De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een herzieningsverzoek van een woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De woning was gesloten vanwege het aantreffen van een hennepkwekerij, waarbij sprake was van recidive binnen drie jaar. Verzoeker en zijn gezin, met drie minderjarige kinderen, verblijven sindsdien onder slechte woonomstandigheden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is, vooral vanwege de verslechterde gezondheid van de middelste dochter die meerdere malen in het ziekenhuis is opgenomen. Hoewel de burgemeester het belang van de openbare orde benadrukt en de nieuwe omstandigheden niet voldoende acht om de sluiting te verkorten, weegt de rechter het belang van de kinderen zwaarder.
De rechter stelt vast dat de burgemeester de nieuwe feiten heeft betrokken, maar onvoldoende rekening houdt met de nadelige gevolgen voor de kinderen. De woning is inmiddels negen maanden gesloten, wat een substantiële duur is. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de woning zo spoedig mogelijk heropend moet worden, uiterlijk 22 april 2026, en dat de woning open mag blijven tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De burgemeester wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en er is geen hoger beroep mogelijk.