend rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gehad naar voren komt dat zij graag meer bij de vader willen zijn, hetgeen aansluit bij het voormeld uitgangspunt. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat bij een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de betreffende vakanties, de vader dan gedurende twee volledige weken de zorg voor de kinderen op zich zou moeten nemen, hetgeen neerkomt op 10 werkdagen. Voor zover de vader zich op het standpunt stelt dat hij tijdens die werkdagen dan geen inkomen kan genereren omdat hij voor de kinderen moet zorgen, volgt de rechtbank de vader daarin. De rechtbank zal daarmee hierna rekening houden bij het beoordelen van de draagkracht van de vader in kader van de kinderalimentatie.
4.10.
Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties voor wat betreft de carnavalsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie toewijzen op de wijze als hierna onder de beslissing vermeld. Deze verdeling acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden redelijk en bovenal in het belang van de kinderen, die gebaat zijn bij duidelijkheid met betrekking tot de vraag bij wie van de ouders zij zullen verblijven tijdens de (school)vakanties.
Dwangsom
4.11.
Op grond van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, is de rechtbank niet gebleken dat de vader niet bereid zal zijn om uitvoering te gaan geven aan de in rechte gewijzigde regeling met betrekking tot de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties. De rechtbank gaat er vooralsnog vanuit en vertrouwt erop dat de vader zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan die regeling zal verlenen. Gelet daarop en nu een dwangsom mogelijk (alleen maar) verder escalerend zal werken wat betreft de onderlinge verhoudingen tussen de ouders, zal de rechtbank aan de gewijzigde regeling geen dwangsom verbinden.
Ten aanzien van het contact tussen de kinderen en de grootvader (vaderszijde)
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de ouders in het ouderschapsplan van 28 juli 2022 hebben afgesproken dat de grootvader (vaderszijde) en diens eventuele partner te allen tijde uit het leven van de kinderen zullen blijven. Gelet op de stellingen van de ouders, begrijpt de rechtbank dat de reden voor deze afspraak er destijds in gelegen was dat er op dat moment sprake was van ruzie en conflict tussen de vader en de grootvader op zowel privé als zakelijk vlak. De vader verzoekt nu echter om te bepalen dat de tussen de ouders gemaakte afspraak vervalt, in die zin dat – zo begrijpt de rechtbank – het de vader voortaan vrij staat om de kinderen (weer) contact te laten hebben met de grootvader als de kinderen bij de vader verblijven. Bij de beoordeling van dit verzoek dient de rechtbank te bezien of er op dit moment (nog) sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden (contra-indicaties) op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat contact tussen de grootvader en de kinderen ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen dan wel anderszins in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval niet van dergelijke omstandigheden gebleken. Daarbij betrekt de rechtbank allereerst dat de vader onweersproken heeft gesteld dat hij ondanks het gegeven dat hij ten tijde van de tussen de ouders gemaakte afspraak enorm boos was op de grootvader, hij nadien op zakelijk vlak toch altijd met hem is blijven samenwerken en dat de tijd inmiddels zijn werk heeft gedaan waardoor de ruzie tussen hen beiden is bijgelegd. De aanvankelijke dragende reden voor het tussen de ouders overeengekomen ‘contactverbod’ tussen de grootvader en de kinderen is daarmee komen te vervallen. Voor zover de moeder zich op het standpunt stelt dat het belang van de kinderen zich desondanks verzet tegen contact met de grootvader omdat dit voor de kinderen geen meerwaarde heeft en alleen maar voor extra onrust zal zorgen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij overweegt de rechtbank dat het voor de identiteitsontwikkeling van kinderen – zo ook van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – belangrijk is dat zij contact hebben met de families van hun beide ouders. De door de moeder gestelde omstandigheid dat de kinderen, gelet op hun jonge leeftijd en door tijdsverloop, de grootvader niet of nauwelijks (meer) kennen, doet aan dit oordeel niet af. Het ligt in dat geval op de weg van de vader om – conform het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling – ervoor te zorgen dat hij de grootvader op een voor de kinderen passende en verantwoorde manier (weer) in hun leven zal introduceren. Anders dan de moeder ziet de rechtbank daarbij geen reden om te bepalen dat het contact tussen de grootvader en de kinderen alleen in het bijzijn c.q. begeleid door de vader kan en mag plaatsvinden. De rechtbank betrekt daarbij dat de vader onweersproken heeft gesteld dat – zo begrijpt de rechtbank – de verstoorde onderlinge verstandhouding tussen de ouders en de grootvader er debet aan is geweest dat de grootvader geen contact meer had met de kinderen, maar dat de grootvader de kinderen nooit iets heeft misdaan of in de weg heeft gelegd.
4.13.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het zelfstandig verzoek van de vader toewijzen op de wijze als hierna onder de beslissing vermeldt.
Ten aanzien van het verschaffen van inzage in de bankrekeningen van de kinderen
4.14.
De rechtbank stelt vast dat de moeder na gevoerd debat tijdens de mondeling heeft toegezegd dat zij per e-mail een bestand zal sturen aan de vader met daarin de bescheiden zoals verzocht door de vader conform het zelfstandig verzoek 6. van de vader zoals hiervoor vermeld onder 3.2. Ervan uitgaande en erop vertrouwend dat de moeder haar toezegging gestand zal doen, zal de rechtbank het genoemde zelfstandig verzoek van de vader afwijzen bij gebrek aan belang.
Ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding c.q. van levensonderhoud en studie van de kinderen
Wijziging van omstandigheden
4.15.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
4.16.
De rechtbank overweegt als volgt. In het verzoekschrift stelt de moeder dat bij het bepalen van de draagkracht van de vader die ten grondslag ligt aan het bedrag aan kinderalimentatie zoals overeengekomen in het ouderschapsplan, destijds is uitgegaan van de jaarstukken van de vader over het jaar 2020. Naar eigen zeggen weet de moeder echter dat de vader thans een substantieel hoger inkomen genereert van € 6.000,00 netto per maand. Doordat dit inkomen hoger is dan het gezinsinkomen van de ouders tijdens de samenleving, is er nu volgens de moeder sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt. De rechtbank volgt de moeder niet in dit standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de moeder haar standpunt geen handen en voeten heeft gegeven en op geen enkele manier nader heeft onderbouwd. Dit klemt temeer nu de vader in reactie op het standpunt van de moeder zijn jaarstukken heeft overgelegd over de jaren 2020 tot en met 2024 (producties 1 tot en met 3 en producties 15 en 16), waaruit volgt dat, zo stelt de rechtbank vast, het resultaat van zijn onderneming in de jaren na 2020 gemiddeld genomen niet substantieel is gestegen ten opzichte van het resultaat in 2020. Zoals volgt uit hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling alsook uit de door de moe-der als productie 5 overgelegde brief van haar advocaat aan de vader van 4 september 2023, baseert de moeder haar stelling dat het inkomen van de vader substantieel gestegen zou zijn, enkel en alleen op basis van horen zeggen. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de moeder haar verzoek heeft gebaseerd op slechts een veronderstelling, hetgeen in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader, niet, althans niet zonder nadere onderbouwing die dus ontbreekt, kan leiden tot een wijziging van de omstandigheden die een herbeoordeling van de overeengekomen geldende kinderalimentatie rechtvaardigt.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de moeder in reactie op de door de vader overgelegde jaarstukken zoals hiervoor genoemd nog een nader standpunt inneemt, namelijk dat die jaarstukken niet (kunnen) kloppen. In dat verband stelt de moeder allereerst dat de vader wel een hoger inkomen dan in de jaarstukken staat vermeld moet genereren, aangezien zij weet dat de vader er een luxe levensstijl op nahoudt door – zo begrijpt de rechtbank – luxegoederen te kopen, zoals een nieuwe auto, een scooter, dure kleding en een Rolex horloge. De rechtbank is van oordeel dat de moeder ook dit standpunt geen handen en voeten heeft gegeven en niet nader heeft onderbouwd. Gelet op het gemotiveerde verweer van de vader – hij stelt tijdens de mondelinge behandeling onweersproken dat hij het Rolex horloge heeft gekocht van zijn aandeel in de overwaarde van de verkochte echtelijke woning – had dit wel op de weg van de moeder gelegen. De rechtbank volgt de moeder dan ook niet in haar standpunt.
4.18.
De moeder stelt verder dat de jaarstukken niet (kunnen) kloppen omdat – zo begrijpt de rechtbank – de bedrijfsresultaten die daarin vermeld staan substantieel te laag zijn indien deze worden afgezet tegen het resultaat dat een zeer ervaren fulltime tegelzetter zoals de vader zou kunnen genereren, uitgaande van een werkdag van acht uur en een in de markt gebruikelijk uurtarief van € 55,00 per uur. De rechtbank volgt de moeder ook in dit standpunt niet. Daarbij overweegt de rechtbank, in lijn met het verweer van de vader, dat ook dit standpunt gebaseerd is op een veronderstelling – namelijk dat de vader zonder meer een hogere verdiencapaciteit heeft – die als zodanig niet kan leiden tot een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de geldende kinderalimentatie rechtvaardigt. De rechtbank zal het standpunt van de moeder met betrekking tot de verdiencapaciteit van de vader hierna wel betrekken in het kader van het bepalen van de draagkracht van de vader.
4.19.
Zoals hiervoor vermeld, verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek om – kort gezegd – de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie te verlagen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader zich op het standpunt dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de overeen-gekomen geldende kinderalimentatie rechtvaardigt, namelijk het gegeven dat de moeder een geregistreerd partnerschap is aangegaan met de heer [naam 2] . De rechtbank volgt de vader in zijn standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de heer [naam 2] als stiefouder van de kinderen in beginsel mede onderhoudsplichtig was gedurende de periode dat hij met de moeder een geregistreerd partnerschap had en zij een gezin vormden.
4.20.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voldoende rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt van de tussen de ouders in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging van omstandigheden ook daadwerkelijk dient te leiden tot aanpassing van deze bijdrage zal hieronder worden beoordeeld.
Ingangsdatum
4.21.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
4.22.
De rechtbank zal in dit geval als ingangsdatum van een eventuele wijziging van de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepalen op de datum waarop de wijziging van omstandigheden is ingetreden die voor de onderhouds-verplichting bepalend is. Zoals hiervoor is overwogen betreft deze wijziging van omstandig-heden het gegeven dat de moeder een geregistreerd partnerschap is aangegaan met de heer [naam 2] , waardoor deze als stiefouder van de kinderen in beginsel mede onderhoudsplichtig was gedurende de periode dat hij met de moeder een geregistreerd partnerschap had en zij een gezin vormden. Daarvan uitgaande is de wijziging van omstandigheden derhalve ingetreden op het moment waarop de moeder en de heer [naam 2] tijdens hun geregistreerd partnerschap een gezin gingen vormen c.q. gingen samenwonen. De rechtbank stelt vast dat de ouders van mening verschillen over de datum waarop dit moment heeft plaatsgevonden. De moeder stelt in dat verband dat zij met de heer [naam 2] heeft samengewoond van 13 mei 2024 tot het moment waarop hij in juni 2025 bij zijn ouders is gaan wonen, waarna hij zich per 15 augustus 2025 heeft uitgeschreven van het adres van de woning van de moeder. De vader daarentegen stelt zich op het standpunt dat de moeder al voor haar geregistreerd partnerschap feitelijk samenwoonde met de heer [naam 2] . Wat hier ook van zij, de rechtbank stelt vast dat zowel de moeder als de vader verzuimt om diens stellingen nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan zal de rechtbank voor wat betreft de ingangsdatum in redelijkheid aansluiting zoeken bij de door de moeder als productie 13 overgelegde aangifte inkomstenbelasting van de heer [naam 2] van 2024, waarin wordt vermeld dat hij per 1 mei 2024 stond ingeschreven op hetzelfde adres als de moeder.
Eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen
4.23.
De rechtbank stelt vast dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen c.q. de behoefte van de drie kinderen door de ouders is vastgesteld in het ouderschapsplan op een totaalbedrag van € 936,00 per maand. Geïndexeerd van 2022 naar 2024 bedraagt het eigen aandeel in de kosten van de drie kinderen dan € 1.027,82 per maand.
4.24.
Voor zover de moeder zich op het standpunt stelt dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw moet worden bepaald omdat aan de zijde van de vader uitgegaan moet worden van een fictief inkomen dat hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk van de ouders, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij overweegt de rechtbank dat indien en voor zover al uitgegaan zou worden van een hoger fictief inkomen, dit niet tot gevolg heeft dat er aan de zijde van de vader dan navenant sprake is van een verhoging van zijn inkomen waarover hij daadwerkelijk kan beschikken. In zoverre kan er dan ook geen sprake zijn van daadwerkelijke verhoging van zijn inkomen die een positieve invloed heeft op het bedrag dat door de vader voor de kinderen zou zijn uitgegeven en op de mate van welstand die de kinderen zouden hebben ervaren.
4.25.
Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank uitgaan van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen zoals deze door de ouders is vastgesteld in het ouderschapsplan, zijnde geïndexeerd naar 2024 een bedrag van afgerond € 1.028,00 per maand, oftewel afgerond € 343,00 per kind.
4.26.
Zoals hiervoor al is vermeld, is [jongmeerderjarige] kort na de mondelinge behandeling, namelijk op
[geboortedag 1] 2026, (jong)meerderjarig geworden. Hoewel tussen de ouders als zodanig niet in geschil is dat zij vanaf dat moment verplicht zijn om te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud en studie, stelt de rechtbank vast dat de ouders zich niet nader hebben uitgelaten met betrekking tot de omvang van de behoefte [jongmeerderjarige] als jongmeerderjarige. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank er in redelijkheid van uit dat de behoefte van [jongmeerderjarige] vanaf het moment dat hij (jong)meerderjarig is geworden, niet is gewijzigd en derhalve onverminderd gelijk is gebleven aan de behoefte van de minderjarige [minderjarige 1] en de minderjarige [minderjarige 2] .
Draagkracht vader
4.27.
De ouders verschillen van mening over de vraag van welk inkomen uitgegaan moet worden bij het bepalen van de draagkracht c.q. het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader.
4.28.
De vader stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van het gemiddelde van de resultaten die hij met zijn onderneming heeft behaald over de jaren 2023 tot en 2025, zijnde een bedrag van € 57.127,00 bruto per jaar. Daarbij verwijst de vader naar de door hem overgelegde jaarstukken 2023 en 2024 (producties 14 en 15) en het Tussentijds Rapport over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 oktober 2025 (productie 16).
4.29.
De moeder op haar beurt betwist dit standpunt van de vader. Volgens de moeder moet – zo begrijpt de rechtbank – aan de zijde van de vader fictief uitgegaan worden van een hoger inkomen. Daarbij stelt de moeder dat voor een zeer ervaren tegelzetter zoals de vader, uitgegaan kan worden van een uurtarief van € 55,00 bruto per uur, waarbij zij verwijst naar de door haar als productie 6 overgelegde uitdraai van gebruikelijke uurlonen voor tegelzetters die zij op internet heeft gevonden. Uitgaande van dat uurtarief en een werkdag van 8 uur, bedraagt de bruto dagomzet van de vader dan € 440,00, hetgeen neerkomt op € 9.750,00 per maand en op € 114.840,00 per jaar. Nu de vader zelf stelt dat hij een bedrag van € 4.472,00 per jaar aan zakelijke kosten heeft, kan het bedrijfsresultaat waarvan uitgegaan moet worden bij het bepalen van zijn draagkracht volgens de moeder worden vastgesteld op (€ 114.840,00 -/-
€ 4.472,00 =) € 110.368,00 bruto per jaar.
4.30.
Gelet op het gemotiveerde verweer van de moeder, heeft de rechtbank de vader tijdens de mondelinge behandeling verzocht om toe te lichten wat de aard en omvang van zijn dagelijkse werkzaamheden als tegelzetter zijn alsook hoe en tegen welk tarief hij die werkzaamheden declareert. De vader antwoordt daarop dat het afhankelijk is van het soort project c.q. tegelwerk of hij zijn werkzaamheden verricht op basis van de daadwerkelijk gewerkte uren tegen een bepaald uurtarief dan wel op basis van een vooraf geoffreerde totaalprijs op basis van een bepaald tarief per vierkante meter tegelwerk. De verhouding tussen de beide werkzaamheden is volgens de vader ongeveer gelijk (50% - 50%). Wel verschilt het uurloon per project, in die zin dat hij voor de verschillende aannemers waarvoor hij werkt
€ 47,50 bruto per uur telt en voor particulieren € 50,00 bruto per uur. Verder merkt de vader nog op dat hij vijf dagen per week werkt en dat hij meestal rond 8.00 uur bij de klant begint – soms iets eerder en soms iets later, afhankelijk van de afstand – en dat hij probeert om om 17.00 uur weer thuis te zijn. Daarbij stelt de vader dat hij werkzaamheden tot Eindhoven aanneemt en ongeveer 30 minuten tot 1 uur reistijd per dag heeft. Vanwege deze reistijd is de vader naar eigen dan ook niet gedurende acht uren per dag productief en kan hij derhalve ook niet acht uur per dag declareren. Bovendien gaat volgens de vader van zijn omzet ook nog kosten af.
4.31.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de informatie die vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verstrekt en die moeder als zodanig niet heeft weersproken, begrijpt de rechtbank dat de omzet die de vader genereert door middel van de werkzaamheden die hij verricht op basis van de daadwerkelijk gewerkte uren tegen een bepaald uurtarief, (ongeveer) gelijk is aan de omzet die hij genereert door de werkzaamheden op basis van een vooraf geoffreerde totaalprijs op basis van een bepaald tarief per vierkante meter tegelwerk. Daarbij begrijpt de rechtbank dat de vader zijn werkzaamheden gedurende vijf dagen per week verricht tegen een uurtarief van gemiddeld € 48,75 per uur en dat hij – uitgaande van een reistijd van maximaal een uur per dag zoals de vader zelf stelt en daarbij in redelijkheid rekening houdend met een totale tijd aan pauze van een uur – in redelijkheid zeven declarabele uren kan maken per dag. Op basis van deze uitgangpunten en uitgaande van 46 declarabele werkweken per jaar, is de rechtbank van oordeel dat de totale netto jaaromzet van de onderneming van de vader grosso modo kan worden becijferd door het totaal aantal declarabele uren per week (5 dagen x 7 uur = 35 uur) te vermenigvuldigen met het totaal aantal declarabele werkweken in een jaar (46 weken) en met het genoemde uurtarief van
€ 48,75, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 78.488,00.
4.32.
Zoals gezegd betreft laatstgenoemd bedrag de totale netto jaaromzet. Om van daaruit te komen tot het resultaat, zullen de inkoopkosten en bedrijfskosten van de onderneming daarop nog in mindering moeten strekken. De moeder stelt in dat verband dat – zo begrijpt de rechtbank – die kosten naar eigen zeggen van de vader gesteld kunnen worden op een totaal bedrag van € 4.472,00 per jaar. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank de moeder niet volgen in dit standpunt. Daarbij betrekt de rechtbank dat indien en voor zover het totaal van de ‘inkoopwaarde van de omzet’, de ‘som der kosten’ en de ‘som der financiële baten en lasten’ zoals vermeld in ‘Resultaatvergelijking’ die is opgenomen in de door de vader overgelegde jaarrekeningen 2022 tot en met 2024, wordt afgezet tegen de daar vermelde ‘Netto-omzet’, dat dan blijkt het bedrijfsresultaat in 2022 78,3% van de netto-omzet bedroeg, in 2023 80,1% en in 2024 77,0%, oftewel gemiddeld 78,5 %. Uitgaande van laatgenoemd percentage zou bij een (fictieve) netto jaaromzet van € 78.488,00 sprake zijn van een resultaat van afgerond € 61.613,00 per jaar.
4.33.
De rechtbank stelt vast dat laatstgenoemd resultaat van € 61.633,00 per jaar zoals becijferd op basis van de onder 4.31. en 4.32. genoemde uitgangspunten, in lijn is met het gemiddelde van de resultaten over de jaren 2023 tot en 2025 zoals vermeld in de door de vader overgelegde jaarrekeningen en voorlopige cijfers over die jaren, zijnde een bedrag van
€ 57.127,00 per jaar en daarbij nagenoeg gelijk is aan het begrote resultaat in 2025
(€ 61.207,00). Gelet daarop ziet de rechtbank, anders dan de moeder, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de door vader overgelegde jaarstukken dan wel om uit te gaan van een hoger (fictief) resultaat. De rechtbank zal bij het bepalen van het NBI van de vader dan ook uitgaan van een winst uit onderneming van € 57.127,00 per jaar.
4.34.
De vader stelt dat bij het bepalen van zijn NBI ook rekening gehouden moet worden met een bedrag van € 574,61 per maand dat hij aan het UWV gemiddeld genomen betaalt om verzekerd te zijn voor arbeidsongeschiktheid (Ziektewet en WIA). Nu de moeder deze stelling niet heeft weersproken, zal de rechtbank bij het bepalen van het NBI rekening houden met laatstgenoemd bedrag.
4.35.
De vader stelt verder dat bij het bepalen van zijn NBI rekening gehouden moet worden met een bedrag van € 250,00 netto per maand aan (premie voor) pensioenopbouw. Daarbij stelt de vader dat hij als ondernemer van inmiddels bijna 40 jaar oud, tot op heden vanwege financiële redenen helemaal niets aan pensioen heeft opgebouwd. Als gevolg daarvan heeft de vader inmiddels een enorm pensioengat. Dit baart de vader flinke zorgen, temeer nu zijn financieel adviseur hem er regelmatig op wijst dat het onverantwoord is. De vader is dan ook van mening dat net als bij werknemers in loondienst, bij hem rekening gehouden moet worden met een redelijk bedrag aan pensioenopbouw.
4.36.
De moeder voert ter zake verweer en zij stelt zich op het standpunt dat geen rekening gehouden moet worden met het door de vader gestelde bedrag voor pensioenopbouw, aangezien hij in het verleden ook nooit pensioen heeft opgebouwd en hij nu feitelijk daarvoor ook niet betaalt. Bovendien gaat het voldoen van kinderalimentatie volgens de moeder voor op de (mogelijkheid om) pensioen op te bouwen.
4.37.
De rechtbank volgt de moeder in haar verweer. De vader stelt weliswaar dat rekening gehouden moet worden met een reservering van € 250,00 netto per maand voor zijn pensioen omdat hij een enorm pensioengat heeft, maar op grond van de overgelegde stukken is niet gebleken dat de vader inmiddels daadwerkelijk uitgaven doet om pensioen op te bouwen, noch dat hij inmiddels concrete stappen heeft gezet om daarmee te beginnen. Naar het oordeel van de rechtbank had dit laatste, bezien tegen de achtergrond van de flinke zorgen die de vader naar eigen zeggen heeft over het enorme pensioengat dat hij heeft, in ieder geval op de weg van de vader gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van offertes van pensioenverzekeraars en/of banken. Gelet hierop dient de gestelde reservering geen voorrang te hebben boven de zwaarwegende onderhoudsverplichting van de vader jegens de kinderen.
4.38.
Uitgaande van voormelde inkomensgegevens en rekening houdend met de voor de vader geldende fiscale heffingskortingen (de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) en de fiscale ondernemersfaciliteiten waar de vader voor in aanmerking komt (Zelfstandigen-aftrek en MKB Winstvrijstelling), becijfert de rechtbank het NBI van de vader op € 40.022,00 per jaar, oftewel € 3.335,00 per maand. Daarbij gaat de rechtbank uit van de tarieven 2024-1, gelet op de ingangsdatum.
4.39.
Uitgaande van de ingangsdatum, wordt het bedrag aan draagkracht volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Rapport Alimentatienormen van 2024, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)], waarbij (0,3 x NBI + 1.270) het draagkrachtloos inkomen betreft. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het NBI als forfaitair woonbudget vermeerderd met een bedrag van € 1.270,00 aan overige lasten en dat van het bedrag dat van het NBI resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
4.40.
De vader stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met – kort gezegd – aflossingen en rentebetalingen die hij voldoet op een schuld aan de belastingdienst. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of, en zo ja tot welk bedrag, de vader in beginsel gehouden zou zijn om vanaf de ingangsdatum bij te dragen in de kosten van de kinderen, indien en voor zover daarbij geen rekening gehouden wordt met de gestelde belastingschuld. Daarna zal de rechtbank bezien of en zo ja in hoeverre (alsnog) rekening gehouden moet worden met de door de vader gestelde belastingschuld.
4.41.
Uitgaande van voormeld NBI bedraagt de draagkracht van de vader 70% van
[€ 3.335,00 - (0,3 x € 3.335,00 + 1.270)] = € 746,00 per maand. De rechtbank verwijst naar de berekening in bijlage 1 bij deze beschikking.
Draagkracht moeder
4.42.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling, stelt de rechtbank vast dat tussen de ouders als zodanig niet in geschil is dat bij het bepalen van de draagkracht c.q. het NBI van de moeder uitgegaan moet worden van de WIA-uitkering die zij van het UWV ontvangt.
4.43.
Tegen die achtergrond stelt de rechtbank verder vast dat de vader als productie 12 een berekening heeft overgelegd van de draagkracht van de moeder, waarin hij uitgaat van WIA-uitkering van € 22.800,00 per jaar, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Naar de rechtbank begrijpt, baseert de vader zich daarbij op de door de moeder als productie 8 overgelegde betaalspecificaties van het UWV met betrekking tot enkele maanden in 2025, waaruit volgt dat de moeder een WIA-uitkering ontvangt van € 1.900,95 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantieslag. Nu de moeder deze inkomensgegevens niet heeft weersproken, zal de rechtbank daarvan uitgaan bij het becijferen van het NBI van de moeder.
4.44.
Nu de kinderen in de periode vanaf de ingangsdatum hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en zij bovendien bij haar staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen, dient bij het bepalen van de draagkracht van de moeder verder rekening gehouden te worden met het kindgebonden budget (kgb) waar zij vanaf de ingangsdatum aanspraak op kan maken ten behoeve van haar minderjarige kinderen. Daarvan uitgaande had het op de weg van de moeder gelegen om zoveel als mogelijk definitieve berekeningen van de belastingdienst over te leggen waaruit blijkt hoeveel kgb zij definitief over de periode c.q. jaren vanaf de ingangs-datum zou krijgen dan wel om bij gebreke daarvan eigen berekeningen over te leggen waarin de moeder gemotiveerd en onderbouwd met stukken, becijfert tot welk bedrag aan kgb zij in de gegeven persoonlijke en financiële omstandigheden recht zou hebben. De rechtbank stelt echter – in lijn met het verweer van de vader – vast dat de moeder dit heeft verzuimd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de moeder weliswaar als productie 11 een voorschotbeschikking Toeslagen 2025 van 21 maart 2025 heeft overgelegd waarin aan haar een voorschot kgb van
€ 7.233,00 wordt toegekend, maar duidelijk is dat die beschikking is gebaseerd op wijzigingen in de persoonlijke en financiële omstandigheden van de moeder die slechts betrekking hebben op de periode tot en met 2 maart 2025. Met latere wijzigingen in de persoonlijke en financiële omstandigheden van de moeder in dat jaar, zoals bijvoorbeeld het beëindigen van haar geregistreerd partnerschap en samenleving met de heer [naam 2] , is derhalve geen rekening gehouden, hetgeen maakt dat de betreffende voorschotbeschikking geen representatief beeld geeft van het kgb waar de moeder over het jaar 2025 definitief aanspraak op kon maken.
4.45.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank ambtshalve de hoogte van het kgb (en de alleenstaande ouderkop) waar de moeder vanaf de ingangsdatum aanspraak op kan maken becijferen, uitgaande van de gegevens die de rechtbank in redelijkheid ter beschikking staan.
4.46.
Uitgaande van het gegeven dat de moeder en de heer [naam 2] een geregistreerd partnerschap hadden en dat de heer [naam 2] de echtelijke woning in juni 2025 heeft verlaten, gaat de rechtbank bij het ambtshalve becijferen van het kgb waar de moeder aanspraak op kan in redelijkheid ervan uit dat de heer [naam 2] en de moeder gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 toeslagpartners van elkaar waren en dat de moeder vanaf 1 juli 2025 geen toeslagpartner meer heeft. Verder zal de rechtbank bij het ambtshalve becijferen van het kgb rekening houden met het feit dat de moeder vanaf [geboortedag 1] 2026 geen aanspraak meer kan maken op kgb voor [jongmeerderjarige] , aangezien hij op die datum meerderjarig is geworden.
4.47.
Gelet hierop gaat de rechtbank met betrekking tot het becijferen van het kgb waar de moeder voor drie kinderen aanspraak op kan maken gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 uit van een verzamelinkomen van de moeder van € 22.283,00 zoals vermeld in de door de moeder als productie 10 overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2024 van de moeder en van een verzamelinkomen van de heer [naam 2] van € 23.900,00 zoals vermeld in de door de moeder als productie 13 overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2024 van de heer [naam 2] . Dit leidt dan tot een kgb van € 685,00 per maand oftewel € 8.220,00 per jaar waar de moeder voor drie kinderen aanspraak op kon maken (proefberekening Belastingdienst jaar 2024).
4.48.
Voor wat betreft de periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026 gaat de rechtbank met betrekking tot het becijferen van het kgb waar de moeder voor de drie kinderen aanspraak op kan maken uit van het voormeld inkomen van de moeder en houdt daarbij rekening met de volgende gegevens zoals vermeld in voormelde aangifte inkomstenbelasting 2024 van de moeder:
  • een WOZ-waarde van de eigen woning van de moeder van € 224.000,00;
  • een bedrag van € 10.307,00 aan betaalde rente op de hypothecaire geldlening die aan de eigen woning is verbonden.
Op basis van deze gegevens bedraagt het verzamelinkomen van de moeder € 15.101,00 per jaar, hetgeen leidt tot een kgb van € 12.552,00 per jaar oftewel € 1.046,00 afgerond per maand (proefberekening Belastingdienst jaar 2025).
4.49.
Voor wat betreft de periode vanaf [geboortedag 1] 2026 gaat de rechtbank met betrekking tot het becijferen van het kgb waar de moeder voor (nog) twee kinderen aanspraak op kan maken eveneens uit van een verzamelinkomen van € 15.101,00 per jaar, hetgeen leidt tot een kgb van € 9.400,00 per jaar oftewel € 783,00 afgerond per maand (proefberekening Belastingdienst jaar 2026).
4.50.
Uitgaande van voormelde (inkomens)gegevens en rekening houdend met de voor de moeder geldende fiscale heffingskortingen (de algemene heffingskorting), becijfert de rechtbank het NBI van de moeder gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 op
€ 27.103,00 per jaar, oftewel € 2.259,00 afgerond per maand en voor de periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026, op € 31.435,00 per jaar, oftewel € 2.620,00 per maand en vanaf
[geboortedag 1] 2026 op € 28.283,00 per jaar oftewel € 2.357,00 per maand. Daarbij gaat de rechtbank voor alle periodes uit van de tarieven 2024-1, gelet op de ingangsdatum.
4.51.
Uit de voormelde draagkrachtformule volgt dat er in beginsel vanuit wordt gegaan dat iemand 30% van zijn NBI aan woonlasten mag uitgeven. Dit betreft het zogenaamde woon-budget. Zoals hierna onder 4.55. echter wordt overwogen, zal de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de moeder slechts rekening houden met de helft van het woonbudget gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025.
4.52.
De moeder stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van haar draagkracht rekening gehouden moet worden met een bedrag van € 70,00 per maand aan benzinekosten en met een bedrag van € 60,00 per maand aan contributiekosten, omdat [minderjarige 1] op hoog niveau danst en deelneemt aan wedstijden en later van haar hobby haar beroep wil maken. De rechtbank volgt de moeder niet in dit standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ouders met betrekking de kosten die verband houden met het dansen van [minderjarige 1] , in artikel 7.5. van het ouderschapsplan aanvullende afspraken hebben gemaakt die naast de afspraken met betrekking tot de kinderalimentatie staan. Het ligt dan ook de weg van de ouders om op basis van die aanvullende afspraken, in onderling overleg te bezien hoe de betreffende kosten die verband houden met het dansen van [minderjarige 1] , tussen hen beiden verdeeld moeten worden.
4.53.
De moeder stelt zich verder nog op het standpunt dat bij het bepalen van haar draagkracht rekening gehouden moet worden met – kort gezegd – aflossingen die zij voldoet op een schuld die zij gezamenlijk met de heer [naam 2] heeft aan [bedrijf] . De rechtbank zal deze door de moeder gestelde schuld betrekken bij de beoordeling van de onder 4.40. vermelde vraag of en zo ja in hoeverre (alsnog) rekening gehouden moet worden met de door de vader gestelde belastingschuld.
4.54.
Uitgaande van voormelde NBI’s en uitgangspunten bedraagt de draagkracht van de moeder gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 70% van [€ 2.259,00 - (0,15 x
€ 2.259,00 + 1.270)] = € 455,00 afgerond per maand, gedurende de periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026 70% van [€ 2.620,00 - (0,3 x € 2.620,00 + 1.270)] = € 395,00 afgerond per maand en vanaf [geboortedag 1] 2026 70% van [€ 2.357,00 - (0,3 x € 2.357,00 + 1.270)] = € 266,00 afgerond per maand. De rechtbank verwijst naar de berekening in bijlages 2 tot en met 4 bij deze beschikking.
Draagkracht (ex-)partner van de moeder
4.55.
De rechtbank stelt vast dat de ouders als zodanig van mening verschillen over de vraag of de heer [naam 2] als stiefouder van de kinderen al dan niet verplicht is geweest om gedurende zijn geregistreerd partnerschap met moeder, bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van de ouders, die destijds tot zijn gezin behoorden. Wat daar ook van zij, op grond van de stellingen van de vader stelt de rechtbank vast dat hij zich weliswaar op het standpunt stelt dat de heer [naam 2] als stiefvader inderdaad onderhoudsplichtig is geweest voor de kinderen van de ouders, maar dat hij tegelijk erop wijst dat hij niet over voldoende financiële gegevens van de heer [naam 2] beschikt om diens draagkracht c.q. aandeel in de kosten van de kinderen te becijferen. De vader stelt zich daarom op het standpunt dat het in dat geval redelijk is om gedurende – zo begrijpt de rechtbank – de periode dat de moeder en de heer [naam 2] een geregistreerd partnerschap hadden en zij met de kinderen een gezin vormden, slechts rekening te houden met de helft van het woonbudget aan de zijde van de moeder omdat zij in deze periode haar woonlasten kon delen met de heer [naam 2] . Nu de moeder dit (nader) standpunt als zodanig niet heeft weersproken en de rechtbank dit in de gegeven omstandigheden bovendien redelijk acht, zal de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de moeder rekening houden met de helft van het woonbudget gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025.
Draagkrachtvergelijkingen
- Periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025
4.56.
Zoals hiervoor overwogen bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen € 1.028,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de ouders bedraagt (€ 746,00 + € 455,00 =) € 1.201,00 per maand. De ouders hebben derhalve voldoende draagkracht om volledig in het eigen aandeel van de kinderen te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking dient te worden gemaakt.
4.57.
Het aandeel van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt in dat geval [(€ 746,00 / € 1.201,00) x € 1.028,00 = ] € 639,00 afgerond per maand.
- Periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026
4.58.
Zoals hiervoor overwogen bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen € 1.028,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de ouders bedraagt (€ 746,00 + € 395,00 =) € 1.141,00 per maand. De ouders hebben derhalve voldoende draagkracht om volledig in het eigen aandeel van de kinderen te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking dient te worden gemaakt.
4.59.
Het aandeel van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt in dat geval [(€ 746,00 / € 1.141,00) x € 1.028,00 = ] € 672,00 afgerond per maand.
- Periode vanaf [geboortedag 1] 2026
4.60.
Zoals hiervoor overwogen bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen € 1.028,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de ouders bedraagt (€ 746,00 + € 266,00 =) € 1.012,00 per maand. Nu de totale beschikbare draagkracht van de ouders lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven en wordt de bijdrage van de onderhouds-plichtige ouder, zijnde de vader, beperkt tot diens draagkracht, in dit geval € 746,00 per maand.
Zorgkorting
4.61.
Gelet op verdeling van zorg- en opvoedingstaken die door de ouders is afgesproken in het ouderschapsplan en die op grond van de onderhavige beschikking in de kern niet zal wijzigen wat betreft de omvang daarvan, gaat de rechtbank aan de zijde van de vader uit van een zorgkorting van 15%. Daarbij betrekt de rechtbank dat dit percentage in lijn is met het percentage dat vader zelf hanteert in de door hem als productie 13 overgelegde berekening.
4.62.
Uitgaande van voormeld eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen van € 1.028,00 per maand, bedraagt de zorgkorting afgerond € 155,00 per maand.
4.63.
Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders tijdens de periode van 1 mei 2024 tot
1 juli 2025 en gedurende de periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026 voldoende is om in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen te voorzien, kan de vader zijn zorgkorting tijdens die periodes volledig verzilveren.
4.64.
Gelet daarop bedraagt het aandeel van de vader in de kosten van de drie kinderen in de periode van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 (€ 639,00 -/- € 155,00 =) € 484,00 per maand en gedurende de periode van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026 (€ 672,00 -/- € 155,00 =) € 517,00 per maand.
4.65.
Vanaf [geboortedag 1] 2026 is de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende om volledig in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom conform de aanbeveling ter zake in het Rapport Expertgroep Alimentatienormen het tekort aan draagkracht van (€ 1.028,00 -/- € 1.012,00 =) € 16,00 per maand gelijkelijk over de ouders verdelen, derhalve € 8,00 voor ieder van hen. Dit betekent dat de vader een zorgkorting kan verzilveren van (€ 155,00 -/- € 8,00 =) € 147,00 per maand.
4.66.
Na aftrek van de te verzilveren zorgkorting becijfert de rechtbank de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van de drie kinderen op (€ 746,00 -/- € 147,00 =) € 599,00 per maand.
Tussenconclusie
4.67.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de vader in beginsel gehouden en in staat om:
  • met ingang van 1 mei 2024 tot 1 juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen te voldoen van (€ 484,00 : 3 =) afgerond € 161,00 per kind per maand;
  • met ingang van 1 juli 2025 tot [geboortedag 1] 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen te voldoen van (€ 517,00 : 3 =) afgerond € 172,00 per kind per maand;
  • met ingang van [geboortedag 1] 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een bijdrage in de kosten levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] te voldoen van (€ 599,00 : 3 =) afgerond € 200,00 per kind per maand.
Schuld vader bij de belastingdienst en schuld moeder aan de bouwadviseur
4.68.
De vader stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met – kort gezegd – aflossingen en rentebetalingen die hij voldoet op een schuld aan de belastingdienst. Daarbij verwijst de vader naar het door hem als productie 23 overgelegde brief van de belastingdienst van 2 oktober 2025 waaruit volgt dat hij op dat moment een schuld aan de belastingdienst heeft van € 14.519,80 waarvoor hij een betalings-regeling heeft getroffen, inhoudende dat hij deze schuld in de periode van 31 oktober 2025 tot 30 september 2026 in 12 maandelijkse termijnen van € 1.211,00 volledig moet hebben voldaan. Rekening houdend met deze betalingsverplichting van € 1.211,00 per maand heeft de vader naar eigen zeggen in de betreffende periode geen enkele draagkracht om maar enig bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder te voldoen.
4.69.
De rechtbank volgt de vader in zijn standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad alle schulden van de onderhoudsplichtige waarop moet worden afgelost in beginsel in aanmerking moeten worden genomen bij de becijfering van de draagkracht. Uitgaande van voormeld termijnbedrag van € 1.211,00 per maand, is naar het oordeel van de rechtbank evident dat de vader tijdelijk, dat wil zeggen gedurende de periode waarin hij aflost op de betreffende belastingschuld, geen draagkracht heeft c.q. zal hebben om een bedrag aan kinderalimentatie te betalen aan de moeder. Gelet daarop zal de rechtbank de verplichting van de vader tot betaling van de vastgestelde bijdragen schorsen gedurende de periode van 1 november 2025 tot 1 november 2026, waarna deze verplichting weer herleeft. Over de betreffende periode is de vader dan de facto geen bijdrage verschuldigd aan de moeder en de [jongmeerderjarige] .
4.70.
Voor zover de moeder zich op haar beurt op het standpunt stelt dat bij het bepalen van haar draagkracht rekening gehouden moet worden met – kort gezegd – aflossingen die zij voldoet op een schuld die zij gezamenlijk met de heer [naam 2] heeft aan [bedrijf] , volgt de rechtbank de moeder daarin, zij het dat dit dan geen gevolg zal hebben voor de door de vader betalen bijdragen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de door de moeder als productie 17 overgelegde vaststellingsovereenkomst van eind december 2025 volgt dat zij en de heer [naam 2] een betalingsregeling hebben getroffen met [bedrijf] , inhoudende dat de betreffende schuld van € 27.500,00 in de periode van 21 januari 2026 tot en met 21 juni 2026 in termijnen volledig moet zijn voldaan. Nu deze periode volledig overlapt met de voormelde periode waarin de verplichting van de vader tot betaling van de vastgestelde bijdrage zal worden geschorst, is evident dat (het aandeel van de moeder in) de betreffende aflossingen niet van invloed zal zijn op een door de vader te betalen bijdrage.
Verrekening teveel betaalde kinderalimentatie
4.71.
Zoals hiervoor overwogen, zal de rechtbank – in lijn met het zelfstandig subsidiair verzoek 3. van de vader zoals hiervoor vermeld onder 3.2. – de verplichting van de vader tot betaling van de vastgestelde bijdragen schorsen gedurende de periode van 1 november 2025 tot 1 november 2026, zodat de vader over die periode de facto geen bijdrage aan de moeder en de [jongmeerderjarige] verschuldigd is. De vader kan dan, zoals hij zelf al stelt, zijn inkomen over deze periode volledig aanwenden voor het aflossen van de voormelde belastingschuld. Voor zover de vader daarbij verzoekt om de moeder te veroordelen om de door de vader vanaf 1 november 2025 tot de datum van de onderhavige beschikking aan de moeder betaalde bijdragen in de kosten van de kinderen aan hem terug te betalen, wijst de rechtbank dat verzoek af. Gelet op het consumptief karakter van een onderhoudsbijdrage voor kinderen en jongmeerderjarigen, acht de rechtbank het niet redelijk om de eventueel te veel ontvangen onderhoudsbijdragen door de moeder aan de vader terug te laten betalen, nu deze gelet op het doel waarvoor zij zijn verstrekt geacht worden te zijn verteerd. Dit oordeel geldt eveneens voor zover het verzoek van de vader betrekking heeft op (eventueel) teveel betaalde bijdragen over de periode van 1 mei 2024 tot 1 november 2025.
Indexatie
4.72.
De rechtbank verwijst tot slot nog naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165). Hieruit volgt dat artikel 1:402a BW zo moet worden uitgelegd dat de daarin voorziene jaarlijkse indexering van een bedrag aan kinderalimentatie betrekking heeft op de periode die is gelegen ná de uitspraak waarbij het bedrag aan kinder-alimentatie is gewijzigd. Dit is ook het geval als de rechter de kinderalimentatie wijzigt met ingang van een datum die is gelegen vóór de uitspraak. Er is in dit geval dus geen sprake van indexering van de alimentatiebedragen met ingang van 1 januari 2025 en 1 januari 2026.
Daarbij overweegt de rechtbank dat met de onderhavige herberekening van de bijdragen die de vader vanaf 1 mei 2024 verschuldigd is aan de moeder en de [jongmeerderjarige] , de onderhoudsverplichting van de vader jegens alle drie de kinderen is geconsolideerd, zodat de wettelijk indexering eerst aan de orde zal zijn per 1 januari 2027.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.73.
Een doorkruising van de thans vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties, van het contact tussen de kinderen en de grootvader (vaderszijde) en van de door vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. van levensonderhoud en studie van de kinderen, acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen, die gebaat zijn bij zijn bij voorspelbaarheid, continuïteit en stabiliteit wat betreft deze onderwerpen. Gelet hierop zal de rechtbank deze beschikking dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijzig de beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2022 (C/03/308019 / FA RK 22-2953) en het door beide ouders op 28 juli 2022 ondertekende ouderschapsplan (inclusief bijlagen/producties) dat als bijlage 1 is opgenomen in het echtscheidingsconvenant dat door de ouders op 28 juli 2022 is ondertekend en dat deel uitmaakt van die beschikking door aanhechting daaraan, en bepaalt:.
Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties:
  • dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren gedurende de eerste drie aaneengesloten volledige weken van de zomervakantie bij de vader zullen verblijven en dat zij in de daaropvolgende drie aaneengesloten volledige weken bij de moeder zullen verblijven;
  • dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren gedurende de eerste drie aaneengesloten volledige weken van de zomervakantie bij de moeder zullen verblijven en dat zij in de daaropvolgende drie aaneengesloten volledige weken bij de vader zullen verblijven;
  • dat de ouders de kerstvakanties in goed onderling overleg bij helfte dienen te verdelen, waarbij geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van kerstavond tot en met het avondeten op eerste kerstdag bij de vader verblijven, waarna de kinderen na het avondeten, vanaf 19.00 uur bij de moeder verblijven tot en met het avondeten op nieuwjaardag, waarna de kinderen na het avondeten, vanaf 19.00 uur voor de resterende dagen van de kerstvakantie naar de vader gaan;
  • dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren tijdens de carnavalsvakantie bij de moeder verblijven en in de oneven jaren bij de vader;
  • dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren tijdens de herfstvakantie bij de vader verblijven en in de oneven jaren bij de moeder;
  • dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren tijdens de eerste week van de meivakantie bij de moeder verblijven en tijdens de tweede week bij de vader, en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren tijdens de eerste week van de meivakantie bij de vader verblijven en tijdens de tweede week bij de moeder;
  • dat de afspraak tussen de ouders zoals verwoord in artikel 6.3 van het ouderschapsplan vervalt;
  • het bedrag dat de vader aan de moeder moet betalen ter zake de verzorging en opvoeding van de minderjarige [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nader op:
  • het bedrag dat de vader aan de moeder moet betalen ter zake de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nader op:
  • het bedrag dat de vader aan de [jongmeerderjarige] moet betalen ter zake zijn kosten van levensonderhoud en studie nader op:
5.2.
schorst de verplichting van de vader tot betaling van de onder 5.1 vastgestelde bijdragen aan de moeder respectievelijk aan de [jongmeerderjarige] gedurende de periode van 1 november 2025 tot 1 november 2026, waarna deze verplichting weer herleeft;
5.3.
bepaalt dat de moeder, voor zover zij in de periode vanaf 1 mei 2024 tot aan de datum van deze beschikking teveel aan kinderbijdragen heeft ontvangen, zij dit niet terug hoeft te betalen aan de vader;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 4 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4