Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3587

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
ROE 23/34
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.5 ArbobesluitArt. 9.1 ArbobesluitArt. 1 Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgevingArt. 8:72a AwbArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boeteoplegging wegens overtreding Arbobesluit na arbeidsongeval met matiging wegens termijnoverschrijding

Op 31 maart 2021 vond op het terrein van Direct Gazon B.V. een arbeidsongeval plaats waarbij een medewerker ernstig letsel opliep onder een graszodensnijmachine. De minister legde een boete van €18.000,- op wegens overtreding van artikel 7.5 van het Arbobesluit, omdat reparatiewerkzaamheden werden verricht terwijl de machine niet was uitgeschakeld.

Direct Gazon B.V. betwistte de overtreding primair en voerde subsidiair aan dat de boete gematigd moest worden vanwege het veiligheidsbeleid en het handelen van de werknemer. De rechtbank oordeelde dat het onderzoeken van een lekkage onderdeel is van reparatiewerkzaamheden en dat de boete terecht is opgelegd. De matigingsgronden op basis van beleidsregels werden niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de procedure met meer dan anderhalf jaar was overschreden. Daarom matigde zij de boete met 20%, stelde de boete vast op €14.400,- en herroept het eerdere besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank wees een vergoeding van proceskosten af omdat de overschrijding niet door eiseres was ingeroepen.

Uitkomst: De boete wegens overtreding van het Arbobesluit wordt bevestigd maar met 20% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23/34

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

Direct Gazon B.V., uit Ysselsteyn, eiseres

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: S. Yildrim).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de boete die de minister aan eiseres heeft opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval waarbij een medewerker van eiseres ernstig letsel heeft opgelopen. Eiseres is het niet eens met die boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de opgelegde boete in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De boete is terecht opgelegd maar de rechtbank matigt de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Voor een verdere matiging bestaat geen aanleiding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 juli 2022 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 18.000,- wegens het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet (het primaire besluit). Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met de beslissing op bezwaar van 30 november 2022 (het bestreden besluit) is de minister bij zijn standpunt gebleven, maar heeft hij wel de boete vanwege de lange duur van de procedure gematigd met 5%. Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [naam] , als vertegenwoordiger van eiseres, en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Op het terrein van het bedrijf van eiseres heeft op 31 maart 2021 een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij een medewerker van eiseres (het slachtoffer) onder een graszodensnijmachine (de machine) is terechtgekomen. De toedracht van het ongeval was als volgt. De bestuurder van de machine vroeg het slachtoffer, onderhoudsmonteur en toevallig ter plaatse, om naar een lekkage te kijken en stapte zelf van de machine af. Hij liet de machine met automatische piloot op een rustige snelheid doorrijden. Het slachtoffer zette één been op de vooras en leunde met het andere tegen de machine. Toen hij zijn evenwicht verloor en viel, is de machine over hem heen gereden, waardoor hij ernstig letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer is voor de behandeling van dat letsel een halve maand in het ziekenhuis opgenomen geweest.
3.1.
Naar aanleiding van dit ongeval is op 14 juni 2021 een boeterapport opgemaakt. Omdat door de minister is vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (het Arbobesluit), het slachtoffer van het ongeval ernstig letsel heeft opgelopen en eiseres daarvoor verwijtbaar wordt geacht, heeft de minister aan eiseres met het primaire besluit een boete van € 18.000,- opgelegd. Met het bestreden besluit is de boete gematigd en vastgesteld op een bedrag van € 17.100,-.
Beroepsgronden van eiseres
4. Eiseres voert primair aan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit, omdat het slachtoffer ten tijde van het ongeval niet bezig was met reparatiewerkzaamheden. Het slachtoffer heeft enkel gekeken naar de lekkage aan de motor van de machine. Volgens eiseres is het bekijken van de lekkage niet aan te merken als een reparatiewerkzaamheid. De lekkage was al gemeld en het slachtoffer had ook niet de opdracht om naar deze lekkage te kijken. Het bekijken van de lekkage en het vervolgens beklimmen van de machine maakten daarmee geen onderdeel uit van een reparatieproces en waren ook niet nodig voor de reparatie. Bovendien kon het slachtoffer de machine ook niet repareren, omdat hij zijn servicebus niet bij zich had. Gelet hierop stelt eiseres dat er geen sprake is van reparatiewerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, van de het Arbobesluit en dat de minister daarom geen boete had mogen opleggen.
4.1.
Subsidiair voert eiseres aan dat de boete gematigd moet worden. Eiseres heeft een risico- inventarisatie en evaluatie opgesteld waaruit blijkt dat het verhelpen van storingen aan rijdende machines de meest onveilige manier is om reparaties uit te voeren. Binnen het beleid van eiseres vinden werkzaamheden uitsluitend in een werkplaats (loods) plaats. Daarnaast heeft eiseres in het bedrijfsreglement, ter waarborging van de veiligheidseisen, vastgelegd dat het verboden is om zich op de terreinen of in de gebouwen te bevinden anders dan voor het verrichten van de opgedragen werkzaamheden. Eiseres stelt daarom dat haar niets valt te verwijten, omdat het slachtoffer in strijd met het beleid en bedrijfsreglement heeft gehandeld.
Is er sprake van een overtreding?
5. In artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit is opgenomen dat onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel slechts worden uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van het voornoemd voorschrift.
5.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de machine een arbeidsmiddel betreft en dat de machine niet ten tijde van het ongeval niet was uitgeschakeld en druk- of spanningsloos was gemaakt terwijl dit wel mogelijk was. Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of in dit geval sprake is van reparatiewerkzaamheden. De minister heeft in de beslissing op bezwaar en ook in het verweerschrift gemotiveerd aangegeven dat het slachtoffer wel degelijk reparatiewerkzaamheden verrichtte. Het onderzoeken van een lekkage valt daaronder, nu daarmee een reparatieproces aanvangt. Dat de lekkage tevens via de storingsapp is gemeld aan de werkplaats waar normaliter de reparaties plaatsvinden en daar bekend was doet hieraan niet af.
5.2.
De rechtbank volgt de minister in de opvatting dat wanneer aangesloten wordt bij het normale spraakgebruik een redelijke uitleg van het begrip ‘reparatiewerkzaamheden’ met zich brengt dat ook het uitvoeren van een probleemanalyse hieronder valt. Het onderzoeken van een storing of lekkage vormt een onlosmakelijk onderdeel van het reparatieproces, nu zonder voorafgaande analyse geen herstel kan plaatsvinden. Een beperktere uitleg van het begrip reparatiewerkzaamheden zou overigens ook niet passen bij het doel van het Arbobesluit, namelijk het bieden van een vergaande bescherming voor werknemers. [1] Dat het slachtoffer het probleem niet ter plekke kon oplossen, of dat hij niet (direct) de opdracht had gekregen om de machine te repareren, maakt niet dat geen sprake is van reparatiewerkzaamheden. Voorgaande betekent dat sprake is van een overtreding van artikel 7.5, tweede lid, van het Arbobesluit. Daarbij is de rechtbank - met de minister - van oordeel dat voor het vaststellen van de overtreding van belang is om uit te gaan van de feitelijke werkzaamheden ten tijde van het ongeval. Het gaat er dus niet om hoe het slachtoffer, achteraf bezien, had moeten handelen. De minister was dan ook bevoegd om de boete op te leggen.
Moet de boete gematigd te worden?
6. In beginsel mag bij een overtreding van artikel 7.5 van het Arbobesluit van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. [2] Als een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken en hij in dat verband schulduitsluitingsgronden aanvoert, waartoe hij door het bestuursorgaan in de gelegenheid moet worden gesteld, zal door hem aannemelijk gemaakt moeten worden dat hij al wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
6.1.
Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen. Daarbij kan een rol spelen dat uit feiten en handelingen blijkt dat de overtreding niet opzettelijk is begaan. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de beleidsregels). In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25% (namelijk: a. risico-inventarisatie en -evaluatie en veilige werkwijze, b. noodzakelijke randvoorwaarden, c. adequate instructies en d. adequaat toezicht). Deze matigingsgronden zijn niet cumulatief en dienen apart van elkaar te worden beoordeeld. Wel kan sprake zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden. De vraag of eiseres een verwijt te maken valt, hangt dus uiteindelijk samen met de vraag of eiseres aan de vier matigingsgronden van artikel 1, elfde lid, van de beleidsregels heeft voldaan. [3] Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze inspanningen zijn verricht.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de voor matigingsgrond a. relevante inspanningen heeft verricht. Hoewel eiseres een risico-inventarisatie en -evaluatie heeft opgesteld waarin staat dat er een hoog risico is bij het verhelpen van storingen aan een rijdende machine ontbreken een beschreven veilige werkwijze en concrete veiligheidsmaatregelen waardoor het gevaar onvoldoende is beperkt. [4] Het in het bedrijfsreglement opgenomen verbod om zich op de terreinen of in de gebouwen te bevinden anders dan voor het verrichten van de opgedragen werkzaamheden verandert hier niets aan. Verder is de rechtbank van oordeel - gelet op de onderlinge samenhang tussen de matigingsgronden - dat vanwege het ontbreken van een veilige werkwijze ook niet aannemelijk is gemaakt dat de benodigde relevante inspanningen zijn verricht voor de overige matigingsgronden. Nu er geen veilige werkwijze is ontwikkeld, kan er ook geen sprake zijn van noodzakelijke randvoorwaarden voor deze veilige werkwijze en kunnen er ook geen adequate instructies zijn gegeven. Het geven van adequate instructies en het houden van toezicht op de naleving kan doorgaans alleen effectief plaatsvinden als sprake is van een veilige werkwijze waarop die instructies zijn gericht. Feitelijk toezicht moet van dusdanige aard zijn dat de werknemers hierdoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. Aangezien die eisen in het onderhavige geval niet zijn vastgelegd in een veilige werkwijze, kon het toezicht op de naleving daarvan ook niet adequaat zijn. [5] Er bestaat dus geen grond voor matiging van de boete op grond van artikel 1, elfde lid, van de beleidsregels.
6.3.
Dit laat onverlet dat aanleiding kan bestaan de boete op een andere grond te matigen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een situatie waarin de werknemer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld. [6] De hoogte van de boete moet namelijk worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. [7]
6.4.
Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld van het slachtoffer en vindt dat ook daarom een matiging van de boete gerechtvaardigd is.
6.5.
Gelet op de verklaringen uit het boeterapport, dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier, komt de rechtbank tot het oordeel dat het handelen van het slachtoffer niet kwalificeert als op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig handelen. Hoewel vaststaat dat het slachtoffer op het moment van het ongeval niet was opgedragen om de storing aan de machine te verhelpen, volgt uit de verklaring van de vertegenwoordiger van eiseres dat het slachtoffer, als onderhoudsmonteur, zelfstandig bevoegd was om te bepalen hoe, wanneer en op welke wijze kleine storingen werden verholpen, zonder voorafgaande goedkeuring. Daarmee handelde hij binnen zijn discretionaire bevoegdheid.
6.6.
Verder blijkt uit diezelfde verklaring dat de manier waarop het slachtoffer de werkzaamheden verrichtte ook niet ongebruikelijk was. Ondanks dat het slachtoffer heeft erkend dat het lokaliseren van een storing op een rijdende machine risicovol was en niet de bedoeling, blijkt uit de verklaring van de vertegenwoordiger van eiseres dat sommige storingen alleen vastgesteld kunnen worden terwijl de machine in werking is. De monteur maakt dan zelf de afweging om aan een rijdende machine de diagnose te stellen. Hoewel eiseres dit niet expliciet goedkeurt, wordt deze praktijk kennelijk wel geaccepteerd.
6.7.
Het feit dat het slachtoffer 42 jaar ervaring heeft, zich bewust was van de risico’s en de machine volgens eigen verklaring stil had moeten zetten, doet dit niet af aan het feit dat hij binnen de gangbare praktijk handelde en bevoegd was zelfstandig te beslissen. Het inherente risico verbonden aan het uitvoeren van werkzaamheden aan een rijdende machine maakt zijn handelen niet per definitie buitengewoon onvoorzichtig, omdat dit risico binnen de gebruikelijke praktijk bekend en kennelijk ook aanvaard was. Daarom kan zijn handelen niet worden aangemerkt als handelen tegen beter weten in. Er is geen reden voor een matiging op deze grond.
Overschrijding van de redelijke termijn
7. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn [8] is overschreden. Voor een zaak zoals deze is in beginsel een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de dag van de ontvangstbevestiging van het boeterapport (14 juni 2021), [9] redelijk. In dit geval is die termijn met (veel) meer dan een anderhalf jaar overschreden. De rechtbank handelt voor het vaststellen van de consequenties daarvan dan naar bevind van zaken. Zij acht het in dit geval redelijk om het oorspronkelijke boetebedrag (€ 18.000,-) hierom te matigen met 20%.

Conclusie en gevolgen

8. Uit voorgaande volgt dat de minister de boete terecht heeft opgelegd maar dat de boete moet worden gematigd wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en herroept in zoverre ook het primaire besluit. Op grond van artikel 8:72a van de Awb voorziet de rechtbank zelf in de zaak door de hoogte van de boete vast te stellen op € 14.400,-. Zij bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
8.1.
Eiseres heeft zelf geen beroep gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn. Van gemaakte proceskosten die zijn gemoeid met een zodanig verzoek die voor vergoeding in aanmerking komen, is dus geen sprake. Eiseres krijgt dus geen vergoeding voor door haar gemaakte proceskosten.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de minister of de Staat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat het beroep uitsluitend gegrond is verklaard vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij is van belang dat voor het indienen van een verzoek tot schadevergoeding/matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn geen griffierecht is verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • herroept het primaire besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • stelt de hoogte van de boete vast op € 14.400,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2582 en 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:959
2.Zie wat is overwogen onder 3.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3856.
3.Zie wat is overwogen onder 6 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1112.
4.Vergelijk in dat kader wat is overwogen onder 6.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:959.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2021, ECLI:RVS:2021:2277.
6.Zie wat is overwogen onder 7.8 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:843.
7.Zie artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
8.Als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
9.Dat is het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:913.