Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4010

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/729
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om schorsing via een voorlopige voorziening. De burgemeester sloot de woning na een politieonderzoek waarbij onder meer een vuurwapen en aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs werden aangetroffen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij de woning feitelijk al had verlaten en de huurovereenkomst binnenkort zou eindigen. Hierdoor kon verzoeker zonder onevenredig nadeel wachten op de beslissing op bezwaar. Daarnaast werd het besluit niet als evident onrechtmatig beoordeeld. Verzoeker stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, maar de rechter stelde dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in bestuursrechtelijke procedures niet per definitie verboden is, tenzij het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.

De rechter vond dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar was en dat de burgemeester terecht op deze rapportage mocht vertrouwen. De grieven van verzoeker kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor de burgemeester de woning mag sluiten. Er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de burgemeester de woning mag sluiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/729

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en

de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen

(gemachtigde: L. Balk en mr. M.M.J.P. Boesten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening . De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening en dat geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van zes maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft ermee ingestemd dat de woning open blijft tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
3.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hoe is het besluit tot stand gekomen?
4. Verzoeker is bewoner van de woning, heeft een contract met Levanto Groep en huurt via hen de woning van de Stichting ZOwonen (verhuurder).
5. De burgemeester heeft op 5 maart 2026 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit deze rapportage blijkt dat de politie naar aanleiding van een TCI-melding, waaruit bleek dat er mogelijk een vuurwapen in de woning was, en een DALI-melding van de fraude-inspecteur van Enexis de woning van verzoeker heeft doorzocht. Tijdens de doorzoeking is in de woning onder het matras van eiser een doorgeladen vuurwapen aangetroffen. Verder werd in de woonkamer een tas/bigshopper gevonden met een kleine hoeveelheid henneptoppen, verdeeld over verschillende gripzakjes, en een weegschaal met residu van harddrugs. Ook lagen er veel lege sealtjes in de tas. Op de bank in de woonkamer is een heuptasje ontdekt met brokken van een witte poederige substantie, verdeeld over een sealbag met witte ponypacks en een sealtje met wit poeder. Onderzoek wees uit dat het cocaïne en 2-MMC betrof. In de vriezer van de woning werd een doorzichtige zak met (meth)amfetamine aangetroffen. In totaal vond de politie 1980 gram bruto (meth)amfetamine, 47,61 gram bruto cocaïne, 14,01 gram bruto 2-MMC, 310 gram henneptoppen en 133,45 gram bruto hasjiesj in de woning.
6. Naar aanleiding van de ontvangen rapportage heeft de burgemeester op 11 maart 2026 aan verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. Verzoeker heeft op 23 maart 2026 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen.
Is er sprake van spoedeisend belang?
7. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is [1] , waardoor hij niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen althans onvoldoende spoedeisend belang bestaat op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker niet kan wachten totdat op zijn bezwaar is beslist. Ter zitting is gebleken dat verzoeker de woning inmiddels feitelijk heeft verlaten bij familie (opa), zijn vriendin en vrienden verblijft. Tijdens de zitting heeft verzoeker aangegeven dat de Levanto Groep aan hem heeft medegedeeld dat hij de woning dient te verlaten vanwege de beëindiging van de tussen hem en Levanto bestaande woonovereenkomst. Dat verzoeker de woning binnen afzienbare termijn moet verlaten wordt ook bevestigd door de burgemeester. Daarbij heeft de burgemeester ter zitting onweersproken gesteld dat Levanto inmiddels de huurovereenkomst met de verhuurder met ingang van 11 mei 2026 heeft opgezegd. De door de burgemeester voorgenomen sluiting brengt derhalve geen verdergaand feitelijk gevolg met zich mee. Van een ander spoedeisend belang bij het treffen van de van de door haar verzochte voorlopige voorziening is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het voorgaande betekent dat verzoeker zonder onevenredig nadeel de beslissing op zijn bezwaar kan afwachten en dat zijn belang dus onvoldoende spoedeisend is om een voorlopige voorziening te treffen.
Is het bestreden besluit evident onrechtmatig?
8. De voorzieningenrechter komt, vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De door verzoekster gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van de burgemeester “evident onrechtmatig” is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat daarvan sprake is omdat de burgemeester niet bevoegd is om tot slot over te gaan omdat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen. De politie was op zoek naar een hennepplantage en heeft een oude TCI-melding over het bezit van een vuurwapen gebruikt om de woning van verzoeker te doorzoeken. Dat maakt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. De burgemeester had de bestuurlijke rapportage daarom niet mogen gebruiken. Er is dan ook sprake van een evident onrechtmatig besluit.
9. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat de burgemeester de bestuurlijke rapportage niet aan zijn sluitingsbesluit ten grondslag mocht leggen. Voor zover het bewijs in strafrechtelijke zin al onrechtmatig is verkregen betekent dit niet dat het gebruik van dat bewijs in een bestuursrechtelijke procedure niet zou zijn toegestaan. Er bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs [2] . In het bestuursrecht is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat dit hier het geval is. Daarbij is van belang dat de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet een pandgebonden bevoegdheid is die tot doel heeft het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en om de openbare orde te herstellen. De sluiting is geen bestraffende sanctie voor verzoeker. Daarnaast volgt uit de onderliggende stukken dat door de hulpofficier van justitie een machtiging tot binnentreden is afgegeven met het doel om een vuurwapen in beslag te nemen. In die machtiging is tevens de bevoegdheid opgenomen om de woning te doorzoeken. Dat heeft de politie gedaan en daar heeft de politie naast een wapen ook een ruime hoeveelheid hard- als softdrugs aangetroffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage van 5 maart 2026 naar waarheid is opgemaakt op basis van een naar op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De burgemeester mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn neergelegd. Als die bevindingen worden betwist, zal hij moeten onderzoeken of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd [3] . Verzoeker heeft, desgevraagd, de bevindingen van de bestuurlijke rapportage niet betwist en de voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van een evidente onrechtmatigheid. De grieven van verzoeker hierover en ook zijn overige grieven kunnen dan ook aan de orde komen in de bezwaarschriftprocedure.

Conclusie en gevolgen

10. Omdat niet is gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening en evenmin gebleken is dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten.
11. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.