ECLI:NL:RBLIM:2026:4534

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
11930194 CV EXPL 25-4479
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 7:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op betaling wegens onduidelijke opdracht en niet geleverde visumdiensten voor buitenlandse student

De zaak betreft een geschil tussen een bedrijf dat inschrijvingen voor buitenlandse studenten regelt en een opdrachtgever die betaling terugvordert wegens niet geleverde diensten. De opdrachtgever had de dienstverlener opdracht gegeven om zijn echtgenote in te schrijven voor een masteropleiding in Nederland, waarbij onduidelijkheid bestond over de exacte inhoud van de opdracht, met name of ook het visum geregeld zou worden.

De dienstverlener heeft meerdere inschrijvingen voor bachelor- en masteropleidingen en een korte cursus verzorgd, maar het resultaat van daadwerkelijke toegang tot een masteropleiding en het verkrijgen van een visum is uitgebleven. De kantonrechter stelt vast dat de afspraken over de opdracht en de vergoeding onvoldoende zijn vastgelegd en dat de dienstverlener als professional de gevolgen van deze onduidelijkheid moet dragen.

De rechtbank volgt het standpunt van de opdrachtgever dat sprake is van een resultaatsverplichting die niet is nagekomen, waardoor de dienstverlener het betaalde bedrag van € 3.452,46 moet terugbetalen met wettelijke rente. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering van de dienstverlener tot betaling van een eindfactuur wordt afgewezen wegens gebrek aan duidelijkheid over de afspraken. De dienstverlener wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De dienstverlener moet het betaalde bedrag van € 3.452,46 terugbetalen met wettelijke rente en de proceskosten dragen wegens niet nagekomen resultaatsverplichting.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11930194 \ CV EXPL 25-4479
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[opdrachtgever 1] ,

te [plaats] ,
2.
[opdrachtgever 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [opdrachtgevers] ,
gemachtigde: mr. T.O. Sohansingh,
tegen
[dienstverlener] B.V.,
te Venray,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [dienstverlener] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met 19 producties
- de brief van 14 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bevolen
- de akte van [dienstverlener] waarbij productie 20 is ingediend
- de conclusie van antwoord in reconventie van [opdrachtgevers]
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten in conventie en reconventie

2.1.
[dienstverlener] is een in Nederland gevestigd bedrijf dat (onder meer) voor buitenlandse studenten die in Nederland een master- en of bachelorstudie of korte cursus willen volgen, de aanmelding daarvoor regelt.
2.2.
Eiseres sub 2 (hierna te noemen: [opdrachtgever 2] ) is in het bezit van een bachelordiploma pharmacie, behaald in Nigeria. Haar in Nederland verblijvende echtgenoot (eiser sub 1) heeft zich tot [dienstverlener] gewend om [opdrachtgever 2] bij een Nederlandse universiteit in te schrijven voor een master.
2.3.
[dienstverlener] heeft vervolgens op of rond 28 november 2023 [opdrachtgevers] via whatsapp documenten gestuurd die nodig waren om [opdrachtgever 2] te kunnen inschrijven voor een opleiding. Een daarvan is een positief behaalde IELTS English test.
2.4.
[opdrachtgevers] heeft aan [dienstverlener] een totaalbedrag van € 3.452,46 betaald, in de navolgende deelbetalingen met de navolgende omschrijving:
- op 29 december 2023 € 402,46 (700.000 Naira), bachelor degree application
- op 28 januari 2024: € 1.000,00, school fee
- op 29 januari 2024 : € 1.000,00, school fee
- op 1 februari 2024 € 450,00, (geen omschrijving)
- op 7 februari 2024: € 600,00 legal fee.
2.5.
[dienstverlener] heeft [opdrachtgever 2] onder andere aangemeld voor de bachelor levenswetenschappen (HAN Hogeschool), bachelor technologie en geesteswetenschappen (universiteit Twente), bachelor creatieve bedrijfskunde (Hogeschool Utrecht) en bachelor international bedrijfskunde (Zuyd Hogeschool).
2.6.
[dienstverlener] heeft [opdrachtgever 2] ook ingeschreven voor de cursus “executive programme woman entrepreneurships policy” die van 3 tot en met 7 juni 2024 georganiseerd werd door Maastricht School of Management (MSM).
Op 16 mei 2024 heeft MSM het bedrag van € 1.450,00 aan [dienstverlener] terugbetaald in verband met de annulering van deze korte cursus.
2.7.
Bij brief van zijn gemachtigde d.d. 15 augustus 2024 heeft [opdrachtgevers] [dienstverlener] gesommeerd het door hem betaalde totaalbedrag van € 3.452,46 terug te betalen wegens misleidende informatie en afspraken en niet geleverde diensten.
2.8.
Bij e-mail van 2 september 2024 heeft [dienstverlener] hierop gereageerd.
2.9.
Volgens haar eindfactuur d.d. 16 december 2025 heeft [dienstverlener] een bedrag van
€ 5.289,00 tegoed van [opdrachtgevers]
2.10.
In zijn brief van 17 januari 2025 heeft de gemachtigde van [opdrachtgevers] [dienstverlener] gesommeerd het bedrag van € 3.452,46 te betalen binnen 14 dagen.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
In conventie vordert [opdrachtgevers] (samengevat) voor recht te verklaren dat [dienstverlener] gehouden is om het door Ubach c.s. onverschuldigd betaalde bedrag van € 3.452,46 terug te betalen en haar daartoe te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2025, alsmede [dienstverlener] te veroordelen de door [opdrachtgevers] geleden schade te vergoeden, op te maken bij staat.
3.2.
[dienstverlener] voert verweer in conventie en vordert in reconventie betaling van haar
factuur van € 5.289,00.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
de master
4.1.
Tussen partijen staat vast dat [opdrachtgevers] aan [dienstverlener] de opdracht heeft gegeven om zijn echtgenote [opdrachtgever 2] in te schrijven voor een master-opleiding in Nederland. Partijen zijn het echter niet eens over wat verder nog precies is afgesproken over het regelen van een visum en andere zaken en de vergoeding daarvoor.
[opdrachtgevers] stelt namelijk dat naast die inschrijving van [opdrachtgever 2] bij een master-opleiding, ook afgesproken is dat [dienstverlener] zou regelen dat [opdrachtgever 2] naar Nederland zou kunnen komen, waarvoor [dienstverlener] onder andere ook het benodigde visum zou regelen. Daarnaast is afgesproken dat als dat allemaal niet zou lukken, [dienstverlener] alles zou terugbetalen. Anders vertaald: [opdrachtgevers] stelt dat er sprake is van een resultaatsverbintenis.
[dienstverlener] ontkent dat allemaal: volgens haar zou zij alleen de inschrijvingen bij een master-opleiding regelen en niet meer dan dat. Tot haar diensten behoort niet het regelen van een visum omdat de onderwijsinstelling en de IND daarover gaan. [dienstverlener] is een professionele organisatie en voor de geleverde diensten dient betaald te worden, waarbij het niet uitmaakt of de kandidaat toegelaten wordt tot de universiteit of niet.
4.2.
Duidelijk geworden is dat de door [dienstverlener] gedane inschrijvingen niet tot een daadwerkelijke toegang tot een master opleiding hebben geleid en ook niet tot het verstekken van een visum, zodat gezegd kan worden dat het resultaat dat [opdrachtgevers] voor ogen stond niet is gehaald.
4.3.
De standpunten van partijen zijn tegengesteld en de kantonrechter heeft hierin geen helderheid gekregen, ook niet op de mondelinge behandeling. Een door [opdrachtgevers] ondertekende opdrachtbevestiging aan [dienstverlener] ontbreekt en er zijn ook geen andere stukken in het geding gebracht waaruit afgeleid kan worden wat partijen nu precies hebben afgesproken. [dienstverlener] geeft wel aan dat zij op of rond 28 november 2023 aan [opdrachtgevers] per whats-app allerlei documenten heeft gestuurd die nodig waren om een inschrijving te regelen, maar heeft die whats-app berichten en bijlagen niet in deze procedure overgelegd. Alleen de berichten vanaf 28 december 2023 zijn in deze procedure ingebracht.
Wel is duidelijk geworden dat [opdrachtgevers] vervolgens een aantal van die documenten heeft ingestuurd en dat [dienstverlener] [opdrachtgever 2] heeft ingeschreven in een aantal masters, maar daarmee staat nog steeds niet de exacte inhoud van de afspraken vast.
4.4.
Dat zelfde geldt ook voor de verschuldigde bedragen: [dienstverlener] geeft aan dat zij bij die whats-app een lijst heeft meegezonden met bedragen die zij vroeg voor haar diensten. Zo zou € 3.000,00 betaald moeten worden voor het regelen van een master, € 2.000,00 voor een bachelor en € 1.500,00 voor een korte cursus. Maar ook die lijst is niet in de procedure ingebracht. Weliswaar heeft [opdrachtgevers] bepaalde bedragen betaald aan [dienstverlener] , maar uit de bij die betalingen vermelde omschrijvingen is niet af te leiden dat die bedoeld zijn als vergoeding voor de door [dienstverlener] geleverde diensten. Een instemming van [opdrachtgevers] met de door [dienstverlener] op die lijst kennelijk vermelde bedragen kan daaruit niet zonder meer afgeleid worden.
4.5.
Daarnaast heeft [opdrachtgevers] betoogd dat het de bedoeling was dat er een master kwam die aansloot bij de reeds door [opdrachtgever 2] behaalde bachelor pharmacie en dat de door [dienstverlener] uitgezochte masters geen juiste aansluiting daarop zijn. [dienstverlener] ontkent dat.
4.6.
[dienstverlener] profileert zich als een professionele organisatie die (onder meer) consultancydiensten aanbiedt voor onderwijstoegang aan Nederlandse universiteiten voor buitenlandse studenten. Gelet op die professionaliteit ligt het op haar weg om haar opdrachtgevers (aspirant studenten dus) duidelijkheid te verschaffen over de exacte inhoud van de opdracht, de door haar te verlenen diensten en de betalingsverplichtingen die daaruit voortkomen voor die opdrachtgevers. Indien daarover onduidelijkheden (blijven) bestaan, zoals in casu het geval is, dan dient volgens geldende rechtspraak uitgegaan te worden van de lezing van de consument en komen de gevolgen daarvoor voor rekening van de professional [1] . De kantonrechter gaat dus uit van het standpunt van [opdrachtgevers] dat er een resultaatsverplichting is overeengekomen. Omdat dat resultaat – de inschrijving en het regelen van het verblijf c.q. visum – is uitgebleven, is er dus sprake van een tekortkoming in de nakoming van die gemaakte afspraken.
de bachelor en de korte cursus
4.7.
Ook over de gemaakte afspraken rondom de inschrijvingen voor de bachelor opleiding en korte cursussen heeft de kantonrechter geen duidelijkheid gekregen.
De tussen partijen gemaakte schriftelijke afspraken c.q. gedane aanbiedingen en acceptatie daarvan, en de verschuldigde vergoeding zijn niet in deze procedure overgelegd. Weliswaar is gebleken dat [dienstverlener] inschrijvingen voor bachelors en een korte cursus heeft geregeld [2] maar [opdrachtgevers] heeft uitdrukkelijk betoogd dat er bij die inschrijving ook het verkrijgen van een visum was afgesproken en vast staat dat dat niet door [dienstverlener] is geregeld.
Gelet op de onduidelijke afspraken over en weer, volgt de kantonrechter ook op dit punt de stellingen van [opdrachtgevers]
conclusie
4.8.
Uitgaande van het feit dat [dienstverlener] niet het resultaat heeft geleverd – de inschrijving én het visum – dient [dienstverlener] het door [opdrachtgevers] betaalde bedrag terug te betalen. Zijn daarop gerichte vordering is dan ook toewijsbaar. Nu het betreffende bedrag door [dienstverlener] is erkend zal de kantonrechter haar tot betaling daarvan veroordelen. Omdat de veroordeling tot terugbetaling wordt uitgesproken, heeft [opdrachtgevers] geen afzonderlijk belang bij toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat [dienstverlener] gehouden is tot terugbetaling. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
4.9.
[opdrachtgevers] heeft ook betaling van de wettelijke rente daarover gevorderd vanaf 15 april 2025. Gelet op de sommatie van 17 januari 2025 en de uitgebleven betaling, acht de kantonrechter deze vordering toewijsbaar.
vergoeding van schade
4.10.
[opdrachtgevers] vordert verder om [dienstverlener] te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade als gevolg van de contractuele tekortkoming (in de zin van art. 7:401 BW Pro), onrechtmatige daad (in de zin van art. 6:162 BW Pro) dan wel misleidende informatie-verstrekking, welke schade moet worden opgemaakt bij staat. Volgens [opdrachtgevers] bestaat die schade uit gederfde kansen door een onjuiste begeleiding, reputatieschade bij familieleden door misleidende praktijken, en stress en onzekerheid wegens inadequate dienstverlening. Deze schades heeft [opdrachtgevers] echter in het geheel niet toegelicht en ook het causale verband tussen de tekortkoming door [dienstverlener] en de reputatie bij de familie heeft [opdrachtgevers] niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg ligt. Om die reden dient de hiervoor gevorderde schadevergoeding te worden afgewezen.
4.11.
[opdrachtgevers] stelt verder schade geleden te hebben doordat hij reiskosten naar Cotonou heeft gemaakt voor het aanvragen van een visum terwijl die kosten onnodig waren door verkeerde procedurele informatie.
Voor het verwijzen naar een schadestaatprocedure moet de kantonrechter vaststellen dat het aannemelijk is dat er mogelijk schade is ontstaan. Dat vaststellen kan de kantonrechter in casu niet. [opdrachtgevers] heeft namelijk niet betoogd dat de reiskosten die hij moest maken voor het regelen van een visum, ook onderdeel waren van de gemaakte afspraken. Ook heeft hij niet aangevoerd dat die kosten het gevolg zijn van het niet nakomen van [dienstverlener] van de gemaakte afspraken. Om toegelaten te worden tot de schadestaatprocedure had hij meer stellingen moet aanvoeren en motiveren om in ieder geval duidelijk te maken dat mogelijkerwijs schade is geleden als gevolg van het handelen of nalaten van [dienstverlener] . Nu hij dat niet gedaan heeft, dient de vordering daarvoor te worden afgewezen.
in reconventie
de eindfactuur
4.12.
In reconventie vordert [dienstverlener] betaling van de eindfactuur. Daaruit blijkt dat [dienstverlener] aan [opdrachtgevers] een totaalbedrag van € 8.754,00 in rekening brengt: de kosten voor de aanvraag voor de masteropleiding (€ 3.000,00), bacheloropleiding (€ 2.500,00) en de korte cursus (€ 1.500,00). Ook wordt een bedrag van € 235,00 (400.000 Naira) van aan [opdrachtgevers] betaalde makelaarskosten teruggevraagd en wordt er btw in rekening gebracht over al deze kosten.
Vermeld is verder dat zij een bedrag van € 1.600,00 al heeft ontvangen van [opdrachtgevers] , een bedrag van € 1.450,00 van MSM heeft terugontvangen (dat zij verrekent op deze factuur) en ook een bedrag van 700.000 Naira (omgerekend € 415,00) al heeft ontvangen. Zij vordert betaling van het restant van € 5.289,00.
De factuur is gedateerd op 16 december 2025, de datum waarop [dienstverlener] het antwoord in conventie / eis in reconventie heeft ingediend.
de inhoud van de afspraken
4.13.
Allereerst merkt de kantonrechter op dat hem niet duidelijk is geworden of [dienstverlener] eerder dan in deze procedure die factuur aan [opdrachtgevers] heeft doen toekomen en op welke wijze dat dan gebeurd zou zijn. Maar belangrijker is dat ook hier geldt dat de tussen partijen exacte gemaakte afspraken niet duidelijk zijn geworden.
de master
4.13.1.
Ten aanzien van de aanmelding voor een master-opleiding is hierboven al geoordeeld dat de afspraken niet duidelijk zijn komen vast te staan, zodat daaruit volgt dat [dienstverlener] geen recht heeft op een bedrag daarvoor.
de bachelor
4.13.2.
Met betrekking tot een aanmelding voor een bachelor heeft [opdrachtgevers] betoogd dat daarover niets is afgesproken. [opdrachtgever 2] beschikte immers al over een bachelor.
Daar tegenover heeft [dienstverlener] gesteld dat zij op een gegeven moment uitdrukkelijk opdracht heeft gekregen [opdrachtgever 2] voor een bachelor in te schrijven. Zij heeft daarom [opdrachtgever 2] ingeschreven bij Zuyd Hogeschool. Dat Ubach c.s daarmee heeft ingestemd blijkt volgens [dienstverlener] uit een door [opdrachtgevers] ondertekende machtiging voor het innen van collegegeld daarvan. Deze machtiging en de bijbehorende e-mail van 9 januari 2024 heeft zij ter zitting overgelegd. [opdrachtgevers] heeft erkend dat dat hun handtekeningen zijn, maar daarbij aangevoerd dat zij niet wisten dat het een bachelor betrof en in de veronderstelling verkeerden dat zij tekenden voor een master.
Uit deze overgelegde stukken kan de kantonrechter niet afleiden dat het een inschrijving voor een bachelor betreft. Hoewel de machtiging is opgesteld in de Nederlands én Engelse taal, staat nergens het woord “bachelor” of “master” vermeld. Ook in de begeleidende e-mailberichten is daarover niets vermeld.
Nu dus over het geven van een opdracht voor een bachelor ook geen duidelijkheid is gekomen, dient [dienstverlener] als professional hiervan de gevolgen te dragen en heeft zij geen recht op de door haar genoemde bedragen daarvoor.
de korte cursus
4.13.3.
Dan is er nog de inschrijving voor de korte cursus bij MSM [3] . [dienstverlener] heeft [opdrachtgever 2] daarvoor ingeschreven en het daarvoor betaalde bedrag van € 1.450,00 heeft MSM aan [dienstverlener] terugbetaald toen zij de cursus heeft geannuleerd.
Ook hier geldt dat de exacte afspraak niet duidelijk was. Daarom dient ook hier uitgegaan te worden van het standpunt van [opdrachtgevers] dat [dienstverlener] ook het benodigde visum zou regelen. Omdat zij dat niet heeft gedaan, heeft [dienstverlener] geen recht op betaling van consultancy-fee daarvoor. Het bedrag van € 1.450,00 houdt zij dan ook onterecht onder zich en in conventie wordt zij tot terugbetaling van dat bedrag veroordeeld.
de makelaarskosten
4.14.
Ten aanzien van de gevorderde makelaarskosten van € 235,00 geldt hetzelfde als hierboven is geoordeeld. [dienstverlener] heeft verder niet onderbouwd waarom deze kosten door [opdrachtgevers] voldaan zouden moeten worden, zodat [dienstverlener] daar geen aanspraak op heeft.
conclusie
4.15.
De vordering in reconventie dient geheel te worden afgewezen.
de proceskosten in conventie en reconventie
4.16.
[dienstverlener] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom alle proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de samenhang tussen conventie en reconventie zal het salaris in reconventie op de helft worden gewaardeerd.
De proceskosten van [opdrachtgevers] worden als volgt begroot, waarbij de gevorderde informatiekosten overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 2,95:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
759,00
(3 punten × € 253,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.140,42.

5.De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [dienstverlener] om aan [opdrachtgevers] te betalen een bedrag van € 3.452,46 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf
15 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [dienstverlener] in de proceskosten van € 1.140,42 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [dienstverlener] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 1 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:763
2.Opgesomd in de alineas 2.5, 2.6 en 2.7.
3.Zie 2.6.