De vader van twee minderjarige kinderen diende namens zijn kinderen een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige familiekamer van de rechtbank Limburg, bestaande uit drie rechters. Eerder was een verzoek van de minderjarigen zelf niet-ontvankelijk verklaard vanwege hun handelingsonbekwaamheid. Het verzoek werd ingediend naar aanleiding van eerdere procedurele beslissingen en motiveringen waarover verzoeker ontevreden was.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat wraking alleen kan worden toegewezen bij zwaarwegende aanwijzingen van partijdigheid. De aangevoerde gronden betroffen uitsluitend onvrede over procedurele beslissingen en motiveringen, wat geen grond voor wraking vormt. Er was geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeker in korte tijd meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend en dat het huidige verzoek op het laatste moment zonder gegronde basis werd ingediend. Dit werd aangemerkt als oneigenlijk gebruik van bevoegdheid. Daarom werd het verzoek ongegrond verklaard en bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaken niet in behandeling worden genomen.
De wrakingskamer benadrukte dat zij geen bevoegdheid heeft om een bijzondere curator aan te wijzen of advies uit te brengen over het raadsrapport. De beslissing werd op 9 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door drie rechters van de wrakingskamer.