ECLI:NL:RBLIM:2026:2878

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
ROE 25/768
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.26 omgevingsplanArt. 2.29 BblECLI:NL:HR:2003:AF7938ECLI:NL:HR:2016:733
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bouwstop en dwangsommen voor illegale zonnepaneleninstallatie

Eisers voerden beroep aan tegen een bouwstop en last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Venlo aan hen waren opgelegd wegens het uitvoeren van bouwwerkzaamheden voor zonnepanelen zonder vereiste omgevingsvergunning op een perceel te Venlo.

De rechtbank stelt vast dat de bouwstop terecht is opgelegd en dat alle vier eisers als overtreder kunnen worden aangemerkt, mede op basis van functioneel daderschap en zeggenschap binnen de betrokken vennootschappen. De hoogte van de dwangsommen van €50.000 per overtreder wordt als proportioneel en voldoende gemotiveerd beoordeeld, waarbij het financiële voordeel van het niet naleven van de regels als uitgangspunt geldt.

De rechtbank oordeelt dat de bouwstop is overtreden, ook tijdens de controle van 13 november 2024, en dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd en ingevorderd bij iedere overtreder afzonderlijk. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de bouwstop en dwangsommen wordt ongegrond verklaard en de dwangsommen worden bij iedere overtreder afzonderlijk ingevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/768

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,Sutor Invest B.V., uit Bladel, eiseres,

DSG Verduurzamen IV B.V.(voorheen: Xaam Verduurzamen IV B.V.), uit Bladel, eiseres,
DSG Real Estate B.V., uit Bladel, eiseres,
hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigden: mr. E.P.B. Moors, mr. S.S. de Jonge-Ashraf en P.F.G.M. Niessen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door verweerder aan eisers opgelegde bouwstop en lasten onder dwangsom van 26 september 2024 en de invorderingsbeschikkingen van 12 maart 2025. De bouwstop en de last onder dwangsom zijn aan eisers opgelegd wegens het uitvoeren van bouwwerkzaamheden ten behoeve van zonnepanelen op het adres [adres] te [plaats] zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat alle vier de eisers terecht als overtreder zijn aangemerkt en de hoogte van de dwangsommen niet onredelijk hoog is, zodat terecht een last onder dwangsom aan eisers afzonderlijk is opgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat blijkens de controle van 13 november 2024 de bouwstop is overtreden en de dwangsommen terecht zijn verbeurd. Verweerder mocht bij iedere eiser afzonderlijk de verbeurde dwangsom invorderen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 september 2024 (hierna: de dwangsombesluiten) heeft verweerder aan eisers afzonderlijk een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd vanwege de bouwwerkzaamheden ten behoeve van zonnepanelen zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning, wat in strijd is met het omgevingsplan op het adres [adres] te [plaats] en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Bij besluit van 14 februari 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de dwangsombesluiten ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 12 maart 2025 heeft verweerder besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom bij eisers ter hoogte van € 50.000,- (hierna: de invorderingsbeschikkingen).
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam 1] en [naam 2] namens de drie vennootschappen en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 24 september 2024 is een gemeentelijke toezichthouder ter plaatse geweest op de percelen kadastraal bekend gemeente Venlo, [kadasternummers] , gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: het perceel). Op dat moment vonden bouwwerkzaamheden op het perceel plaats. Eisers hebben daarvoor geen omgevingsvergunning. De toezichthouder heeft daarom op 24 september 2024 een e-mailbericht gestuurd waarin wordt bevestigd dat door de toezichthouder mondeling een bouwstop is opgelegd.
2.1.
Verweerder heeft met de dwangsombesluiten van 26 september 2024 zijn beslissing tot het opleggen van een bouwstop op schrift gesteld en aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij de bouwwerkzaamheden niet mag hervatten. Doen eisers dit toch, zonder dat de benodigde omgevingsvergunning is verleend, dan verbeuren zij ieder afzonderlijk een dwangsom van € 50.000,- ineens. Verweerder heeft daarbij de volgende gedragingen geconstateerd:
  • het plaatsen van panelen voor elektriciteitsopwekking (zonnepanelen) in een dak;
  • er zijn 18 omvormers aanwezig aan de buitenzijde van de kas;
  • er zijn twee transformatorstations op het terrein aanwezig met elk een afmeting van circa 2,5 meter breed, 3,2 meter lang en 2 meter hoog.
2.2.
Volgens verweerder zijn deze gedragingen in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 22.26 van het omgevingsplan. Daarnaast zijn de activiteiten volgens verweerder in strijd met artikel 2.29, aanhef en onder d, van het Bbl.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de tegen de dwangsombesluiten ingediende bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de dwangsombesluiten in stand gelaten.
De invorderingsbeschikkingen
2.4.
De rechtbank overweegt dat de invorderingsbeschikkingen onderdeel uitmaken van het beroep tegen de lasten onder dwangsom. Bij de invorderingsbeschikkingen is verweerder ten aanzien van eisers overgegaan tot het invorderen van de volgens verweerder verbeurde dwangsommen. Verweerder is daarbij voor ieder afzonderlijk tot invordering overgegaan van een bedrag van € 50.000,-. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de controle van 13 november 2024, aan die besluiten ten grondslag gelegd dat eisers nog steeds bouwwerkzaamheden uitvoeren ondanks de bouwstop.

Beoordeling van de beroepsgronden tegen de dwangsombesluiten

Is er sprake van een overtreding?
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er, ten tijde van het opleggen van de lasten onder dwangsom sprake was van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow, artikel 22.26 van het omgevingsplan en artikel 2.29, aanhef en onder d, van het Bbl. Ook is niet in geschil dat er terecht een bouwstop is opgelegd.
Overtrederschap
4. Tussen partijen is verder niet in geschil dat DSG Verduurzamen IV B.V. en DSG Real Estate B.V. terecht als overtreders zijn aangemerkt, omdat zij beiden deels eigenaar van het perceel zijn. De rechtbank ziet ook geen reden om hen niet als overtreder aan te merken. Wel is in geschil of Sutor Invest B.V. en [eiser] in persoon als overtreders kunnen worden gezien.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de overtreder degene is die het wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. [1]
5.1.
De Afdeling heeft op deze rechtspraak van ‘toerekenen’ een nuancering aangebracht door te overwegen dat moet worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Die aansluiting geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen. Voor wat betreft de criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 [2] (Drijfmest-arrest), zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016 [3] .
5.2.
In zijn arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: in zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader als de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging."
Uit de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet vereist is dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen.
5.3.
Voor natuurlijke personen betekent functioneel daderschap dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de persoon als (functioneel) dader kan worden toegerekend als hij of zij erover kon beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat deze of een vergelijkbare gedraging door de persoon werd aanvaard of tracht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden valt ook het niet in acht nemen van de zorg die in redelijkheid van de persoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [4]
6. Op grond van het voornoemd juridisch kader is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht Sutor Invest B.V. en [eiser] als overtreders heeft aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Sutor Invest B.V.
7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het overtrederschap van Sutor Invest B.V. gebaseerd is op het functioneel daderschap. Ter onderbouwing baseert verweerder zich op de uittreksels van de Kamer van Koophandel (KvK). Daaruit blijkt dat Sutor Invest B.V. bestuurder en enig aandeelhouder is van DSG Real Estate B.V. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat Sutor Invest B.V. in deze hoedanigheid de zeggenschap en de beschikkingsmacht over DSG Real Estate B.V. heeft, althans kan zij invloed uitoefenen op DSG Real Estate B.V. Deze vennootschap is vervolgens volgens de uittreksels bestuurder en enig aandeelhouder van DSG Verduurzamen IV B.V. en heeft daarmee over deze vennootschap de zeggenschap en beschikkingsmacht. Ter zitting hebben eisers bevestigd die onderlinge verhoudingen tussen de vennootschappen en [eiser] niet te betwisten.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uittreksels van de KvK en de informatie die daaruit naar voren komt op zichzelf reeds een sterke aanwijzing dat Sutor Invest, direct, maar in ieder geval indirect, het in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen, omdat er sprake is van zeggenschap en beschikkingsmacht over de eigenaren van het perceel. Dat betekent dat de gedragingen van DSG Real Estate B.V. en/of DSG Verduurzamen IV B.V aan Sutor Invest B.V. zijn toe te rekenen. In tegenstelling tot waar eisers vanuit gaan, is het vervolgens aan eisers, althans Sutor Invest B.V., om de informatie die uit de KvK volgt te weerleggen en toe te lichten waarom het feitelijk anders is dan uit de uittreksels van de KvK blijkt en wat in dat geval de omstandigheden zijn die maken dat de overtreding niet aan hen kan worden toegerekend. Dat is niet gebeurd. Eisers hebben niet toegelicht waarom het anders zou moeten zijn en dus heeft verweerder terecht geconcludeerd dat Sutor Invest B.V. overtreder is.
[eiser]
7.2.
Uit de KvK blijkt voorts dat [eiser] bestuurder en enig aandeelhouder is van Sutor Invest B.V. Dat betekent dat uit de uittreksels van de KvK volgt dat [eiser] uiteindelijk zeggenschap heeft over alle drie de overige eisers. Hij is immers direct of indirect bestuurder van die vennootschappen en in die rol had hij het dus in zijn macht om de overtreding te beëindigen. Hij kon immers, volgens de KvK, de eigenaren van het perceel aansturen. Dat dit niet zo was heeft [eiser] niet onderbouwd. Weliswaar heeft hij aangevoerd dat anderen dan hijzelf verantwoordelijk waren, maar een verantwoordelijkheid van werknemers of anderen op uitvoeringsniveau betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [eiser] als (indirect) bestuurder de gedraging die een overtreding oplevert niet heeft aanvaard of dat hij deze niet kon tegenhouden of aanpassen. Eigenlijk zegt [eiser] met dat standpunt dat als hij de zonnepanelen niet zelf op de kas monteert, hij niet als overtreder kan worden aangemerkt en dat kan nu juist uitdrukkelijk wel in het kader van functioneel daderschap.
7.3.
De rechtbank merkt bovendien nog op dat ter zitting is bevestigd dat [eiser] ook wist dat er een project op het perceel plaatsvond. Hij had er dus wel degelijk kennis van en dat is ook een belangrijke aanwijzing dat hij (de mogelijkheid tot) het begaan van de overtreding heeft aanvaard. De rechtbank overweegt daarover nog dat het niet van belang is dat [eiser] niet specifiek opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van de werkzaamheden of daar niet tot in detail van op de hoogte was. Relevant is dat volgens de rechtbank voldoende vaststaat dat [eiser] het in zijn macht had om invloed uit te oefenen op wat er op het perceel plaatsvond.
7.4.
Resumerend is de rechtbank dus van oordeel dat verweerder terecht alle vier de eisers als overtreder heeft aangemerkt.
Hoogte dwangsommen
8. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder de hoogte van de dwangsommen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De hoogte van de dwangsommen is aldus eisers feitelijk één dwangsom van € 200.000,-, wat disproportioneel is en feitelijk neer zou komen op een boetebesluit. Volgens eisers heeft verweerder onterecht de dwangsom gebaseerd op een berekening van vermeend beoogd gebruik, waarbij wordt opgemerkt dat eisers op geen enkel moment enige financiële opbrengst hebben gehad.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan bij het bepalen van de hoogte van de dwangsommen en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toekomt. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118). De dwangsom moet een zodanige prikkel geven dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
8.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift over de hoogte van de dwangsommen gezegd dat die zijn afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van de regels. Daarvan moet een prikkel uitgaan. Verweerder heeft voor de hoogte van de dwangsommen een koppeling gemaakt tussen het doel waarvoor de zonnepanelen gebruikt gaan worden en de daarmee te verwachten opbrengst. Volgens verweerder ziet het doel van de zonnepanelen op het opwekken van energie en de daaruit gegenereerde opbrengst. Volgens eisers zijn de zonnepanelen bedoeld voor de teelt en zijn de dwangsommen qua hoogte daarom onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat het voor de motivering van de hoogte van de dwangsom per besluit per eiser in dit geval niet erg relevant is waarvoor de zonnepanelen bedoeld zijn. Het doel van de bouwstop is het niet verder bouwen op het perceel waaronder de aanleg van het zonnepanelensysteem. Niet ter discussie staat dat de dwangsom daarvoor afdoende hoog is. Vervolgens is de vraag of de dwangsommen om die overtreding te beëindigen té hoog zijn. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder in de hoogte van een dergelijke dwangsom als prikkel verwerken wat het uiteindelijke doel van de bouwwerkzaamheden is en wat hier aan financieel voordeel mee kan worden gehaald. Dat uiteindelijke financiële voordeel bepaalt immers mede of een overtreder ervoor kiest te stoppen met bouwen of niet. Of de zonnepanelen vervolgens bedoeld zijn voor het opwekken van stroom of (mede) gebruikt worden voor de (verwarming van) de kassen waarin teelt zou moeten gaan plaatsvinden is voor de hoogte alleen relevant als er een enorme discrepantie zou bestaan tussen het financiële voordeel dat gehaald kan worden met zonnestroom opwekken ten opzichte van wat er wordt verdiend met teelt. Dat hiervan sprake is hebben eisers niet onderbouwd. Alleen al hierom is de € 50.000,- per overtreder al voldoende onderbouwd.
8.3.
Ten overvloede geldt nog het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van het opwekken van zonnestroom bedoeld voor de verkoop van elektriciteit en niet van teelt als uiteindelijk gebruik van de kassen. Immers, eisers hebben niet kunnen toelichten wat er geteeld zou kunnen worden in enige relevante mate als de kas volledig donker is omdat het glazen dak is vervangen door een dak van zonnepanelen. Bovendien is de kas sterk verouderd en blijkt nergens uit dat eisers voornemens zijn de kas zodanig te renoveren dat er rendabele teelt mogelijk is. Als het gaat om de motivering van verweerder van die zonnepanelenopbrengst overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsommen gerelateerd aan circa 20.000 m2 aan zonnepanelen, die gemiddeld circa 3.600.000 kWh stroom per jaar opwekken. De rekensom die verweerder hierbij heeft gemaakt in het kader van stroomopbrengst komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Eisers hebben hier niets tegenover gesteld. Eisers hebben ter zitting enkel gesteld dat de opbrengst tot op heden nul is. Dat is geen weerspreking van de berekening van verweerder, maar een feitelijk gevolg van de bouwstop en het voortijdig beëindigen van het project. Daarmee zijn de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende gemotiveerd.

Beoordeling van de beroepsgronden tegen de invorderingsbeschikkingen

Is er een dwangsom verbeurd?
9. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de bouwstop enkel op het PV-systeem ziet, zodat de bouwstop tijdens de controle van 13 november 2024 niet is overtreden. Volgens eisers blijkt dit ook uit de formulering van het primaire besluit, omdat daarin staat dat tijdens de controle is vastgesteld dat de bouwwerkzaamheden bestaan uit het plaatsen van panelen voor elektriciteitsopwekking, er 18 omvormers aanwezig waren en twee transformatorstations. Daaruit blijkt volgens eisers duidelijk dat onder de bedoelde werkzaamheden van de bouwstop wordt verstaan het PV-systeem bestaande uit de omvormers en de transformatorstations.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat blijkens de controle van 13 november 2024 en het daaraan ten grondslag liggende controlerapport, met bijbehorende foto’s, de volgende werkzaamheden zijn geconstateerd:
  • met een minigraver zijn er sleuven gegraven;
  • 4 personen waren op het moment van de controle een metalen aardleiding aan het aanbrengen (zodanig dat er een lange aardingsleiding is ontstaan);
  • de metalen aardleiding was men op de stalen kolommen in de kas aan het bevestigen (de aardleiding werd om de paar stramienen op de kolommen van de staalconstructie van de kas vastgemaakt);
  • er is potentiaalvereffeningsrail aangebracht.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het primaire besluit niet is af te leiden dat de bouwstop enkel ziet op bouwwerkzaamheden met betrekking tot het PV-systeem. Het doel en karakter van een bouwstop als ordemaatregel maakt dat er in de regel niets op het perceel gebouwd mag worden (vergunningsplichtig of niet), tenzij dit specifiek is uitgesloten door het bevoegd gezag. In onderhavig geval zijn slechts de bouwwerkzaamheden die betrekking hebben op de hemelwaterafvoer uitdrukkelijk toegestaan. In de primaire besluiten staat naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bouwstop alleen geldt voor werkzaamheden aan het PV-systeem. Wel wordt daarin vermeld dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat er werkzaamheden aan het PV-systeem plaatsvonden. Dat ziet de rechtbank echter niet als een beperking van de bouwstop. Bij de formulering van de bouwstop als last onder dwangsom wordt daarover immers niets meer gezegd.
9.3.
De op 13 november 2024 geconstateerde bouwwerkzaamheden vallen dus naar het oordeel van de rechtbank binnen de bouwstop en dat betekent dat de dwangsommen zijn verbeurd. Overigens, zelfs al zou de bouwstop beperkt zijn tot werkzaamheden aan het zonnepanelen PV-systeem, dan overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben op zitting aangevoerd dat de betreffende werkzaamheden nodig waren voor de veiligheid van de zonnepanelen en daarmee zijn het volgens de rechtbank dus werkzaamheden aan het zonnepanelen PV-systeem. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een dwangsom is verbeurd, omdat de opgelegde bouwstop is overtreden.
Is invordering onevenredig?
10. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat het invorderen van de verbeurde dwangsommen niet evenredig is. Volgens eisers hadden zij geen andere keuze dan het uitvoeren van de aardingswerkzaamheden zoals geconstateerd tijdens de controle van 13 november 2024, omdat de werkzaamheden van belang waren voor de veiligheid van de zonnepanelen, maar ook noodzakelijk waren in het kader van de zorgplicht die zij hebben als eigenaren van het perceel.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enige noodzaak om te aarden, omdat de zonnepanelen nog niet waren aangesloten en nog niet in werking waren. Enige onderbouwing hebben eisers ook niet gegeven. Zelfs al was die noodzaak er wel, zij het op grond van wettelijke voorschriften, zij het vanwege een afweging door eigenaren om hun zonnepanelen te willen beschermen, dan had het op de weg van eisers gelegen om voor die werkzaamheden vooraf toestemming te vragen bij verweerder. Door dit niet te doen, hebben eisers willens en wetens het risico gelopen dat verweerder geen noodzaak zag voor de werkzaamheden en dus tot invordering zouden overgaan.
Is het onevenredig om bij alle vier de eisers in te vorderen?
11. Ter zitting hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat uit het voornemen tot invordering blijkt dat verweerder in eerst instantie slechts bij één eiser wilde invorderen. Had die betreffende eiser op dat moment meteen betaald dan was de betaling afgedaan en had verweerder niet vervolgens bij alle vier de eisers afzonderlijk een bedrag van € 50.000,- kunnen invorderen. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte de verbeurde dwangsom bij alle vier de eisers ingevorderd.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat een mogelijke ongelukkige formulering in een voornemen tot invordering alleen niet maakt dat enkel daarom invorderen bij eisers onevenredig is. Bijkomende omstandigheden hebben eisers niet gesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het invorderen van de verbeurde dwangsom bij alle vier de eisers onevenredig of onterecht is.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht de bouwstop en de last onder dwangsom aan alle vier de eisers heeft opgelegd en vervolgens ook terecht de verbeurde dwangsom bij iedere eiser afzonderlijk heeft ingevorderd.
12.1.
Het beroep is ongegrond en daarom krijgen eisers het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 27 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849.
4.Vgl. HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.