Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4142

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/03/349821 HA RK -26-35
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 798 RvArt. 1:245 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek namens minderjarigen in familierechtelijke procedure

In deze zaak diende de wettelijk vertegenwoordiger van twee minderjarigen een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige familiekamer van de Rechtbank Limburg. Dit verzoek betrof de rechters die twee lopende procedures behandelden: een gezagskwestie en een ondertoezichtstelling.

De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de minderjarigen als belanghebbenden in de procedures worden aangemerkt, zij geen partij zijn in de zin van artikel 36 Rv Pro, dat vereist is om een wrakingsverzoek in te dienen. Dit volgt uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad waarin is bepaald dat minderjarigen geen processueel belanghebbenden zijn.

Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en zonder zitting afgehandeld. De beslissing werd genomen door een meervoudige wrakingskamer en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

Uitkomst: Wrakingsverzoek namens minderjarigen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen partij zijn.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer C/03/
349821 HA RK -26-35
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen:
[minderjarige 1] ,
en,
[minderjarige 2],
hierna samen ook te noemen: de minderjarigen,
dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit
mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters.

1.De procedure

Op 23 februari 2026 is er een zitting van de meervoudige familiekamer gepland waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/278317FA RK-20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/342186/ JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
De minderjarigen hebben op 18 februari 2026 een verzoek tot wraking ingediend. De wrakingskamer heeft hen, bij beslissing van 19 februari 2026, niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek, omdat minderjarigen op basis van artikel 1:245 van Pro het Burgerlijk Wetboek handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig in rechte kunnen optreden.
Op 20 februari 2026 heeft de vader van de minderjarigen, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen, een nieuw wrakingsverzoek ingediend. Vader vermeldt daarbij uitdrukkelijk dat het wrakingsverzoek namens de minderjarigen wordt gedaan en geen persoonlijk wrakingsverzoek is.
Op 20 februari 2026 heeft een van de rechters van de familiekamer, mede namens de andere twee rechters, de wrakingskamer laten weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berusten.
Op basis van artikel 39 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de wrakingskamer de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen.

2.De beoordeling

Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 798, eerste lid, Rv bepaalt dat onder belanghebbende onder meer wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit maakt dat de minderjarigen naar het oordeel van de wrakingskamer als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt in de aanhangige procedures. De vraag is of de minderjarigen dan ook de mogelijkheid hebben om op basis van artikel 36 Rv Pro een verzoek tot wraking te doen, nu dit artikel bepaalt dat “een partij” dat kan doen. De Hoge Raad heeft bepaald (ECLI:NL:HR:2014:3535) dat een minderjarige weliswaar belanghebbende is, maar geen processueel belanghebbende, dus geen partij.
Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.

3.De beslissing

De wrakingskamer
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. M.M. Beije en
mr. W.F.J. Aalderink, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.