Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3400

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ROE 23/2130 en ROE 23/2133
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 3:4 AwbArt. 8:51a AwbArt. 15 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing handhavingsverzoek en verkeersbesluit motorvoertuigen steeg

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas om handhavend op te treden tegen het verwijderen van een verkeerspaaltje in een steeg naast haar woning en om een verkeersbesluit te nemen om een paaltje te plaatsen ter voorkoming van motorvoertuigenoverlast.

De rechtbank oordeelt dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen omdat het verwijderen van het paaltje geen overtreding van een publiekrechtelijke norm oplevert, aangezien er geen verkeersbesluit was genomen voor het paaltje. Het beroep tegen deze afwijzing is ongegrond, maar eiseres krijgt een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Ten aanzien van het verzoek om een verkeersbesluit te nemen, stelt de rechtbank vast dat de steeg niet duidelijk als trottoir kan worden aangemerkt en feitelijk als rijbaan wordt gebruikt. Het college had daarom een verkeersbesluit moeten overwegen en motiveren. De rechtbank vernietigt het besluit wegens onvoldoende motivering en biedt het college de gelegenheid dit te herstellen binnen zes weken, waarna een einduitspraak volgt.

Uitkomst: Handhavingsverzoek afgewezen, verkeersbesluit vernietigd wegens onvoldoende motivering met herstelmogelijkheid, schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummers: ROE 23/2130 en ROE 23/2133

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Koster),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas

(gemachtigde: mr. T.M. Stinges).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de beslissing van het college om haar handhavingsverzoek tot het terugplaatsen van een verkeerspaaltje af te wijzen. Ook gaat deze uitspraak over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek tot het nemen van een verkeersbesluit. Eiseres is het niet eens met deze beslissingen en voert meerdere beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college deze besluiten mocht nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen en dat het beroep van eiseres in die zaak ongegrond is. De rechtbank kent wel schadevergoeding toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak wijst de rechtbank een einduitspraak. Dat betekent dat die zaak niet teruggaat naar het college. De beslissing om geen verkeersbesluit te nemen is daarentegen onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank biedt het college de gelegenheid om dit gebrek te herstellen. Daarom wijst de rechtbank in die zaak een tussenuitspraak. Dat betekent dat die zaak teruggaat naar het college. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

2. Eiseres woont aan de [adres] te [woonplaats] . Naast haar woning bevindt zich een steeg uitgevoerd met trottoirtegels, de Servaashof. Deze steeg heeft aan het einde een versmalling door beplanting die voorkomt dat door motorvoertuigen doorgestoken kan worden van de Servaashof naar de Haammaekerstraat. Eind 2021 is een verkeerspaaltje geplaatst bij de ingang van de steeg om ervoor te zorgen dat motorvoertuigen geen toegang hadden tot de steeg. Dit paaltje is op enig moment weer verwijderd.
2.1.
Eiseres heeft op 28 juni 2022 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het verwijderen van dat paaltje omdat zij overlast ervaart vanwege in de steeg geparkeerde motorvoertuigen. Dat verzoek heeft het college afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 1 augustus 2023 (bestreden besluit I) is het college - onder verwijzing naar en overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie - bij die afwijzing gebleven.
2.3.
Op 18 oktober 2022 heeft eiseres het college ook verzocht een verkeersbesluit te nemen om opnieuw een paaltje in de steeg aan de Servaashof te plaatsen zodat geen motovoertuigen de steeg in kunnen rijden en daar kunnen parkeren. Het college heeft dit verzoek ook afgewezen. Dit omdat er volgens het college geen noodzaak bestaat om een paaltje te plaatsen omdat er tijdens controles over een periode van enkele maanden slechts één overtreding is vastgesteld. Met de beslissing op bezwaar van 1 augustus 2023 (bestreden besluit II) is het college - onder verwijzing naar en overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie - bij deze afwijzing gebleven.
2.4.
Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld tegen beide besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door [belanghebbende] , handhavingsmedewerker bij de gemeente Peel en Maas.

Beoordeling door de rechtbank

Afwijzing van het handhavingsverzoek (zaaknummer ROE 23/2130)
3. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken en wat ter zitting is besproken, blijkt dat er geen verkeersbesluit ten grondslag lag aan het plaatsen van het paaltje in 2021 in de steeg aan de Servaashof en ook niet aan de verwijdering daarvan. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. De rechtbank is van oordeel dat een bestuursorgaan alleen handhavend kan optreden bij overtreding van een wettelijk voorschrift wanneer het daarvoor bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden heeft. Nu voor het plaatsen van het paaltje geen verkeersbesluit is genomen, levert het verwijderen van het paaltje geen overtreding van een publiekrechtelijke norm, in dit geval het handhaven van een eerder genomen verkeersbesluit, op. Er is dus geen sprake van een overtreding in de zin van artikel 5:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat maakt dat het college ook niet bevoegd is handhavend op te treden. Het college heeft daarom het verzoek om handhaving terecht afgewezen.
Afwijzing van het verzoek om een verkeersbesluit te nemen (zaaknummer ROE 23/2133)
4. In artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is bepaald dat voor een aantal maatregelen een verkeersbesluit nodig is. Het gaat dan alleen om maatregelen die leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.
4.1.
Het college heeft zich in de besluitvorming, aangevuld ter zitting, op het standpunt gesteld dat voor het plaatsen van een paaltje geen verkeersbesluit hoeft te worden genomen omdat door plaatsing van een paaltje in de steeg geen sprake is van een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. De steeg moet aangemerkt worden als een trottoir en een trottoir mag op grond van artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet gebruikt worden door motorvoertuigen. Onder meer vanwege de breedte en het type bestrating heeft de steeg volgens het college de kenmerken van een trottoir en is het duidelijk dat de steeg niet bedoeld is om met motorvoertuigen in te rijden of daar te parkeren. Het verzoek om een paaltje te plaatsen is daarom een verzoek om feitelijk te handelen en de weigering van het verzoek om een verkeersbesluit te nemen betreft daarom een weigering om feitelijk te handelen. Dat is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Het college had daarom het bezwaar van eiseres eigenlijk niet-ontvankelijk moeten verklaren maar het heeft het advies van de bezwaarcommissie opgevolgd en het bezwaar toch ongegrond verklaard.
4.2.
Eiseres heeft zich daarentegen - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de (juridische) status van de steeg onduidelijk en discutabel is, dat de steeg mede gelet op de vele overgelegde foto’s feitelijk in ieder geval wordt gebruikt door motorvoertuigen en dat de gebruikers van de steeg dit ook zien als een verworven recht.
4.3.
De rechtbank sluit zich aan bij eiseres en is van oordeel, anders dan het college, dat de steeg waarvoor eiseres een verkeersbesluit vraagt niet - of niet voldoende - duidelijk is aan te merken als een trottoir. Dit volgt uit verschillende feitelijke omstandigheden. Bij de ingang van de steeg staat een verkeersbord dat parkeren verbiedt. Het parkeerverkeersbord impliceert geen inrijdverbod voor motorvoertuigen, integendeel, het wekt juist de indruk dat de weg wel toegankelijk is voor motorvoertuigen want als inrijden verboden zou zijn, zou een parkeerverbod niet nodig zijn. Verder is de breedte van de steeg ruim voldoende om er met een motorvoertuig in te rijden en door middel van een verlaging is het bovendien gemakkelijk toegankelijk gemaakt voor gemotoriseerd verkeer om de steeg in te rijden. Uit de in het dossier opgenomen foto’s blijkt niet dat deze verlaging specifiek is bedoeld als inrit. Daarnaast heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook meer dan voldoende aannemelijk gemaakt dat er regelmatig motorvoertuigen in de steeg geparkeerd staan. Daartoe heeft ze zowel in bezwaar als in beroep foto’s overgelegd. Tot slot blijkt uit een e-mail van 27 november 2020 van een bij handhaving betrokken gemeenteambtenaar, naar aanleiding van een eerder door eiseres geuite klacht, dat volgens deze gemeenteambtenaar laden en lossen wel is toegestaan, maar parkeren niet. Uit dat laatste volgt ook dat de juridische status van de steeg kennelijk niet helder is.
4.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de steeg is aan te merken als rijbaan en dat wanneer het verzoek van eiseres wordt gehonoreerd sprake is van een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de steeg gebruik kan maken. Het college had dan ook moeten onderzoeken of, gelet op de betrokken belangen, het al dan niet noodzakelijk was om een verkeersbesluit te nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW. Het college moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter vervolgens in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit niet onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [1]
4.5.
Uit de stukken blijkt dat het college meerdere controles heeft uitgevoerd en op basis van die controles heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van structureel feitelijk gebruik van de steeg door motorvoertuigen. Daarom ziet het college geen noodzaak om een verkeerspaaltje te plaatsen. Dit ontslaat het college echter niet van de verplichting om in de besluitvorming kenbaar en gemotiveerd uiteen te zetten welke belangen het heeft betrokken en welke belangen worden gediend met het weigeren van het gevraagde verkeersbesluit. Ook moet het college in het besluit uitleggen waarom dat wat eiseres heeft gesteld en ook met foto’s heeft onderbouwd, waaruit het feitelijke gebruik van de steeg als weg in ieder geval voldoende blijkt, niet opweegt tegen de belangen die zien op de weigering om een verkeersbesluit te nemen. Dit moet het college deugdelijk motiveren, temeer gelet op het oordeel van de rechtbank dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat duidelijk is voor eenieder dat motorvoertuigen niet zijn toegestaan in de steeg. Alleen dan kan de rechtbank beoordelen of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen verkeerspaaltje te plaatsen bij de ingang of in het midden van de steeg.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat het college in de besluitvorming - in afwijking van voormelde vereisten uit de rechtspraak [2] - in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt welke belangen zijn gediend met een eventuele weigering van het gevraagde verkeersbesluit. Ook ter zitting heeft het college onvoldoende duidelijkheid hierover gegeven. Het college heeft alleen aangeven dat er intern overleg heeft plaatsgevonden en dat verkeersdeskundigen geen reden zien voor een paaltje. De rechtbank kan dit niet verifiëren omdat stukken hierover ontbreken en bovendien blijkt uit deze stelling niet dat het college de verkeersbelangen en het belang van eiseres kenbaar heeft betrokken en dat sprake is geweest van de vereiste belangenafweging. Dit ontbreekt. Dit betekent dat het besluit onvoldoende deugdelijk is voorbereid en ook onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal hierna onder het kopje ‘conclusie en gevolgen’ toelichten welke gevolgen dit heeft.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
5. Eiseres heeft in beide zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [3] Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500, - per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
5.1.
In dit geval heeft het verzoek om schadevergoeding betrekking op twee bezwaarschriften en twee beroepschriften van één belanghebbende die met elkaar samenhangen. In de kern hebben ze namelijk betrekking op hetzelfde. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en deze zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Als de rechtsmiddelen in beide zaken niet tegelijkertijd zijn aangewend, moet daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. [4]
5.2.
Het eerste bezwaarschrift is ingediend in de zaak die ziet op het handhavingsverzoek van eiseres (zaaknummer ROE 23/2130). Dat bezwaarschrift is op 18 oktober 2022 ontvangen. Tot de datum waarop de rechtbank in die zaak einduitspraak doet zijn ongeveer tweeënveertig maanden verstreken. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de totale lengte die de procedure zou mogen bedragen wordt verlengd met de periode tussen de ontvangst van dit bezwaarschrift en de datum waarop het college heeft gereageerd op het verzoek van eiseres om een verkeersbesluit te nemen en een paaltje te plaatsen (27 februari 2023). Dit omdat de bezwaarprocedure op verzoek van eiseres gedurende die tijd is aangehouden. Gelet hierop is de redelijke termijn met ongeveer veertien maanden overschreden. De rechtbank stelt de schadevergoeding daarom vast op een bedrag van € 1.500,-. Alleen de beroepsprocedure heeft te lang geduurd. Dit heeft tot gevolg dat de Staat der Nederlanden de vergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen. Deze veroordeling zal de rechtbank uitspreken in de zaak met het zaaknummer ROE 21/2130, de zaak waarin ze nu einduitspraak doet.

Conclusie en gevolgen

6. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit I (het besluit dat ziet op het handhavingsverzoek van eiseres) de rechterlijke toets kan doorstaan en dat het beroep in die zaak ongegrond is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding wel toegewezen.
6.1.
Eiseres krijgt in deze zaak niet het betaalde griffierecht terug maar omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er wel aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De proceskostenvergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-. De rechtbank volgt daarbij het uitgangspunt van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken om voor het verzoek 1 punt toe te kennen met wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-. Omdat het beroep ongegrond is, worden er geen andere punten toegekend. De Staat moet deze proceskosten vergoeden.
6.2.
Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank partijen er uitdrukkelijk op dat zij, als zij tegen de einduitspraak in het beroep met het zaaknummer ROE 23/2130 hoger beroep willen instellen, tijdig de daarvoor geldende termijnen en procedures in acht moeten nemen.
6.3.
Het bestreden besluit I (het besluit dat ziet op het handhavingsverzoek) kan weliswaar de rechterlijke toets doorstaan maar dat geldt niet voor het bestreden besluit II (het besluit dat ziet op het verzoek van eiseres tot het nemen van een verkeerbesluit). Dat besluit lijdt aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en komt voor vernietiging in aanmerking.
6.4.
De rechtbank ziet in het kader van een finale geschilbeslechting aanleiding om voor dat besluit een bestuurlijke lus toe te passen. [5] De rechtbank zal het college in de gelegenheid stellen om binnen zes weken na deze uitspraak het onder 4.6 geconstateerde gebrek te herstellen. Om dat gebrek te herstellen moet het college het verzoek van eiseres om een verkeersbesluit te nemen opnieuw beoordelen en daarbij een deugdelijke belangenafweging maken. Daarbij moet naast het algemeen belang ook het belang van eiseres bij het nemen van een verkeersbesluit kenbaar worden betrokken.
6.5.
Als het college hier geen gebruik van wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
6.6.
Als het college wel gebruik maakt van deze mogelijkheid, dan krijgt eiseres zes weken de gelegenheid om op de herstelpoging van het college te reageren. De rechtbank zal daarna, in beginsel zonder tweede zitting, einduitspraak doen.
6.7.
In de zaak met zaaknummer ROE 23/2133 houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. Dit betekent dat op dit moment geen uitspraak wordt gedaan over de proceskosten en het griffierecht in die zaak. De rechtbank zal verder in de einduitspraak die nog volgt, beoordelen of er nog een aanvullende schadevergoeding toegekend moet worden, omdat de redelijke termijn door het toepassen van de bestuurlijke lus kan oplopen en daardoor mogelijk recht bestaat op een extra vergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;
- bepaalt dat de Staat een schadevergoeding aan eiseres is verschuldigd van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- bepaalt dat de Staat de proceskosten aan eiseres moet vergoeden in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding van € 467,-;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit II te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
- draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- houdt iedere verdere beslissing in de zaak met het zaaknummer ROE 23/2133 aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de einduitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen de tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Zie ook onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489, 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1619 en meer recent 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:623.
2.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489, 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1619 en meer recent 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:623.
3.Als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4740.
5.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.