ECLI:NL:RBLIM:2026:2982

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/03/341335 / HA ZA 25-187
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 7.28 WmVerordening (EU) nr. 1215/2012Verordening (EG) nr. 864/2007
Verwijzingen
1185 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatige overheidsdaad bij vernietiging omgevingsvergunning

RMS GmbH en de heer [eiser 2] vorderden dat de rechtbank verklaart dat de Provincie Limburg onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen door het primaire besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning te verlenen, dat later door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd vernietigd. Zij stelden dat zij schade hebben geleden door het verlies van de vergunning en het terugtrekken van financiers.

De rechtbank oordeelde dat RMS GmbH en RMS Venlo geen vereenzelviging kennen, omdat RMS GmbH haar aandelen in RMS Venlo al had verkocht voordat het besluit werd vernietigd. Ook waren de belangen van RMS GmbH c.s. ten tijde van de vergunningaanvraag niet kenbaar voor de Provincie Limburg. De normen die door de Afdeling werden geschonden, dienden uitsluitend ter bescherming van RMS Venlo als aanvrager.

Verder werd het verwijt dat de Provincie Limburg onjuiste inlichtingen gaf over de noodzaak van een milieueffectrapportage verworpen, omdat RMS c.s. niet aannemelijk maakten dat zij vrijwillig een milieueffectrapportage hadden aangeboden en dat de Provincie hen bewust op het verkeerde been had gezet.

De rechtbank concludeerde dat geen onrechtmatige daad was gepleegd door de Provincie Limburg jegens RMS GmbH c.s. en wees de vorderingen af. RMS GmbH c.s. werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van RMS GmbH c.s. af wegens het ontbreken van onrechtmatig handelen door de Provincie Limburg.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341335 / HA ZA 25-187
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
1. de vennootschap naar Duits recht
RMS GMBH,
gevestigd te Rodgau (Duitsland),
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats] (Duitsland),
eisers,
advocaat: mr. W.J.E. Van der Werf,
tegen
PROVINCIE LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
gedaagde,
advocaat: mr. K. Winterink.
Partijen zullen hierna RMS GmbH c.s. (afzonderlijk de heer [eiser 2] en RMS GmbH
genoemd) en de Provincie Limburg genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de akte overlegging producties van RMS c.s., met de producties 1 tot en met 33,
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 4,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. Van der Werf,
- de spreekaantekeningen van mr. Winterink en mr. De Vries,
- de brief van 20 januari 2026 van de Provincie Limburg met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,
- de brief van 28 januari 2026 van de rechtbank aan de Provincie Limburg met als inhoud dat de opmerkingen aan het procesdossier worden toegevoegd en RMS c.s. een kopie van de brief zullen ontvangen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
RMS GmbH exploiteert een onderneming gespecialiseerd in de ontwikkeling en realisatie van bioraffinage-installaties voor de agrarische sector. De heer [eiser 2] is directeur van RMS GmbH.
2.2.
RMS GmbH was in de periode van 25 juni 2014 tot 27 juli 2020 enig aandeelhouder en enig bestuurder van RMS Nederland B.V. (hierna: RMS Nederland). RMS Nederland is bestuurder en enig aandeelhouder van RMS Venlo B.V. (hierna: RMS Venlo). RMS Venlo was voornemens om een bioraffinage-project in Grubbenvorst (nabij Venlo) te ontwikkelen. De heer [eiser 2] was eigenaar van de IE-rechten van dit project.
2.3.
Op 23 december 2016 heeft RMS Venlo bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg een aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een installatie voor bioraffinage in Grubbenvorst.
2.4.
De Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg hebben bij besluit van
29 maart 2018 de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c, en e van de Wabo verleend.
2.5.
Op 28 mei 2020 heeft RMS GmbH de aandelen in RMS Nederland en daarmee indirect in RMS Venlo bij een zogenaamde Sale en Purchase Agreement (hierna: SPA) verkocht aan WSB Energy Holding B.V. (hierna: WSB). In de SPA is (onder meer) het volgende bepaald:
“(…) 4.3. SUBORDINATED LOANS
i. The Seller has converted all the liabilities of the Holding Company and the Project Companies towards the Seller and its affiliates (in the amount maximum of EUR 1,082,595 (one million eighty-two thousand five hundred ninety-five euros) at Closing) into one single subordinated loan agreement between the Holding Company, as borrower, and the Seller, as lender;
ii. The Seller has procured proof that Kelson Capital GmbH has entered into an undertaking by which the outstanding retainers in the amount of 143,500 EUR (one hundred forty-three thousand five hundred euros) are converted into a subordinated loan;
hereinafter the « Subordinated Loans »
Both Subordinated Loans shall bear an interest of one point twenty-five percent (1.25 %) per annum as of Closing and shall be fully redeemed at either RMS Venlo's Financial Close or RMS Groenlo's Financial Close, depending on which of the Projects reaches Financial Close first. (…)” [1]
2.6.
RMS GmbH heeft op 28 mei 2020 alle bij haar rustende ontwikkelingsrechten met betrekking tot het project in Grubbenvorst overgedragen aan RMS Venlo. De heer [eiser 2] heeft op diezelfde datum de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot dit project overgedragen aan WSB. De overdracht heeft plaatsgevonden door middel van een zogenaamde Transfer of Rights Agreement (hierna: TRA). In de TRA is (onder meer) het volgende bepaald:
“(…)
4. DEVELOPMENT FEE
4.1.
If a Project reaches Financial Close, as defined in the SPA, the concerned Project Company shall inform RMS thereof without undue delay and undertake to pay to RMS a Development Fee calculated as follows:
For Venlo Project(the "Venlo Development Fee"):
A total amount of EUR 8.000.000 (eight million euros) calculated on the basis of the SDE Subsidy's base price of EUR 64 (sixty-four euros) per MWh and a subsidy period of 12 (twelve) years as of commissioning of Venlo Project ("Venlo SDE Base Value").
The Venlo Development Fee shall be payable by RMS Venlo, per bank wire transfer on the RMS Account as follows (subject to recalculation as provided under this Clause):
i.
upon Financial Close of the Venlo Project: EUR 3,000,000 (three million euros);
ii.
upon first payment of the SDE Subsidy: EUR 1,000,000 (one million euros); and
iii.
on each anniversary thereof, for a period of four years: EUR 1,000,000 (one million euros). (…)” [2]
2.7.
De rechtbank Limburg heeft bij uitspraak van 24 juli 2020 (onder meer) overwogen dat de Gedeputeerde Staten zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat er geen sprake is van een geïntegreerde chemische installatie in de zin van categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer en derhalve geen sprake is van een activiteit ten aanzien waarvan een verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport. De rechtbank verwijst naar het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening ('StAB') dat opgesteld is in het kader van die procedure en naar een eerdere uitspraak van de Afdeling.
2.8.
De aandelen van RMS GmbH in RMS Nederland en daarmee indirect in RMS Venlo zijn bij notariële akte van 27 juli 2020 aan WSB overgedragen.
2.9.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 27 juli 2022 de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 juli 2020 en het primaire besluit van 29 maart 2018 van de Gedeputeerde Staten vernietigd. De Afdeling heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“(…) 5.7. De conclusie is dat de door RMS op te richten inrichting moet worden aangemerkt als
een geïntegreerde chemische installatie, als bedoeld in categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer. Dat betekent dat voorafgaand aan de aanvraag om omgevingsver-gunning een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. Nu geen milieueffectrapport is gemaakt, had het college de aanvraag buiten behandeling moeten laten. Door, ondanks
het ontbreken van een milieueffectrapport, een inhoudelijke beslissing te nemen op deaanvraag, heeft het college in strijd gehandeld met artikel 7.28, eerste lid, van de Wetmilieubeheer. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Tussenconclusie omgevingsvergunning
6. De hoger beroepen zijn gegrond. Aangezien de terinzagelegging en het
milieueffectrapport essentiële onderdelen van de voorbereiding van de omgevingsvergunning
zijn, dient de omgevingsvergunning in zijn geheel te worden vernietigd. (…)” [3]

3.Het geschil

3.1.
RMS c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens RMS GmbH en/of de heer [eiser 2] en dientengevolge schadeplichtig is jegens RMS GmbH en/of de heer [eiser 2] ,
II. de Provincie veroordeelt tot vergoeding van de door RMS GmbH en/of de heer [eiser 2] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
III. de Provincie veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
RMS c.s. stellen dat de Provincie Limburg jegens hen aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat de Afdeling de door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg verleende omgevingsvergunning bij uitspraak van 27 juli 2022 heeft vernietigd. Als gevolg daarvan zijn de gronden die voor het project verworven waren, verloren gegaan en financiers hebben zich uit het project terug getrokken. RMS c.s. hebben daardoor schade geleden. Die schade bestaat volgens RMS c.s. uit het misgelopen positief contractbelang. WSB weigert vanwege de uitspraak van 27 juli 2022 de vergoedingen uit de SPA te voldoen, aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden genoemd in de SPA. Verder geldt dat RMS GmbH niet uit haar positie als kredietnemer jegens de bank ontslagen zal worden. Tot slot zijn de kosten die RMS GmbH gemaakt heeft, terwijl zij vertrouwde op de rechtmatigheid van de vergunning, vergeefs gemaakt.
3.3.
De Provincie Limburg voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Omdat RMS GmbH en de heer [eiser 2] in Duitsland gevestigd respectievelijk woonachtig zijn, kent deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft gelet op artikel 4 lid 1 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking). Partijen zijn blijkens hun verwijzingen naar Nederlandse wetsartikelen van mening dat Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank sluit zich daarbij aan gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 1 Verordening Pro (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.
Rechtsvraag
4.2.
De rechtsvraag die beantwoord moet worden, is of de Provincie Limburg jegens RMS c.s. een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro) heeft gepleegd doordat de Afdeling het primaire besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning van de Provincie Limburg heeft vernietigd.
4.3.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro dient voldaan te zijn aan een aantal vereisten, te weten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade én relativiteit. RMS c.s. stellen dat aan deze vereisten is voldaan. De rechtbank zal hierna beoordelen of aan de vereisten voldaan is.
Onrechtmatige daad
4.4.
In het kader van haar stelling dat de Provincie Limburg jegens RMS c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, heeft zij aangevoerd dat
  • i) de vernietiging van het primaire besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning ook jegens RMS c.s. onrechtmatig is, hoewel zij niet aanvrager is van het besluit, en
  • ii) de Provincie Limburg tijdens het vergunningstraject consequent het standpunt uitgedragen heeft dat een milieueffectrapportage niet nodig was.
Ad (i): Vernietiging primaire besluit onrechtmatig jegens RMS c.s.
4.5.
RMS c.s. voeren ten eerste aan dat de belangen van RMS Venlo als aanvrager van het besluit zodanig met hun belangen zijn verweven dat er sprake is van vereenzelviging. Volgens RMS c.s. hadden zij immers hetzelfde belang als RMS Venlo bij het verkrijgen van een onherroepelijke vergunning. RMS GmbH was op het moment dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning werd ingediend door RMS Venlo indirect aandeelhouder van RMS Venlo. Nu het primaire besluit door de Afdeling is vernietigd, heeft de Provincie Limburg niet alleen jegens RMS Venlo als aanvrager, maar ook jegens RMS c.s. onrechtmatig gehandeld. Ten tweede voeren RMS c.s. aan dat de Provincie Limburg jegens hen (als niet-belanghebbenden in de zin van de Awb) onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de bij het primaire besluit geschonden normen ook strekken ter bescherming van de belangen van RMS c.s. en deze belangen ook voor de Provincie Limburg kenbaar waren. [4] Volgens RMS c.s. was het voor de Provincie Limburg kenbaar dat hun belangen betrokken waren bij het primaire besluit, omdat de heer [eiser 2] namens RMS Venlo de gesprekken met de Provincie Limburg voerde en zij ervan op de hoogte waren dat hij indirect aandeelhouder was.
4.6.
De Provincie Limburg betwist de stellingen van RMS c.s.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op vereenzelviging – het wegdenken van het identiteitsverschil tussen RMS GmbH en RMS Venlo – niet slaagt. Ten tijde van de vernietiging van het primaire besluit door de Afdeling op 27 juli 2022 had RMS GmbH haar aandelen in RMS Nederland en daarmee indirect in RMS Venlo al aan WSB verkocht
(op 28 mei 2020 [5] ) en geleverd (op 27 juli 2020 [6] ). Derhalve bestond op dat moment al geruime tijd (2 jaar) geen betrokkenheid meer van RMS GmbH bij RMS Venlo. Voorts blijkt uit de in de SPA [7] en TRA [8] neergelegde afspraken dat RMS Venlo de verstrekte leningen van RMS GmbH terug dient te betalen. Hieruit blijkt het bestaan van een rechtsverhouding tussen beide vennootschappen, waardoor er geen sprake is van één en dezelfde identiteit. De stelling van RMS c.s. dat RMS GmbH wel (indirect) aandeelhouder van RMS Venlo was op het moment dat de omgevingsvergunning werd aangevraagd, is hierbij niet relevant. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat RMS GmbH en RMS Venlo ieder een eigen rechtspositie en eigen belangen hebben, waardoor geen sprake kan zijn van vereenzelviging.
4.8.
Voor wat betreft het tweede argument van RMS c.s. overweegt de rechtbank dat de door RMS c.s. in deze procedure gestelde vermogensbelangen ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de Provincie Limburg niet kenbaar waren. Toen de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning op 23 december 2016 bij de Provincie Limburg werd ingediend, waren de aandelen van RMS GmbH in RMS Nederland en daarmee indirect in RMS Venlo nog niet verkocht en overgedragen. De TRA en SPA dateren pas van
28 mei 2020. Het enkele feit dat de Provincie Limburg wist dat de heer [eiser 2] namens RMS Venlo de gesprekken voerde, is daartoe onvoldoende. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de Provincie bij het primaire besluit geschonden normen niet dienen ter bescherming van de belangen van RMS c.s. De Afdeling heeft de omgevingsvergunning vernietigd, omdat de aanvraag buiten behandeling had moeten worden gesteld wegens het ontbreken van een milieueffectrapportage en het niet aan het publiek ter inzage leggen van een gewijzigd ontwerpbesluit. [9] Deze normen strekken uitsluitend ter bescherming van de belangen van RMS Venlo als aanvrager van de omgevingsvergunning en niet van RMS c.s. Voorts is ook niet gebleken van de schending van een andere jegens RMS c.s. in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Provincie Limburg niet onrechtmatig jegens RMS c.s. heeft gehandeld doordat de Afdeling het eerdere primaire besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft vernietigd.
Ad (ii): Onjuiste inlichtingen
4.10.
RMS c.s. verwijt de Provincie Limburg dat zij tijdens het vergunningstraject consequent het standpunt heeft uitgedragen dat een milieueffectrapportage niet nodig was. Volgens RMS c.s. hebben zij er bij WSB op aangedrongen een milieueffectrapportage op te stellen, maar bleef de Provincie Limburg volharden in haar standpunt dat dit niet nodig was. RMS c.s. zijn hierdoor bewust op het verkeerde been gezet.
4.11.
De Provincie Limburg betwist dit verwijt van RMS c.s.
4.12.
De rechtbank volgt het betoog van RMS c.s. niet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [eiser 2] verklaard dat hij de Provincie Limburg vóór het indienen van de vergunningaanvraag heeft gevraagd of een milieueffectrapportage nodig was. [10] Niet gebleken is dat RMS c.s. vóór de vergunningsaanvraag dan wel na de uitspraak in eerste aanleg expliciet hebben aangeboden om zekerheidshalve onverplicht een milieueffectrapportage op te stellen. Dat de heer [eiser 2] na de uitspraak van de Afdeling bij WSB erop heeft aangedrongen om alsnog vrijwillig een milieueffectrapportage op te doen stellen, doet aan het voorgaande niets af. Uit het voorgaande niet gebleken is dat de Provincie Limburg RMS c.s. bewust op het verkeerde been heeft gezet, noch dat RMS c.s. bij de Provincie Limburg vrijwillig heeft aangeboden om een milieueffectrapportage op te stellen en dit aanbod door de Provincie Limburg is afgewezen.
Slotsom
4.13.
De slotsom is dat geen sprake is van onrechtmatige gedragingen aan de zijde van de Provincie Limburg jegens RMS c.s. Omdat aan dit cumulatieve vereiste van artikel 6:162 BW Pro niet is voldaan, hoeven de overige vereisten geen bespreking meer. De vorderingen van RMS c.s. zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.14.
RMS c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Provincie Limburg worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.15.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld is in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van RMS c.s. af,
5.2.
veroordeelt RMS c.s. in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als RMS c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt RMS c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 11 bij akte overlegging producties van RMS c.s.
2.Productie 13 bij akte overlegging producties van RMS c.s.
3.Productie 19 bij dagvaarding.
4.ECLI:NL:HR:2016:1454 r.o. 3.4.2.
5.Zie rov. 2.5.
6.Zie rov. 2.8.
7.Zie rov. 2.5.
8.Zie rov. 2.6.
9.Zie rov. 2.9.
10.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, pagina 5.