ECLI:NL:RBLIM:2026:4255

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
11990365 \ CV EXPL 25-4970
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 6:225 lid 3 BWArt. 1022 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter verklaart zich onbevoegd wegens toepasselijkheid arbitrageclausule in algemene voorwaarden

In deze civiele bodemzaak tussen Prefab Beton Veghel B.V. (PBV) en een aannemersbedrijf staat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden centraal. De aannemer beroept zich op haar Algemene Voorwaarden Onderaannemingscontract met een arbitrageclausule, terwijl PBV de BFBN 2014 voorwaarden hanteert met een afwijkende geschillenregeling.

De aannemer heeft in haar offerteaanvragen duidelijk verwezen naar haar algemene voorwaarden en daarbij uitdrukkelijk andere voorwaarden van de hand gewezen. PBV heeft in haar offertes de BFBN 2014 voorwaarden opgenomen en de voorwaarden van de aannemer pas na het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de eerste verwijzing (de aannemer) prevaleert volgens artikel 6:225 lid 3 BW Pro, omdat PBV de voorwaarden van de aannemer niet tijdig en uitdrukkelijk heeft afgewezen.

De arbitrageclausule in de voorwaarden van de aannemer is geldig en bindend, ondanks dat PBV in haar voorwaarden en offertes een mogelijkheid tot voorleggen aan de kantonrechter biedt voor geschillen binnen diens competentiegrens. Dit beding geldt niet omdat PBV niet uitdrukkelijk heeft afgeweken van haar eigen voorwaarden. Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en veroordeelt PBV in de proceskosten van het incident.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd wegens toepasselijkheid van de arbitrageclausule in de algemene voorwaarden van de aannemer.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11990365 \ CV EXPL 25-4970
Vonnis in incident van 6 mei 2026
in de zaak van
PREFAB BETON VEGHEL B.V.,
te Veghel , gemeente Meierijstad,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: PBV,
gemachtigde: mr. M. van Gennip,
tegen
[de aannemer] B.V.,
te [plaats 1] , gemeente Beekdaelen,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [de aannemer] ,
gemachtigde: mr. P.C. Tennekes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 november 2025 met producties 1A t/m 11B,
- de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid met producties 1 t/m 5,
- de conclusie van antwoord in het incident met producties 12A en 12B.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
PBV drijft een onderneming die zich met name richt op de fabricage van en de handel in betonnen vloersystemen en andere gerelateerde producten.
2.2.
[de aannemer] drijft een aannemingsbedrijf dat zich onder andere bezig houdt met het uitvoeren en doen uitvoeren van bouwkundige werken.
2.3.
Op 5 juli 2023 en nadien op 12 januari 2024 heeft [de aannemer] ten aanzien van project [project 1] te [plaats 2] (hierna: [project 1] ) een (herziene) offerteaanvraag gedaan bij PBV. [1] In beide aanvragen heeft [de aannemer] verwezen naar de toepasselijkheid van haar Algemene Voorwaarden Onderaannemingscontract, dan wel de Algemene Leveringsvoorwaarden. Verder staat in de betreffende e-mails ‘eventuele eenzijdig van uw zijde van toepassing verklaarde voorwaarden, wijzen wij uitdrukkelijk van de hand’.
2.4.
In artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden van [de aannemer] staat de volgende clausule.
‘Indien het onmogelijk gebleken is een geschil op bovenstaande wijze op te lossen met behulp van Mediation, zal het geschil beslecht worden conform de regels beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de bouwbedrijven, zoals deze 3 maanden voor het tot stand komen van deze overeenkomst luiden.’
2.5.
Op 7 februari 2024 heeft PBV daarop een offerte uitgebracht. [2] Onder punt 6 van die offerte staat het volgende.

Algemene voorwaarden
Op deze offerte en de eventuele opdrachtverlening die daaruit voortvloeit, zijn de algemene voorwaarden voor bouwend Nederland 2014, opgesteld door brancheverenigingen BFBN Betonproducten en Bouwend Nederland van toepassing.
Bedoelde voorwaarden zijn bij deze offerte gevoegd als bijlage 3. Eventueel door u gehanteerde algemene voorwaarden worden uitdrukkelijk van de hand gewezen.’
Artikel 21 van Pro de algemene voorwaarden voor bouwend Nederland 2014 luidt als volgt. [3]
Artikel 21. Geschillen
(…)
21.2
Alle geschillen (…) die naar aanleiding van de overeenkomst of van de overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn tussen partijen mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen, beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouw in Nederland, zoals deze drie maanden voor het tot stand komen van de overeenkomst luiden.
21.3
In afwijking van het in het tweede lid bepaalde kunnen geschillen, welke tot de competentiegrens van de Rechtbank sector behoren, ter keuze van de meest gerede partij ter beslechting aan de bevoegde kantonrechter worden voorgelegd.’
2.6.
In de offerte zelf staan ook enkele voorwaarden opgenomen. Onder nummer 9, tweede lid van die voorwaarden staat:
Geschillen zullen in beginsel worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw in Nederland. Geschillen die binnen de competentiegrens van de kantonrechter vallen, kunnen in afwijking van het hiervoor bepaalde ter keuze van de meest gerede partij tevens worden voorgelegd aan de kantonrechter.
2.7.
Op 15 maart 2024 heeft [de aannemer] deze offerte aanvaard. [4]
2.8.
Op 5 september 2024 heeft PBV, naar aanleiding van een door [de aannemer] op 1 juli 2024 toegezonden overeenkomst ten behoeve van project [project 1] te [plaats 2] , een e-mailbericht aan [de aannemer] gezonden waarin zij de toepasselijkheid van de door [de aannemer] – na het tot stand komen van de overeenkomst – gestelde afwijkende/aanvullende voorwaarden van de hand wijst. [5]
2.9.
Op 19 februari 2024 heeft [de aannemer] een offerteaanvraag gedaan bij PBV voor het project [project 2] te [plaats 3] (hierna: [project 2] ). [6] In die e-mail zijn wederom de Algemene Voorwaarden Onderaannemingscontract, dan wel de Algemene Leveringsvoorwaarden, waaronder ook de arbitrageclausule (zie hiervoor onder 2.4.), van toepassing verklaard en worden eventueel eenzijdig van de zijde van PBV van toepassing verklaarde voorwaarden nadrukkelijk van de hand gewezen.
2.10.
Op 6 maart 2024 heeft PBV daarop een offerte uitgebracht, waarin zij wederom de algemene voorwaarden voor Bouwend Nederland 2014 van toepassing heeft verklaard en waarin onder nummer 9 dezelfde tekst is opgenomen als geciteerd onder 2.6. [7]
2.11.
Op 14 oktober 2024 heeft [de aannemer] deze offerte aanvaard. [8]
2.12.
Op 21 november 2024 heeft PBV, naar aanleiding van een door [de aannemer] op 21 oktober 2024 toegezonden overeenkomst ten behoeve van project [project 2] te [plaats 3] , een e-mailbericht aan [de aannemer] gezonden waarin zij de toepasselijkheid van de door [de aannemer] – na het tot stand komen van de overeenkomst – gestelde afwijkende/aanvullende voorwaarden van de hand wijst. [9]

3.Het geschil

In de hoofdzaak
3.1.
PBV stelt dat [de aannemer] , ondanks sommatie, een bedrag van € 7.027,73 onbetaald heeft gelaten. Om die reden vordert PBV dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de aannemer] veroordeelt om aan PBV, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen:
de hoofdsom van € 11.822,45 (bestaande uit niet betaalde facturen, het niet afnemen van een laatste deellevering, incassokosten en vertragingsrente),
de wettelijke transactierente over € 10.801,91 vanaf 24 oktober 2025 tot de dag van volledige voldoening,
de nakosten, en daarvoor een bevel te geven,
de proceskosten.
In het bevoegdheidsincident
3.2.
[de aannemer] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Zij vordert daarom dat de kantonrechter zich op grond van artikel 1022 Rv Pro onbevoegd verklaart, met veroordeling van PBV in de kosten van het incident.
3.3.
PBV voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[de aannemer] beroept zich op de Algemene Voorwaarden Onderaannemingscontract en de Algemene Leveringsvoorwaarden met de daarin opgenomen arbitrageclausule.
4.2.
Volgens PBV zijn de bepalingen waarop [de aannemer] zich beroept niet van toepassing, omdat in plaats daarvan de BFBN 2014 voorwaarden gelden. Bovendien is de clausule waarop PBV zich beroept niet alleen vastgelegd in deze algemene voorwaarden, maar ook nog eens nadrukkelijk in punt 9 van de offerte zelf en is deze in de opdrachtbevestiging herhaald. Op grond van die voorwaarden kunnen geschillen die binnen de competentiegrens van de kantonrechter vallen door de meest gerede partij aan de kantonrechter worden voorgelegd.
4.3.
De kantonrechter moet hierom de vraag beantwoorden of de voorwaarden van [de aannemer] en/of de BFBN 2014 voorwaarden van PBV in dit geval van toepassing zijn. Daarnaast moet de kantonrechter beoordelen of het feit dat de onder 2.6. geciteerde clausule ook in de offerte en opdrachtbevestiging van PBV is vermeld, prevaleert boven de eventueel van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Indien de kantonrechter van oordeel is dat de algemene voorwaarden van [de aannemer] van toepassing zijn én het beding in artikel 6 daarvan Pro prevaleert boven het in de offerte en opdrachtbevestiging van PBV opgenomen beding, dient nog beoordeeld te worden of dit inderdaad een – geldig – arbitragebeding betreft.
4.4.
Bij de beantwoording van de vraag of algemene voorwaarden van toepassing zijn, moet worden gekeken naar de algemene regels met betrekking tot de totstandkoming van overeenkomsten. De hoofdregel van artikel 6:217 BW Pro bepaalt dat daarvoor aanbod en aanvaarding vereist zijn, waarbij uit het feit dat op grond van een onder verwijzing naar algemene voorwaarden gedaan aanbod een overeenkomst tot stand komt, de (stilzwijgende) aanvaarding van die voorwaarden wordt afgeleid.
4.5.
Artikel 6:225 lid 3 BW Pro bepaalt vervolgens dat in het geval dat aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden verwijzen, aan de tweede verwijzing geen werking toekomt, wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden
uitdrukkelijkvan de hand worden gewezen. Op grond van voornoemde bepaling heeft het zogenaamde ‘first shot’ in beginsel voorrang.
4.6.
Ten aanzien van het door PBV ingenomen standpunt dat [de aannemer] in haar offerte-aanvraag naar twee sets algemene voorwaarden verwijst en dat niet duidelijk is welke van die twee daadwerkelijk van toepassing is, zodat geen van de stellen algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst, oordeelt de kantonrechter dat weliswaar de verwijzing van [de aannemer] niet uitblinkt in duidelijkheid, maar dat onbestreden door [de aannemer] is aangevoerd dat tussen partijen eerder in 2021 ter zake het project Wozoco een overeenkomst tot stand is gekomen, waarin haar algemene voorwaarden (de leveringsvoorwaarden) van toepassing werden verklaard en werden bijgevoegd. [10] Met andere woorden: voor PBV kon dus duidelijk zijn welke set voorwaarden [de aannemer] van toepassing heeft verklaard, en wel de leveringsvoorwaarden.
4.7.
De in artikel 6:225 lid 3 BW Pro gebruikte woorden ‘aanbod’ en ‘aanvaarding’ mogen niet te strikt worden opgevat. [11] Een eerste verwijzing naar algemene voorwaarden kan bijvoorbeeld al plaatsvinden bij een uitnodiging tot het doen van een aanbod, waarmee de eigenlijke aanbieder in de rol van tweede verwijzer terechtkomt. [12] In wezen omvat de term ieder gedrag dat in het perspectief van artikel 6:217 lid 1 BW Pro als aanbod (tot inschakeling van de algemene voorwaarden) kan worden geduid.
4.8.
Anders dan PBV betoogt, kan derhalve de verwijzing in de offerte-aanvraag van [de aannemer] als een eerste verwijzing als bedoeld in artikel 6:225 lid 3 BW Pro worden aangemerkt. Die verwijzing is naar het oordeel van de kantonrechter bovendien voldoende duidelijk. Zij staat expliciet opgenomen in de tekst van de e-mail. Uit de tekst van de offerte-aanvraag blijkt voldoende duidelijk dat [de aannemer] aan PBV het verzoek heeft gedaan een aanbod te doen tot het aangaan van een overeenkomst op basis van de in die offerte-aanvraag vermelde algemene voorwaarden, en zo moet PBV dat ook hebben begrepen. PBV heeft vervolgens naar aanleiding van de offerteaanvragen van [de aannemer] offertes uitgebracht, zodat duidelijk is dat de offerteaanvraag met daarin de verwijzing naar de algemene voorwaarden haar hebben bereikt.
4.9.
PBV heeft op haar beurt naar de BFBN 2014 voorwaarden heeft verwezen. Deze verwijzing staat duidelijk opgenomen in haar offertes en moet worden aangemerkt als de tweede verwijzing. Van belang is verder of PBV naast deze tweede verwijzing ook de toepasselijkheid van de eerste verwijzing door [de aannemer] uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. Daartoe geldt het volgende.
4.10.
Voor het uitdrukkelijk van de hand wijzen van algemene voorwaarden moet duidelijk zijn dat andere voorwaarden worden afgewezen en welke voorwaarden worden afgewezen. De enkele verwijzing naar de eigen voorwaarden is daartoe niet voldoende. Weliswaar houdt die verwijzing een impliciete afwijzing van andere algemene voorwaarden in, maar het betreft dan niet een uitdrukkelijke afwijzing als bedoeld in artikel 6:225 lid 3 BW Pro. Verder geldt dat een uitdrukkelijk van de hand wijzen als bedoeld in voornoemde bepaling niet reeds kan volgen uit de enkele in de correspondentie opgenomen voorgedrukte standaardtekst, waarin de toepasselijkheid van andere dan de eigen algemene voorwaarden al dan niet ‘uitdrukkelijk’ wordt afgewezen. Het moet voor de wederpartij duidelijk zijn dat het aanbod slechts wordt aanvaard indien niet de voorwaarden van de aanbieder, maar de eigen voorwaarden van toepassing zijn.
4.11.
Tegen deze achtergrond moet beoordeeld worden of, zoals PBV stelt, haar algemene voorwaarden van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst(en). Het lag daarbij op de weg van PBV om in haar offertes de toepasselijkheid van de voorwaarden van [de aannemer] uitdrukkelijk van de hand te wijzen op zodanige wijze dat het [de aannemer] niet kan zijn ontgaan. Hoewel de in artikel 6 van Pro de in de offerte van PBV opgenomen voorwaarden gehanteerde (standaard)tekst ‘Eventueel door u gehanteerde algemene voorwaarden worden uitdrukkelijk van de hand gewezen’ niet voldoet aan voornoemde voorwaarden voor een
uitdrukkelijkeafwijzing, geldt dat voor de inhoud van de e-mailberichten van 5 september 2024 en 21 november 2024 wel. [13] Echter, deze e-mails zijn gestuurd (ruim) nadat de overeenkomst tussen PBV en [de aannemer] tot stand is gekomen en kunnen niet meer afdoen aan de toepasselijkheid van de voorwaarden van [de aannemer] .
4.12.
De slotsom is dat de algemene voorwaarden van [de aannemer] van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomsten ter zake de projecten [project 1] te [plaats 2] en [project 2] te [plaats 3] . In deze algemene voorwaarden staat in artikel 6 een Pro beding dat zich naar het oordeel van de kantonrechter niet anders laat uitleggen dan dat partijen overeenkomen dat zij hun geschillen uit de overeenkomsten zullen laten beslechten door de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen, zoals de officiële benaming sinds 2021 luidt.
Ook de algemene voorwaarden van PBV bevatten een dergelijke clausule. Dat in beide algemene voorwaarden de naam van het betreffende arbitrage instituut niet correct is vermeld, doet aan de geldigheid van deze clausules niet af. Partijen zijn beide professionele bouwbedrijven en worden geacht te begrijpen dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen wordt bedoeld.
4.13.
Het enige verschil is dat de algemene voorwaarden van PBV voor geschillen die binnen de competentiegrens van de kantonrechter vallen, de meest gerede partij de mogelijkheid geeft om zich tot de kantonrechter te wenden. PBV heeft ditzelfde beding ook nog eens expliciet (onder punt 9) in haar offerte vermeld. Anders dan PBV aanvoert, is er geen sprake van een situatie waarin zij een aanbod doet waarmee zij uitdrukkelijk afwijkt van haar algemene voorwaarden.
4.14.
Dat het beding waarop PBV zich beroept, niet alleen staat vermeld in de door haar gehanteerde algemene voorwaarden, maar in haar offertes en opdrachtbevestigingen nogmaals uitdrukkelijk wordt vermeld, doet aan het voorgaande niet af. Ook de vermelding van hetzelfde beding in deze stukken betreft een standaardtekst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en die klaarblijkelijk bedoeld is om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen en wordt daarom beschouwd als een algemene voorwaarde. Ten aanzien hiervan geldt eveneens dat PBV andersluidende bedingen, die ingevolgde de eerste verwijzing van toepassing zijn verklaard, niet uitdrukkelijk genoeg heeft afgewezen.
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering in het incident zal worden toegewezen. De kantonrechter zal zich op grond van het bepaalde in artikel 1022 Rv Pro onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen.
4.16.
PBV zal als de ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident, aan de zijde van [de aannemer] begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering toe,
5.2.
veroordeelt PBV in de proceskosten, aan de zijde van [de aannemer] begroot op € 144,00,
5.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
verklaart zich onbevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en daarop te beslissen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 en 2 bij incidentele conclusie.
2.Productie 1A dagvaarding.
3.Productie 1C dagvaarding.
4.Productie 2A dagvaarding.
5.Productie 12A bij conclusie van antwoord in het incident.
6.Productie 3 bij incidentele conclusie.
7.Productie 1B dagvaarding.
8.Productie 2B dagvaarding.
9.Productie 12B bij conclusie van antwoord in het incident.
10.Productie 4 bij incidentele conclusie.
11.MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 893.
12.HR 13 juli 2001, NJ 2001,497, ECLI:NL:HR:2001:ZC3632.
13.Producties 12A en 12B bij conclusie van antwoord in het incident.