Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4428

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
ROE 26/778
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 8:81 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7.17 Besluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor verbouwing en parkeerplaats nabij woning

Verzoeker, woonachtig op circa twintig meter van het project, verzocht om schorsing van de omgevingsvergunning die het college had verleend aan vergunninghoudster voor het verbouwen van een pand tot hotel, het oprichten van een brasserie en het realiseren van een parkeerplaats. Hij vreesde geluidsoverlast en visuele hinder door de parkeerplaats en het terras.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de hinder door sloop- en bouwwerkzaamheden niet in deze procedure aan de orde kon komen, omdat deze werkzaamheden onder het Besluit bouwwerken leefomgeving vallen en handhaving via een aparte procedure moet plaatsvinden. Het college had de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan terecht verleend en voldoende rekening gehouden met het woon- en leefklimaat van verzoeker.

Het akoestisch onderzoek toonde lichte overschrijding van geluidsnormen in het rapport, maar niet van de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bovendien waren aanpassingen in de vergunning opgenomen, zoals het verbod op versterkte muziek en beperkingen in openingstijden. Visuele hinder werd niet als zodanig ingeschat dat een voorlopige voorziening noodzakelijk was.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het college een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt en dat het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening ontbrak. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en voldoende belangenafweging door het college.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/778

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Reijmerstok, verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, het college
(gemachtigde: mr. E.M.G. Haagmans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Brut Ensuite B.V. uit Reijmerstok (vergunninghoudster).

Inleiding

1. Op 25 februari 2026 heeft het college aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het verbouwen van een bestaand pand tot hotel, het oprichten van een brasserie en het realiseren van een parkeerplaats op de locatie nabij [adres] te [plaats] . Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen deze vergunning. Omdat de bouwwerkzaamheden op korte termijn aanvangen, heeft verzoeker hangende dit beroep om een voorlopige voorziening verzocht teneinde de vergunning te laten schorsen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker tezamen met zijn dochter N.A.M. Lacroix, de gemachtigde van het college tezamen met [naam] en [naam] namens vergunninghoudster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Het oordeel van de voorzieningenrechter is voorlopig en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 31 december 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het project. In het bijzonder zijn daarbij de volgende werkzaamheden aangevraagd:
  • Het gebruiken van het bestaande pand [adres] als hotel en het verbouwen van dit pand;
  • Het bouwen en gebruiken van de brasserie in een nieuw te bouwen pand en het in gebruik nemen van het buitenterrein tussen het bestaande pand [adres] en het pand [adres] ten behoeve van een parkeerplaats, waarbij tien parkeervakken worden geprojecteerd, en een terras;
  • Het realiseren van een parkeerplaats naast het bestaande restaurant aan de [adres] .
3. Ten aanzien van het hotel aan de [adres] heeft het college geen vergunning verleend. Volgens het college voldoet een hotel rechtstreeks aan het bestemmingsplan ‘kern [plaats] ’ dat op de adressen van toepassing is en is een omgevingsvergunning dan ook niet nodig.
4. Ten aanzien van de brasserie met parkeerplaatsen en terras heeft het college een vergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het (ver)bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo.
5. Verzoeker is woonachtig aan de [adres] . Hij woont op twintig meter afstand van de projectlocatie waar de brasserie, parkeerplaats en het terras gerealiseerd zullen worden. Hij vreest dat hij overlast zal ervaren van de sloop- en bouwwerkzaamheden en heeft vergunninghoudster verzocht om een tijdelijke geluidsmuur te plaatsen om het geluid tegen te houden. Daarnaast vindt hij dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor zijn woon- en leefklimaat. Het gaat daarbij voornamelijk om geluids- en zichthinder die hij zal ervaren door auto’s op de te realiseren parkeerplaats naast zijn woning en het terras dat achter en naast de brasserie wordt aangelegd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
6.1.
Vergunninghoudster heeft ter zitting aangegeven op korte termijn te willen beginnen met het uitvoeren van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Hoewel deze bouwwerkzaamheden niet onomkeerbaar zijn, wordt over het algemeen wel spoedeisend belang aangenomen wanneer de vergunninghouder niet bereid is te wachten totdat in de hoofdzaak is beslist. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een voldoende spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Partijen hebben dit ook niet betwist.
Hinder door sloop- en bouwwerkzaamheden
7. Op voorhand overweegt de voorzieningenrechter dat, voor zover verzoeker stelt hinder te ervaren als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden die ter hoogte van de [adres] zullen plaatsvinden, dit standpunt in deze procedure niet aan de orde kan komen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de feitelijke werkzaamheden die nodig zijn voor de realisering van het project geen onderdeel vormen van de omgevingsvergunning. De omvang en uitvoering van de sloop- en bouwwerkzaamheden worden bovendien begrensd door hetgeen is bepaald in hoofdstuk 7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat op de werkzaamheden van toepassing is. Zo is in artikel 7.17 van het Bbl bepaald op welke tijdstippen bedrijfsmatige bouw- en sloopwerkzaamheden mogen worden verricht en hoe luid de werkzaamheden gedurende welke periode mogen zijn. Indien verzoeker meent dat de bouwwerkzaamheden de kaders van het Bbl te buiten gaan, zal hij een verzoek om handhaving moeten indienen. De voorzieningenrechter kan en zal zich daarom niet uitlaten over de standpunten van verzoeker ten aanzien van de sloop- en bouwwerkzaamheden en kan daarom ook geen voorziening treffen die het plaatsen van een geluidsmuur, al dan niet tijdelijk, ten behoeve van het voorkomen van geluidsoverlast vanwege de sloop- en bouwwerkzaamheden verplicht.
Toetsingskader
8. Het college heeft zowel het handelen in strijd met het bestemmingsplan als het uitvoeren van bouwwerkzaamheden vergund. Tussen partijen is in geschil of het college bij het verlenen van de vergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan voldoende rekening heeft gehouden met het woon- en leefklimaat van verzoeker.
9. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
10. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo, zoals in dit geval door het college is toegepast, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
10.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [1]
Ten aanzien van de parkeerplaatsen
11. Verzoeker is van mening dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij vindt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom de tien parkeerplaatsen naast zijn woning komen te liggen, en niet aan de overkant van de straat, ter hoogte van de [adres] .
12. Ter zitting heeft het college toegelicht waarom de tien parkeerplaatsen ter hoogte van de [adres] geprojecteerd zijn. Het college stelt dat de gronden waarop de tien parkeerplaatsen gerealiseerd worden de bestemming ‘centrum’ kennen waarop parkeren rechtstreeks is toegestaan als medefunctie. Daar staat tegenover dat op het perceel aan de overzijde van de straat, waar verzoeker op doelt, de bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden’ rust. Het college heeft toegelicht dat op die zijde van de straat al het maximaal aantal parkeerplaatsen staat geprojecteerd en dat het college de voorkeur heeft om de tien parkeerplaatsen niet in het buitengebied, maar in het centrum te laten plaatsen.
13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende duidelijk gemaakt waarom de parkeerplaatsen ter hoogte van de [adres] worden gerealiseerd en niet aan de overzijde van de straat, gelet op de landschappelijke inpassing van de parkeerplaatsen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening op dit onderdeel.
Geluidshinder en visuele hinder
14. Verzoeker heeft verder gesteld dat hij geluidsoverlast zal ervaren als gevolg van de ingebruikname van het terras en de parkeerplaatsen. Het college verwijst naar een akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Hoewel het verwachte geluidsniveau per etmaal (47 dB(A)) hoger is dan de norm waarvan in het rapport is uitgegaan (45 dB(A)), blijft het niveau onder de norm zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (50 dB(A)). Hetzelfde geldt voor het maximaal geluidsniveau. Het verwachte niveau (67 dB(A)) overstijgt de norm (65 dB(A)) zoals omschreven in het rapport, maar niet de norm van het Activiteitenbesluit milieubeheer (70 dB(A)). Het college is daarom van mening dat, hoewel sprake is van een lichte overschrijding van de geluidsnormen in het rapport, dit niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoeker leidt.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker en zijn deze belangen weloverwogen afgezet tegen de geluidsnormen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verzoeker heeft te weinig aangevoerd om in deze procedure tot een andersluidend oordeel te komen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat eerdere bezwaren in de zienswijze van verzoeker hebben geleid tot aanpassingen in de uiteindelijk verleende omgevingsvergunning. Zo is in de omgevingsvergunning opgenomen dat geen versterkte muziek mag worden afgespeeld op het terras en is aan de omgevingsvergunning toegevoegd dat na 20:00 uur geen eten meer in de brasserie mag worden geserveerd. Daarnaast was oorspronkelijk de bedoeling dat achter de brasserie, aan de zijde van de woning van verzoeker, het laden en lossen in de voorraadkelder plaats zou vinden. Inmiddels is het bouwplan zo aangepast dat het laden en lossen aan de straatzijde van de brasserie zal plaatsvinden.
16. Daarnaast vreest verzoeker dat hij visuele hinder zal ervaren als gevolg van het zicht op de geparkeerde auto’s en van de koplampen van de auto’s die van de parkeerplaatsen gebruik zullen maken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat deze visuele hinder niet zodanig is dat hierdoor het treffen van een voorlopige voorziening, in afwachting van de behandeling van de bodemprocedure, noodzakelijk is.
17. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter in dit stadium van de procedure niet ervan overtuigd geraakt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker en dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 6 mei 2026.
De griffier is verhinderd
voorzieningenrechter
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.