Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3347

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11982189 \ CV EXPL 25-4876
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 BWArt. 7:280 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand ondanks beschermingsbewind

Maasvallei verhuurt sinds oktober 2024 een woning aan betrokkene, die een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd. Ondanks aanmaningen en schuldhulpverlening is de huur niet voldaan. Op 17 september 2025 is beschermingsbewind ingesteld over de goederen van betrokkene, waarna de bewindvoerder formeel partij is geworden in de procedure.

Na een verstekvonnis van september 2025, waarin ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming werden bevolen, kwam de bewindvoerder in verzet. De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder formele procespartij is en verklaart het verzet deels gegrond, vernietigt het verstekvonnis behalve de ontbinding, en wijst de vorderingen van Maasvallei toe.

De huurachterstand van meer dan zes maanden rechtvaardigt ontbinding en ontruiming, ondanks gedeeltelijke betalingen en persoonlijke omstandigheden van betrokkene. De bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en toekomstige gebruiksvergoeding tot ontruiming. Een termijn om alsnog te betalen wordt niet toegestaan wegens gebrek aan redelijke verwachting van betaling.

De proceskosten van het verzet worden aan de bewindvoerder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde motivering over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en wettelijke bepalingen inzake incassokosten en rente.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11982189 \ CV EXPL 25-4876
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING MAASVALLEI MAASTRICHT,
te Maastricht,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Maasvallei,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[bewindvoerder] ,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van
[betrokkene],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [bewindvoerder] q.q.,
gemachtigde: mr. C. Mohr.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 24 september 2025 in de zaak met zaaknummer 11865222 CV EXPL 25-3513 (hierna: het verstekvonnis);
- het exploot van verzetdagvaarding van 12 november 2025 met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in oppositie, tevens wijziging van eis met producties 1 en 2 en de sommatiebrieven van 21 januari 2025 en 26 februari 2025;
- de conclusie van repliek met productie 11.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Maasvallei verhuurt met ingang van 28 oktober 2024 aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) de woning met verdere aanhorigheden aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 613,22 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd op uiterlijk de eerste van elke maand. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden huurovereenkomst woonruimte Woningstichting Maasvallei zoals vastgesteld op 18 mei 2016 van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden).
2.2.
[betrokkene] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Maasvallei heeft [betrokkene] aangemaand op 21 januari 2025 en 26 februari 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Maasvallei heeft [betrokkene] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden en hem op 6 mei 2025 bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.4.
Maasvallei op 4 juli 2025 [betrokkene] schriftelijk aangemaand tot betaling van de vordering van toentertijd € 2.797,06 binnen een termijn van vijftien dagen nadat die brief bij [betrokkene] is bezorgd, bij gebreke waarvan hij € 489,70 inclusief btw aan incassokosten zou moeten voldoen. [betrokkene] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
2.5.
Bij beschikking van 17 september 2025 zijn de goederen van [betrokkene] met ingang van 18 september 2025 onder bewind gesteld. [bewindvoerder] q.q. is door de kantonrechter tot bewindvoerder benoemd.
2.6.
Op 24 september 2025 is het verstekvonnis tegen [betrokkene] als gedaagde gewezen. Dit vonnis is bij exploot van 2 oktober 2025 aan [betrokkene] betekend en op 4 november 2025 is de ontruiming van het gehuurde op aangezegd.
2.7.
[bewindvoerder] q.q. heeft op 30 oktober 2025 en 30 november 2025 € 200,00 betaald ter aflossing van de huurachterstand.

3.Het geschil

3.1.
[bewindvoerder] q.q. is in verzet gekomen van het tegen [betrokkene] als gedaagde gewezen verstekvonnis, waarin de huurovereenkomst is ontbonden en waarbij hij is veroordeeld tot – samengevat – ontruiming van het gehuurde, betaling van een bedrag van € 4.538,03 aan huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten en rente, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.202,50, betaling van € 613,22 per maand met ingang van 1 september 2025 en in de proceskosten.
3.2.
Samengevat vordert [bewindvoerder] q.q. in verzet dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het verzet gegrond zal verklaren, het verstekvonnis zal vernietigen en de vorderingen van Maasvallei alsnog zal afwijzen met veroordeling van Maasvallei in de proceskosten. Subsidiair verzoekt [bewindvoerder] q.q. een terme de grâce.
3.3.
Na wijziging van eis vordert Maasvallei – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de huurovereenkomst tussen Maasvallei en [betrokkene] zal ontbinden;
dat [bewindvoerder] q.q. zal worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen en deze ontruiming te gehengen en gedogen;
dat [bewindvoerder] q.q. zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te voldoen:
a. € 4.803,07 aan huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.236,72;
b. € 613,22 per maand aan huur, te rekenen na 31 december 2025 tot aan ontbinding van de huurovereenkomst;
c. € 613,22 per maand aan schadevergoeding met ingang van beëindiging van de huurovereenkomst;
d. de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal de ontbinding van de huurovereenkomst bekrachtigen en voor het overige het verstekvonnis vernietigen omdat het verzet van [bewindvoerder] q.q. deels gegrond is en [bewindvoerder] q.q. formele procespartij is in plaats van [betrokkene] . Opnieuw rechtdoende zullen de vorderingen van Maasvallei worden toegewezen en zal [bewindvoerder] q.q. worden veroordeeld in de proceskosten van het verzet. Dit betekent dat het gehuurde zal moeten worden ontruimd en dat de huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten en rente moeten worden betaald aan Maasvallei. De kantonrechter licht dat hieronder toe.
[bewindvoerder] q.q. als procespartij
4.2.
Vanaf 18 september 2025 is bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [betrokkene] , met benoeming van [bewindvoerder] q.q. tot bewindvoerder. De bewindvoerder treedt in een geding over een onder bewind gesteld goed – zoals de rechten die voortvloeien uit een huurovereenkomst – op als formele procespartij in plaats van degene van wie de goederen onder bewind zijn gesteld. [1] De kantonrechter merkt [bewindvoerder] q.q. daarom aan als formele procespartij. Dit is in de kop van dit vonnis verwerkt.
De tijdigheid van het verzet
4.3.
[bewindvoerder] q.q. is ontvankelijk in haar verzet omdat zij geacht wordt binnen vier weken na bekend te zijn geraakt met het verstekvonnis, de verzetdagvaarding te hebben uitgebracht.
De huurachterstand
4.4.
Maasvallei vordert na wijziging van eis € 4.236,72 aan huurachterstand tot en met 29 december 2025. Deze vordering zal worden toegewezen aangezien [bewindvoerder] q.q. de tussen partijen gemaakte afspraken in de huurovereenkomst en de huurachterstand niet heeft betwist en Maasvallei haar vordering voldoende heeft onderbouwd met de in het geding gebrachte huuroverzicht [2] . In het overzicht zijn de betalingen van € 200,00 op respectievelijk 30 oktober 2025 en 30 november 2025 door Maasvallei op de huurachterstand in mindering gebracht, stelt de kantonrechter vast. De € 200,00 die volgens [bewindvoerder] q.q. op 30 december 2025 is betaald, is niet in het overzicht te zien omdat het overzicht ziet op de periode tot en met 29 december 2025 [3] . Hetgeen [bewindvoerder] q.q. na het wijzen van het verstekvonnis heeft betaald dat kan worden toegerekend aan de periode tot en met 29 december 2025, zal door Maasvallei op het bedrag van € 4.236,72 in mindering moeten worden gebracht.
De ontbinding en de ontruiming
4.5.
Ten tijde van de oorspronkelijke dagvaarding en eind december 2025 bestond een huurachterstand van tussen de zes en de zeven maanden. Deze tekortkoming – een huurachterstand van drie maanden of meer – is ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. Dat er € 200,00 per maand wordt betaald om de huurachterstand in te lopen, maakt dat niet anders. De tekortkoming wordt daarmee namelijk niet ongedaan gemaakt aangezien de verplichting om de huur op tijd te betalen geschonden blijft. Ook telt mee dat Maasvallei heeft gesteld en [bewindvoerder] q.q. niet heeft betwist dat [betrokkene] al eerder de huur niet heeft betaald waarvoor Maasvallei in 2019 een gerechtelijke procedure tegen hem heeft moeten starten en dat [betrokkene] de huur consequent te laat betaald. Bovendien is het zo dat zelfs na het instellen van het beschermingsbewind de lopende huur niet consequent uiterlijk op de eerste dag van de maand wordt betaald [4] . De vergelijking die [bewindvoerder] q.q. maakt met de situatie in een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant [5] gaat niet op reeds omdat het in dat geval ging om een huurachterstand van nauwelijks meer dan drie maanden en de huurachterstand in het geval van [betrokkene] meer dan het dubbele bedraagt.
4.6.
De door [bewindvoerder] q.q. aangevoerde omstandigheid dat Maasvallei onzorgvuldig zou hebben gehandeld voorafgaand aan de dagvaarding maakt niet dat de ontbinding met haar gevolgen niet is gerechtvaardigd. De vroegsignalering heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025 en de oorspronkelijke dagvaarding is op 29 augustus 2025, ruim drie en een halve maand later, betekend. Daarmee heeft Maasvallei de termijn van twee maanden gerespecteerd die wordt genoemd in de uitspraak [6] waar [bewindvoerder] q.q. een beroep op doet, en ook de door Maasvallei gestelde termijn van vier weken volgens het convenant tussen haar en de gemeente die [bewindvoerder] q.q. niet heeft betwist. Ook had Maasvallei in haar veertiendagenbrief van 4 juli 2025 geen langere termijn hoeven te geven om de achterstallige huur te voldoen aangezien een termijn van twee weken heeft te gelden als een redelijke betalingstermijn. Dat op dat moment beschermingsbewind in gang was gezet, maakt dat niet anders.
4.7.
De namens [betrokkene] aangevoerde persoonlijke omstandigheden dat hij een kwetsbare huurder is met een gokverslaving, maken niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of bijzondere aard die de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Die omstandigheden komen namelijk voor rekening en risico van [betrokkene] en doen niet af aan de belangen die Maasvallei heeft bij een huurder die op tijd aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. Samen met de aanzienlijke huurachterstand, dat er al eerder betalingsproblemen zijn geweest en dat ook na het instellen van het beschermingsbewind de lopende huur niet consequent op uiterlijk de eerste dag van de maand wordt betaald, is de kantonrechter van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [betrokkene] niet zwaarder wegen dan de belangen van Maasvallei bij ontbinding en ontruiming. Dat geldt ook voor dat een ontruiming voor [betrokkene] kan leiden tot dakloosheid. Het verlies van woonruimte is namelijk inherent aan een ontruiming en levert, hoe ingrijpend ook, geen noodtoestand op. Bovendien heeft Maasvallei zich voldoende ingespannen om een ontruiming te voorkomen. [bewindvoerder] q.q. brengt weliswaar naar voren dat [betrokkene] hulp heeft geaccepteerd door het bewindtraject door te zetten, maar dat was eind juni 2025 [7] terwijl Maasvallei sinds januari 2025 probeert om de huurachterstand betaald te krijgen [8] . Daarnaast heeft Maasvallei onweersproken gesteld dat zij [betrokkene] in juni 2025 heeft aangemeld bij het team ‘preventie-huisuitzetting’, dat een medewerker van dit team met [betrokkene] – samengevat – de situatie heeft besproken en dat daarna geen lopende huur werd betaald en ook niet werd gereageerd door [betrokkene] of de hulpverleners. De in het verstekvonnis uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst zal dan ook in stand worden gelaten en [bewindvoerder] q.q. zal worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, evenals het gehengen en gedogen daarvan.
4.8.
Een terme de grȃce als bedoeld in artikel 7:280 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zal niet worden toegestaan. Artikel 7:280 BW Pro bepaalt dat de rechter, voordat deze op grond van artikel 7:231 BW Pro een ontbinding van de huurovereenkomst uitspreekt, de huurder een termijn van ten hoogste een maand kan toestaan om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Omdat de huurachterstand na de oorspronkelijke dagvaarding en het instellen van het bewind nagenoeg gelijk is gebleven en omdat [bewindvoerder] q.q. het door haar gestelde bestendige inkomen waaruit huur en overige vaste lasten kunnen worden betaald niet heeft onderbouwd, bestaat er geen redelijke verwachting dat zij in staat zal zijn om binnen een termijn van ten hoogste een maand de volledige achterstand alsnog te voldoen.
De toekomstige huur / gebruikersvergoeding
4.9.
Maasvallei wil ook dat [bewindvoerder] q.q. wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 613,22, te rekenen na 31 december 2025 tot aan het moment dat het gehuurde wordt ontruimd. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [betrokkene] nog in het gehuurde verblijft. [bewindvoerder] q.q. heeft deze vordering niet weersproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente
4.10.
Maasvallei vordert – zoals uit haar processtukken blijkt – betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW Pro en van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro. Aangezien de gevorderde betaling van de huurachterstand zal worden toegewezen, slaagt het verweer van [bewindvoerder] q.q. dat zolang de hoofdsom niet vaststaat buitengerechtelijke incassokosten en rente niet kunnen worden toegewezen, niet.
4.11.
De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval Maasvallei, in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest [9] en het Gupfinger-arrest [10] .
4.12.
De overeenkomst bevat een incassokosten- en rentebeding in artikel 20 van Pro de algemene voorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten en wettelijke rente in de weg. Wel moet beoordeeld worden of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van de wet), is voldaan.
4.13.
Maasvallei heeft aan [betrokkene] op 4 juli 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Deze veertiendagenbrief is verzonden aan een adres waarvan Maasvallei redelijkerwijs mocht aannemen dat [betrokkene] daar door haar kon worden bereikt. In het licht daarvan heeft [bewindvoerder] q.q. de ontvangst daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist door alleen naar voren te brengen dat zij de ontvangst betwist. Een bedrag van € 489,70 inclusief btw zal dan ook worden toegewezen aan buitengerechtelijke kosten. Ook zal [bewindvoerder] q.q. de wettelijke rente over de huurachterstand moeten betalen omdat zij in verzuim verkeert. De gevorderde rente zal worden toegewezen vanaf de vervaldata van de verschuldigde huurtermijnen tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten
4.14.
Op grond van het voorgaande is het verzet gedeeltelijk gegrond. De kantonrechter zal het verstekvonnis vernietigen, behoudens de daarin uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst, en zal met inachtneming van hetgeen dat in dit vonnis is overwogen opnieuw beslissen.
4.15.
[bewindvoerder] q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het verzet betalen. De proceskosten in verzet van Maasvallei worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(1 punt × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
432,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzet van [bewindvoerder] q.q. gedeeltelijk gegrond,
5.2.
vernietigt het door de kantonrechter op 24 september 2025 onder zaaknummer 11865222 CV EXPL 25-3513 tussen Maasvallei als eisende partij [betrokkene] als gedaagde partij gewezen verstekvonnis, behoudens de daarin uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst alsmede de uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarvan,
en
opnieuw rechtdoende:
5.3.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis voormeld gehuurde, met al het zijne/hare en de zijnen/haren, te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Maasvallei te stellen en deze ontruiming te gehengen en gedogen,
5.4.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen een bedrag van € 4.726,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 4.236,72 aan verschuldigde huurtermijnen telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
5.5.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen € 613,22 per maand voor elke ingegane maand met ingang van 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.6.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen de proceskosten van € 1.066,14, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bewindvoerder] q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [bewindvoerder] q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen de proceskosten van het verzet van € 432,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bewindvoerder] q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 tot en met 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525
2.productie 2 bij de conclusie van antwoord in oppositie, tevens wijziging van eis
3.randnummer 4 van de conclusie van antwoord in oppositie, tevens wijziging van eis
4.randnummer 4.2 en productie 11 van de conclusie van repliek
5.Rechtbank Oost-Brabant 24 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4001
6.Rechtbank Midden-Nederland 23 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:266
7.Randnummer 9 verzetdagvaarding
8.ro. 2.2
9.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68
10.HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971