ECLI:NL:RBLIM:2026:3372

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
12124155 \ CV EXPL 26-955
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening exclusief gebruik gehuurde bij contractuele medehuurders na beëindiging relatie

In deze kort geding procedure vordert een contractuele medehuurder exclusief gebruik van het gehuurde appartement, nadat de affectieve relatie met de medehuurder is beëindigd. De kantonrechter beoordeelt het spoedeisend belang en de belangenafweging tussen partijen.

Beide partijen hebben een contractuele medehuurderschap sinds 2015 en wonen samen in het appartement. De eiser, 77 jaar oud, stelt dat hij vanwege gezondheidsklachten en binding met de omgeving een groter belang heeft bij het exclusieve gebruik. De gedaagde, 57 jaar oud, betwist dit en vordert zelf exclusief gebruik.

De kantonrechter weegt mee dat de eiser een sterkere binding met de woonplaats heeft, een gelijkvloerse woning nodig heeft en niet bij zijn kinderen kan wonen. De gedaagde heeft geen familie in Nederland en kan mogelijk elders in Nederland verblijven. De kantonrechter wijst de vordering van de eiser toe en bepaalt een ontruimingstermijn van twee weken voor de gedaagde. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering toe en bepaalt dat de gedaagde binnen twee weken het gehuurde moet verlaten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12124155 \ CV EXPL 26-955
Vonnis in kort geding van 9 april 2026
in de zaak van
[huurder],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. S.H.J. van der Linden,
tegen
[medehuurder],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [medehuurder] ,
gemachtigde: mr. M.J.W. Janssen-van Rooij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de brieven van mr. Van der Linden van 19 en 23 maart 2026 met producties 18 en 19,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026,
- de pleitnota van mr. Van der Linden.

2.De feiten

2.1.
[huurder] is op 28 oktober 2006 een huurovereenkomst aangegaan met Wonen Limburg met betrekking tot het appartement aan [adres] (hierna genoemd ‘het gehuurde’). Naar aanleiding van een aanvraag tot medehuurderschap van [medehuurder] heeft Wonen Limburg de tenaamstelling van de huurovereenkomst gewijzigd bij brief van 17 februari 2015 (productie 2 bij de dagvaarding). Partijen zijn met ingang van 17 februari 2015 contractueel medehuurder. De huurprijs bedraagt momenteel € 429,33 per maand.
2.2.
Partijen hebben ongeveer 15 jaar een affectieve relatie gehad en hebben geen kinderen. [huurder] is 77 jaar en [medehuurder] is 57 jaar oud. Inmiddels is de relatie tussen partijen beëindigd.
2.3.
De gemachtigde van [huurder] heeft bij brief van 12 februari 2026 [medehuurder] verzocht het gehuurde te verlaten en de huur op te zeggen (productie 4 van de dagvaarding). [medehuurder] is daartoe niet bereid gebleken (productie 5 bij de dagvaarding).

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[huurder] vordert - samengevat -;
I. te bepalen dat hij bij uitsluiting van [medehuurder] voorlopig gerechtigd zal zijn tot het gebruik van het gehuurde,
II. veroordeling van [medehuurder] om het gehuurde binnen één week na betekening van het vonnis te verlaten met achterlating van de daarin zich bevindende inboedel en de woning zonder toestemming van [huurder] niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom,
III. veroordeling van [medehuurder] in de proceskosten.
3.2.
[medehuurder] voert verweer. [medehuurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In reconventie
3.4.
[medehuurder] vordert - samengevat -;
I. te bepalen dat [medehuurder] bij uitsluiting van [huurder] voorlopig gerechtigd zal zijn tot het gebruik van het gehuurde,
II. veroordeling van [huurder] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te verlaten, op straffe van een dwangsom.
III. te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3.5.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [medehuurder] . In het geval de kantonrechter de vordering in reconventie toewijst, verzoekt [huurder] om een redelijke ontruimingstermijn te bepalen.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

Samenhang van de vorderingen
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Volgens [huurder] kunnen partijen niet meer met elkaar samenwonen en dat levert oplopende spanningen op. [huurder] stelt ook dat hij veel stress en psychische klachten ervaart nu partijen nog beiden in het gehuurde verblijven. [huurder] verwijst voor zijn medische situatie naar de overgelegde stukken van de huisarts. [medehuurder] betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang.
De kantonrechter is van oordeel dat [huurder] aan de hand van zijn stellingen en de overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering en dat partijen niet langer samen in het gehuurde kunnen verblijven.
Een ordemaatregel met betrekking tot het voorlopig gebruik van de woning is op zijn plaats. [huurder] is daarom ontvankelijk in zijn vordering. Datzelfde geldt voor [medehuurder] in haar tegenvordering die eveneens ziet op exclusief gebruik van het gehuurde.
Wie mag het gehuurde blijven gebruiken
4.3.
Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan iedere persoon bedoeld in lid 4 vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De Hoge Raad heeft bepaald dat samenhuurders (contractuele medehuurders) overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW Pro kunnen vorderen dat één van hen de huurovereenkomst zelfstandig voortzet. [1] [medehuurder] erkent dat er sprake is van contractuele medehuurderschap.
4.4.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Bij de vraag welke partij voorlopig gerechtigd zal zijn tot gebruik van het gehuurde en het gehuurde moet ontruimen en verlaten, gaat het om een belangenafweging
waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. De rechter wijst de vordering slechts toe, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is.
4.5.
[huurder] heeft ter onderbouwing van zijn belang - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. [huurder] is 77 jaar oud en heeft, naarmate hij ouder wordt, baat bij een makkelijk toegankelijke woning. Het gehuurde betreft een gelijkvloerse appartement en is bovendien op loopafstand van alle noodzakelijke voorzieningen zoals de supermarkt en zijn dokterspraktijk. [huurder] woont al zijn hele leven in [plaats 1] , en heeft daardoor binding met [plaats 1] . Hij zit in het verenigingsleven en zijn familie woont er in de buurt.
[huurder] heeft de huurovereenkomst in de relatie ingebracht. Daardoor is hij zijn inschrijving bij Wonen Limburg verloren en heeft hij zich in oktober 2025 opnieuw ingeschreven bij Thuis in Limburg. Ook gelet op zijn gezondheidsklachten is het van belang dat hij in het gehuurde kan blijven. Hij heeft psychische klachten ten gevolge van het samenwonen en gebruikt medicatie. Hij heeft een prostaatoperatie ondergaan en is nog niet volledig hersteld.
Daarnaast krijgt hij binnenkort een staaroperatie aan beide ogen. [huurder] heeft drie kinderen bij wie hij niet kan wonen. Als hij zijn woning moet verlaten is hij aangewezen op maatschappelijke opvang. [huurder] heeft een stabiel inkomen en is in staat de huurpenningen te voldoen.
4.6.
[medehuurder] heeft ter onderbouwing van haar belang - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. Zij heeft geen familie of vrienden in Nederland en kan daar dan ook niet verblijven. [medehuurder] woont al 15 jaar in [plaats 1] en heeft haar leven hier opgebouwd, waardoor zij binding met [plaats 1] heeft. [medehuurder] staat eerst sinds oktober 2025 ingeschreven bij Antares en Wonen Limburg en maakt daarom niet snel kans op een andere huurwoning.
[medehuurder] heeft psychische klachten vanwege de verbroken relatie, waarvoor zij 16 april a.s. een afspraak heeft bij de psycholoog. [medehuurder] is al 12 jaar medehuurder. Het inkomen van [huurder] is hoger waardoor hij gemakkelijker een andere huurwoning kan krijgen. [medehuurder] is 57 jaar oud en maatschappelijke opvang is niet passend voor haar. [medehuurder] heeft vier dochters in Polen en een dochter in Duitsland (op 700 km van de grens van Nederland) maar daar kan zij niet gaan wonen. Ze wil graag in Nederland blijven wonen. [medehuurder] is eveneens in staat de huurprijs van het gehuurde te betalen. Ze is niet meer arbeidsongeschikt en heeft een nieuwe baan gevonden. Een dure particuliere huurwoning kan zij niet betalen.
4.7.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat beide belang hebben bij behoud van het gehuurde. De kantonrechter is echter van oordeel dat, alle omstandigheden meegewogen, [huurder] een groter belang heeft bij exclusief gebruik van het gehuurde en wel op grond van de volgende overwegingen.
Betaling van de huur
4.8.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat zij de huurpenningen van € 429,33 kunnen (blijven) betalen. [huurder] heeft een vast pensioen en een AOW-uitkering [huurder] heeft dit onderbouwd met stukken, door jaaropgaves over te leggen van 2025 en 2023. Daarnaast heeft [huurder] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij altijd de huur betaalt (producties 11, 12, 13 en 18). [medehuurder] heeft ook gesteld dat zij de huurpenningen kan (blijven) voldoe maar dit is door [huurder] betwist. [medehuurder] heeft weliswaar in de conclusie van antwoord met stukken onderbouwd dat zij een inkomen heeft gehad in 2025 van
€ 30.000,00, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat haar contract met het uitzendbureau met ingang van 12 september 2025 is geëindigd. [medehuurder] stelt dat zij met ingang van april 2026 een nieuwe baan heeft gevonden in de logistiek voor 40 uur per week, met een salaris van € 14,70 per uur. Hiervan heeft [medehuurder] echter geen stukken overgelegd, zodat haar inkomen niet geverifieerd kan worden. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of [medehuurder] , bij toewijzing van het exclusief gebruik van het gehuurde, de huurlasten kan (blijven) betalen.
Binding met omgeving
4.9.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat zij binding hebben met de omgeving, doch aan de hand van de stellingen van [huurder] is de kantonrechter van oordeel dat [huurder] een sterkere binding met [plaats 1] en directe omgeving heeft dan [medehuurder] . [huurder] is geboren en getogen in [plaats 1] en woont er al 77 jaar. De binding blijkt ook uit het feit dat hij daar in het verenigingsleven zit en zijn familie in de buurt woont.
Bovendien is, gezien de hogere leeftijd van [huurder] , te verwachten dat hij zijn familie meer nodig zal hebben naarmate hij ouder en dus hulpbehoevender zal worden.
Voor [huurder] is het dan ook van belang dat zijn familie, zoals nu, in de directe omgeving woont. Bovendien huurt [huurder] het gehuurde al vanaf 2006 en heeft hij de huurovereenkomst in de relatie met [medehuurder] ingebracht.
Daarentegen woont [medehuurder] pas sinds 2012 in [plaats 1] . Zij heeft hier geen familie en is niet gebonden aan [plaats 1] . De enige binding die [medehuurder] met [plaats 1] had was de relatie met [huurder] en die is er niet meer. [medehuurder] heeft ook niet gesteld wat haar belang is om in [plaats 1] te blijven wonen. Het feit dat [medehuurder] belang heeft om in Nederland te blijven wonen, betekent niet dat zij in het gehuurde in [plaats 1] moet blijven wonen.
Andere huurwoning
4.10.
[huurder] heeft voldoende onderbouwd dat hij er belang bij heeft om gelijksvloer te blijven wonen. Hierdoor is [huurder] beperkter in het zoeken naar andere woonruimte dan [medehuurder] . [huurder] heeft aangedragen dat iedere woning voor [medehuurder] geschikt is. Dit is niet door [medehuurder] weersproken, zodat hiervan uit kan worden gegaan. Bovendien is [medehuurder] nog relatief jong en heeft zij geen inwonende kinderen. In die zin moet het voor [medehuurder] makkelijker zijn een andere huurwoning te vinden dan voor [huurder] .
Daarnaast weegt mee dat [huurder] met stukken heeft onderbouwd dat hij actief op zoek is naar een andere huurwoning (productie 19 bij de pleitnota). [huurder] heeft aangedragen dat er minder 65+ woningen beschikbaar zijn op de markt (ondanks dat hij op plek 8 stond voor de woning waarop hij heeft gereageerd).
[medehuurder] heeft aangedragen dat zij eveneens actief op zoek is naar een andere huurwoning doch zij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Haar stelling dat zij op plek 100+ staat is door [huurder] betwist en eveneens niet door [medehuurder] onderbouwd.
Geen vervangende passende woonruimte
4.11.
Tot slot vindt de kantonrechter van belang dat [huurder] met stukken heeft onderbouwd waarom hij niet bij zijn kinderen kan gaan inwonen. [huurder] heeft verklaringen van alle drie zijn kinderen overgelegd, waaruit bij ieder blijkt dat er sprake is van dusdanige omstandigheden dat hij daar niet kan verblijven. [medehuurder] heeft aangedragen dat [huurder] wel bij zijn zoon kan wonen, ondanks het feit dat zijn ex-echtgenote daar ook al woont, omdat zijn zoon over vier slaapkamers beschikt. [huurder] heeft gemotiveerd betwist dat hij bij zijn zoon terecht kan, omdat zijn ex-echtgenote met psychische en lichamelijke klachten kampt en begin dementerend is en hij in verband met zijn eigen klachten gebaat is bij een rustige omgeving. Dit is niet door [medehuurder] weersproken.
[huurder] heeft bovendien onweersproken gesteld dat [medehuurder] ook een netwerk heeft in Nederland, waaronder een goede vriendin in [plaats 2] en in [plaats 3], waar zij terecht kan.
Conclusie
4.12.
Het bovenstaande leidt ertoe dat [huurder] een groter belang bij het gehuurde heeft dan [medehuurder] . De kantonrechter acht het billijk om een maatregel te treffen, aangezien voldoende is gesteld en gebleken dat partijen niet meer samen in het gehuurde kunnen verblijven. De vordering van [huurder] wordt dan ook toegewezen en de vordering van [medehuurder] wordt afgewezen.
Dit betekent dat [huurder] bij uitsluiting voorlopig gerechtig zal zijn tot gebruik van het gehuurde. Nu [medehuurder] onweersproken heeft gesteld dat van haar niet verwacht kan worden dat zij al binnen één week een andere woonruimte tot haar beschikking heeft, wordt een termijn bepaald voor verlating van het gehuurde van twee weken na betekening van het vonnis.
Dwangsom
4.13.
[huurder] heeft een dwangsom gevorderd. [medehuurder] heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens [medehuurder] zal zij gehoor geven aan de beslissing van de kantonrechter, zodat een dwangsom niet noodzakelijk is. Dit is niet door [huurder] weersproken. De kantonrechter ziet geen reden waarom [medehuurder] zich niet aan haar toezegging zal houden, zodat het belang bij deze vordering ontbreekt. Bovendien kan [huurder] op grond van de wet met behulp van de deurwaarder de ontruiming van het gehuurde bewerkstelligen. De gevorderde dwangsom wordt daarom afgewezen.
Inboedel
4.14.
[medehuurder] heeft betwist dat de inboedel geheel van [huurder] is. De kantonrechter zal daarom de vordering tot verlating van het gehuurde met achterlating van de daarin zich bevindende inboedel toewijzen, met uitzondering van de zaken die van [medehuurder] zijn.
Proceskosten
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding
in conventie
5.1.
bepaalt dat [huurder] bij uitsluiting van [medehuurder] voorlopig gerechtigd zal zijn tot het gebruik van het gehuurde, gelegen aan [adres] ,
5.2.
veroordeelt [medehuurder] om binnen twee weken na betekening van het vonnis het gehuurde te verlaten met achterlating van de daarin zich bevindende inboedel, met uitzondering van de zaken die van [medehuurder] zijn, en de woning zonder toestemming van [huurder] niet meer te betreden,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [medehuurder] af
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.