Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2870

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11799056\CV EXPL 25-3161
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 sub a BWArt. 3:1 BWArt. 3:6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid bewindvoerder bij beëindiging arbeidsovereenkomst onder beschermingsbewind

Sinds 13 juli 2020 was eiseres in dienst bij gedaagde en sinds 4 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Op 1 maart 2024 werd beschermingsbewind ingesteld over haar goederen, waaronder haar loonrechten, met Limburg Bewind als bewindvoerder. Gedaagde stuurde op 4 oktober 2024 een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die eiseres ondertekende, maar zonder medewerking van de bewindvoerder.

Limburg Bewind stelde dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was omdat alleen de bewindvoerder bevoegd is tot het aangaan van dergelijke overeenkomsten. Gedaagde betwistte dit en stelde dat de bewindvoerder impliciet had ingestemd. De rechtbank oordeelde dat gedaagde op de hoogte was van het bewind en dat de overeenkomst daarom niet rechtsgeldig was gesloten. De vernietiging van de overeenkomst door de bewindvoerder was terecht.

Gevolg is dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 oktober 2024 is geëindigd en dat gedaagde het loon moet doorbetalen tot het einde van de loondoorbetalingsperiode. De vorderingen tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, salarisspecificaties en incassokosten werden toegewezen. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De vaststellingsovereenkomst is vernietigd, de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan en gedaagde moet het loon doorbetalen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11799056 \ CV EXPL 25-3161
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
LIMBURG BEWIND B.V. IN DE HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN DIE TOEBEHOREN AAN [eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Limburg Bewind
respectievelijk [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L.H. Janssen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.H.J. van Gerven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de beslissing waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte van Limburg Bewind met twee producties
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Sinds 13 juli 2020 is [eiseres] in dienst van de (rechtsvoorgangster) van [gedaagde] als all round medewerkster. Haar laatste (gekorte) salaris bedroeg € 1.576,88 bruto. Sinds 4 oktober 2022 is [eiseres] arbeidsongeschikt.
2.2.
De rechtbank Limburg heeft per 1 maart 2024 een beschermingsbewind ingesteld over de goederen van [eiseres] . Daarbij is Limburg Bewind tot haar bewindvoerder benoemd.
2.3.
In de whats-app van 20 september 2024 aan de moeder van [eiseres] heeft [gedaagde] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid eindigt en de formele afhandeling daarvan of via het UWV gaat of via een vaststellingsovereenkomst. Alleen in het laatste geval bestaat recht op de transitievergoeding.
2.4.
Op 4 oktober 2024 heeft [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst naar [eiseres] gestuurd. Daarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2024 eindigt. [eiseres] heeft dit ondertekend. Het door haar ondertekende exemplaar heeft [gedaagde] op 30 oktober 2024 ontvangen.
2.5.
Ondanks diverse reminders heeft [eiseres] pas eind september 2024 de WIA aanvraag naar het UWV gestuurd.
Bij beschikking van 3 oktober 2024 heeft het UWV aangegeven dat die WIA aanvraag te laat is ingediend en dat [gedaagde] daarom tot 13 december 2024 het loon van [eiseres] moet doorbetalen. [gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het UWV heeft dat bezwaar op 13 november 2024 ongegrond verklaard.
2.6.
Bij beslissing van 20 november 2024 heeft het UWV [gedaagde] een verdere loonsanctie opgelegd vanwege het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen: [gedaagde] dient daarom het loon aan [eiseres] door te betalen tot 12 december 2025. In verband daarmee heeft het UWV de behandeling van de WIA-aanvraag aangehouden.
[gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 25 april 2025 heeft UWV dat bezwaar ongegrond verklaard. [gedaagde] is vervolgens daartegen in beroep gegaan bij de rechtbank, die dat beroep heeft afgewezen. [gedaagde] heeft hiertegen geen appel meer ingesteld.
2.7.
Bij brief van 8 april 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] de
vaststellingsovereenkomst namens haar vernietigd vanwege het bestaan van een wilsgebrek. Hij maakt daarin aanspraak op doorbetaling van het loon met ingang van 1 oktober 2024.
2.8.
Bij brief van 18 april 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aangegeven deze vernietiging niet te accepteren.
2.9.
Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft de gemachtigde namens [eiseres] én Limburg Bewind bericht dat op grond van art 1:439 BW Pro de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is gesloten. Hij maakt ten behoeve van zijn cliënte aanspraak op loon, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten.
2.10.
Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] dit standpunt betwist.
2.11.
Per 12 december 2025 is [eiseres] een WIA uitkering verleend met een ongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.
2.12.
Behalve de transitievergoeding heeft [gedaagde] sinds 1 oktober 2024 niets meer aan loon betaald aan [eiseres] .

3.Het geschil

3.1.
Limburg Bewind vordert - na wijziging van de vordering ter mondelinge behandeling - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):
I voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is geëindigd c.q. dat de vaststellingsovereenkomst op goede gronden is vernietigd en dat als gevolg daarvan de arbeidsovereenkomst vanaf 1 oktober 2024 is blijven voortbestaan c.q. met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2024 wordt hersteld,
II [gedaagde] te veroordelen om, onder verrekening van de transitievergoeding, het achterstallige salaris en emolumenten vanaf 1 oktober 2024, binnen 14 dagen na dit vonnis te betalen aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van opeisbaarheid,
III [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het salaris en emolumenten, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid,
IV [gedaagde] te veroordelen tot afgifte aan [eiseres] van deugdelijke en correcte salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot 12 december 2025, een correcte jaaropgaaf over 2024, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen,
V [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van
€ 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Het geschil tussen partijen draait om de vraag of de met [eiseres] aangegane en door haar ondertekende vaststellingsovereenkomst geldig is gesloten. Limburg Bewind stelt dat dat niet het geval is om twee redenen: ten eerste omdat er bij het sluiten ervan bij [eiseres] een wilsgebrek bestond: er was namelijk sprake van dwaling danwel van misbruik van omstandigheden. Ten tweede omdat de vaststellingsovereenkomst is aangegaan met [eiseres] zelf en niet met de daartoe bevoegde entiteit Limburg Bewind.
Volgens [gedaagde] is er wel sprake van een geldig gesloten vaststellingsovereenkomst: dwaling en/of misbruik van omstandigheden was niet aan de orde en de bewindvoerder heeft – al dan niet impliciet - ingestemd met deze vaststellingsovereenkomst, althans heeft niet binnen een redelijke termijn laten blijken van bezwaren daartegen.
3.3.
Op de uitgebreidere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De bevoegdheid tot het aangaan van een vaststellingsovereenkomst ligt bij de bewindvoerder
4.1.
Vast staat dat alle goederen die aan [eiseres] (zullen) toebehoren onder (beschermings-) bewind zijn gesteld [1] . Met goederen worden ook vermogensrechten bedoeld. Dat zijn rechten die overdraagbaar zijn of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel, verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel [2] . Een arbeidsovereenkomst geeft recht op loon en daarmee dus een materieel voordeel. Daarmee is het recht op loon een goed dat onder bewind staat [3] . Gevolg daarvan is dat over kwesties die het loon betreffen alleen de bewindvoerder de bevoegde persoon is om overeenkomsten daaromtrent te sluiten. De onderbewindgestelde is dus niet zelfstandig bevoegd om een arbeidsovereenkomst te beëindigen, voor zover hij/zij daardoor het recht op loon, dan wel een ander onder het bewind vallend “goed” prijsgeeft c.q. afstand doet van bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten. Voor een dergelijke handeling is de medewerking van de bewindvoerder nodig [4] .
4.2.
De conclusie is dan ook dat de aan de orde zijnde vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is gesloten, omdat deze niet is aangegaan met de tot het sluiten ervan bevoegde bewindvoerder. De overeenkomst is daarom vernietigbaar maar blijft in stand totdat de vernietiging is ingeroepen.
De bewindvoerder heeft buiten rechte een beroep gedaan op de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.
4.3.
Bij brief van 8 april 2025 heeft [eiseres] zelf, via haar gemachtigde, de overeenkomst buitenrechtelijk vernietigd wegens het bestaan van een wilsgebrek. De vraag of dit beroep wel enig rechtsgevolg heeft kan in het midden blijven nu de gemachtigde in zijn latere e-mail van 12 juni 2025 heeft aangegeven ook op te treden namens de bewindvoerder. De grond om de vaststellingsovereenkomst te vernietigen heeft hij daarbij aangevuld met een beroep op het feit dat de overeenkomst met een onbevoegde persoon was aangegaan.
Volledigheidshalve heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling nog eens aangegeven het eens te zijn met de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.
Daarmee treft de buitengerechtelijke vernietiging doel.
Vernietiging niet onredelijk
4.4.
[gedaagde] voert aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bewindvoerder het eens was met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] is, omdat contact met [eiseres] onmogelijk bleek, op enig moment in contact gekomen met de moeder van [eiseres] . Daar is overleg mee geweest over de vaststellingsregeling. De moeder van [eiseres] stond weer in contact met de bewindvoerder. Daardoor ontstond bij [gedaagde] de indruk dat de bewindvoerder instemde met de gemaakte afspraken. Die indruk wordt nog eens versterkt door het feit dat de bewindvoerder niet binnen een redelijke termijn daar bezwaar tegen heeft gemaakt. Pas in juni 2025, dus zeven maanden na het sluiten van die vaststellingsovereenkomst, heeft Limburg Bewind het standpunt ingenomen dat die overeenkomst niet rechtsgeldig is gesloten. De bewindvoerder mag dus aan de vaststellingsovereenkomst gehouden worden. Dit standpunt van [gedaagde] deelt de kantonrechter niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.5.
[gedaagde] is op enig moment vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte geraakt van het feit dat [eiseres] onder bewind stond. Ook de gegevens van de bewindvoerder zijn toen bekend geworden. De situatie dat [gedaagde] geen weet had van het bewind, of de bewindvoerder niet zou hebben kunnen bereiken, doet zich dus niet voor.
4.6.
Beschermingsbewind wordt niet voor niets ingesteld. Uitgangspunt is de omstandigheid dat de betreffende persoon bescherming nodig heeft omdat het niet meer lukt de eigen belangen zelf naar behoren te behartigen. Die bescherming zou niet effectief zijn als deze al te gemakkelijk ter zijde zou kunnen worden geschoven.
4.7.
Dat [eiseres] niet meer in staat was “op haar eigen winkel te passen” heeft [gedaagde] ook zelf ervaren. [eiseres] verscheen niet meer op het werk en ontweek elk rechtstreeks contact. Het contact met [eiseres] verliep daardoor (groten)deels via haar moeder. Het moet voor [gedaagde] duidelijk zijn geweest dat [eiseres] bezig was “haar eigen ruiten in te gooien”. In zo’n situatie – [gedaagde] weet dat sprake is van bewind en zij kan zelf vaststellen dat dat niet zonder reden is - mag van [gedaagde], als werkgeefster, verwacht worden dat zij extra zorgvuldig optreedt.
Dat houdt bijvoorbeeld in dat [gedaagde] - als het gaat om zo een belangrijk onderwerp als het einde van de arbeidsovereenkomst - rechtstreeks contact had moeten opnemen met de daartoe bestemde persoon, de bewindvoerder. De kantonrechter wil graag geloven dat [gedaagde] niet op de hoogte is van alle finesses rondom “bewind” maar dat zij bij de bewindvoerder moet zijn voor het maken van afspraken betreffende [eiseres] is ook voor haar duidelijk. Op z’n minst had zij bij de bewindvoerder moeten controleren hoe de rolverdeling (bewindvoerder, moeder?) richting de werkgeefster lag. En als zij dat vervolgens niet doet, al dan niet bewust, komen de risico’s die daaruit voortvloeien voor haar rekening.
Tussenconclusie
4.8.
Nu in casu de vaststellingsovereenkomst gesloten is met een onbevoegde persoon – en er geen gronden zijn die maken dat die onbevoegdheid niet aan [gedaagde] zou mogen worden tegengeworpen - is die vaststellingsovereenkomst op juiste gronden buiten rechte vernietigd.
4.9.
De andere voor vernietiging aangevoerde gronden (dwaling en/of misbruik van omstandigheden) hoeven daarmee niet meer te worden beoordeeld.
Gevolgen vernietiging: loon betalen
4.10.
Door de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst niet per 1 oktober 2024 geeïndigd. Gevolg daarvan is dat [gedaagde] ook na die datum nog steeds loon verschuldigd is aan [eiseres] , tot de loondoorbetalingsperiode eindigt. De daarop gerichte vordering is dan ook toewijsbaar, evenals de gevorderde betalingstermijn van 14 dagen.
4.11.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiseres] geen arbeid heeft aangeboden zodat om die reden er toch geen loonbetalingsverplichting bestaat. Die opvatting deelt de kantonrechter niet.
“Aanbod van arbeid” is een vereiste als er twijfel over bestaat of de werknemer wel bereid is de arbeid – of bij ziekte re-integratie activiteiten – te verrichten, terwijl duidelijk is dat de werkgever daarvoor open staat. In dit geval heeft de werkgever echter meerdere keren duidelijk te kennen gegeven dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Daaruit volgt dat [gedaagde] al kenbaar had gemaakt dat zij [eiseres] niet zou toelaten tot de arbeid en evenmin re-ïntegratie activiteiten zou ontplooien. In dat licht zou het aanbieden van arbeid een formaliteit zonder inhoud zijn geweest.
Geen matiging
4.12.
Ter zitting is matiging van de loonvordering aan de orde gesteld. De kantonrechter zal daartoe niet over gaan. Daarvoor is het navolgende van belang.
Als gevolg van de door het UWV opgelegde (en inmiddels onherroepelijk geworden) loonsancties dient [gedaagde] het loon van [eiseres] door te betalen tot 12 december 2025.
Zou [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst niet gesloten hebben, dan had zij in exact dezelfde situatie verkeerd. Het enige verschil zou zijn geweest dat zij dan wellicht de periode van de loonsanctie had kunnen bekorten. Er is echter niets aangevoerd met betrekking tot de wijze waarop en de mate waarin dat succesvol moet worden geacht. De kantonrechter acht de kans op een groot verschil tussen beide uitkomsten daarom klein. Daarnaast wordt er nog maar eens aan herinnerd dat de onderhavige situatie primair is ontstaan omdat [gedaagde] zich niet in verbinding heeft gesteld met de persoon die daarvoor aangewezen was, de bewindvoerder.
Wettelijke verhoging
4.13.
Limburg Bewind vordert betaling van de wettelijke verhoging vanaf de dag der opeisbaarheid. De wettelijke verhoging heeft als doel de werkgever te dwingen het loon tijdig te betalen. In de omstandigheid dat [gedaagde] in een bezwaar- en beroepsprocedure verwikkeld is geweest tegen de door het UWV opgelegde loonsanctie, en daarmee tegen de verschuldigdheid van het loon, ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat de wettelijke verhoging pas verschuldigd wordt indien het loon niet binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis is betaald.
Wettelijke rente
4.14.
Limburg Bewind vordert wettelijke rente over het loon. Nu er sprake is van te late betaling zal de kantonrechter deze toewijzen vanaf de vervaldata van het loon.
De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is enkel toewijsbaar na bovengenoemde
14 dagen na dit vonnis.
Salarisspecificaties
4.15.
De vordering tot het verstrekken van deugdelijke en correcte salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met 12 december 2025, alsmede een correcte jaaropgave over 2024 binnen 14 dagen na dit vonnis, acht de kantonrechter toewijsbaar. Indien [gedaagde] hiertoe niet overgaat zal zij een dwangsom verbeuren van € 200,00 per dag of gedeelte van een dag. De kantonrechter acht het redelijk de maximum te verbeuren dwangsom te bepalen op € 5.000,00.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
Limburg Bewind vordert een bedrag van € 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat Limburg Bewind voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het terzake gevorderde bedrag voldoet aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is daarmee toewijsbaar.
De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf de 14e dag na heden.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Limburg Bewind B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,95
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punt × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.470,95.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is geëindigd en dat de arbeidsovereenkomst na 1 oktober 2024 is blijven voortbestaan,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het achterstallige salaris en emolumenten vanaf 1 oktober 2024, onder verrekening van de transitievergoeding, binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van opeisbaarheid,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging over het salaris en emolumenten vanaf de 14e dag na heden, indien deze niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na heden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiseres] van deugdelijke salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot 12 december 2025 en een correcte jaaropgaaf over 2024, binnen 14 dagen na heden en bepaalt dat [gedaagde] bij niet-voldoening daaraan een dwangsom verbeurt van € 200,00 per dag, zulks tot een maximum is bereikt van € 5.000,00,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.470,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 sub a BW Pro
2.Artikel 3:1 BW Pro in combinatie met artikel 3:6 BW Pro
3.Zie ook Rechtbank Midden-Nederland ECLI:NL:RBMNE:2025:5109
4.Volgens het Gerechtshof Den Haag, 22 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:616