ECLI:NL:RBLIM:2026:2730

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
ROE 24/4370
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:4 WaterwetArt. 5:1 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens ontbreken overtreding Waterwet dijk

Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend tegen het waterschap Limburg omdat hekwerken op een dijk achter hun woning waren verwijderd, waardoor fietsers toegang kregen en zij overlast ervaren. Het waterschap wees het verzoek af omdat volgens hen geen sprake was van een wijziging van de normatieve toestand van de dijk en dus geen overtreding van artikel 5:4 van Pro de Waterwet.

De rechtbank oordeelt dat het verwijderen van de hekwerken niet leidt tot een wijziging in richting, vorm, afmeting of constructie van de dijk zoals bedoeld in de Waterwet. De normatieve toestand blijft ongewijzigd, waardoor geen nieuw projectplan vereist is en geen overtreding heeft plaatsgevonden.

Daarnaast is geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot handhavend optreden zonder dat er een overtreding is. Het beroep van eisers wordt daarom ongegrond verklaard. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen overtreding van artikel 5:4 Waterwet is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4370
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, het waterschap

(gemachtigde: mr. T. Raaijmakers).

Inleiding

1. Op 8 augustus 2023 hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend bij het waterschap. Op 11 oktober 2023 heeft het waterschap aan eisers het voornemen kenbaar gemaakt het verzoek af te wijzen. Nadat eisers hierover hun zienswijzen hebben geuit, heeft het waterschap met het primaire besluit van 15 november 2023 het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 op het bezwaar van eisers is het waterschap bij dat besluit gebleven.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het waterschap van 3 september 2024 op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het waterschap en [naam 1] en [naam 2] namens het waterschap.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eisers wonen aan het adres [adres] te [woonplaats] . Achter hun woning stroomt de rivier de Maas. Tussen de Maas en de woning van eisers is een dijk gelegen. In 2019 is door het waterschap het projectplan “Dijkverbetering Beesel” (het projectplan) vastgesteld in verband met het verstevigen van de dijk. Voor dat moment liep over de dijk een onderhoudsstrook en waren er hekwerken geplaatst (met een draaipoortje voor wandelaars) om fietsers van de dijk te weren.
2.1.
In augustus 2023 zijn de hekwerken verwijderd. Daarmee is het gedeelte van de dijk achter de woning van eisers toegankelijk geworden voor fietsers. Eisers ervaren hierdoor (geluids)overlast en hebben daarom het waterschap verzocht om handhavend op te treden en de hekwerken terug te plaatsen. Volgens eisers handelt het waterschap in strijd met het projectplan en is daarom sprake van een overtreding van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet. Daarnaast stellen eisers dat het waterschap handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel door af te wijken van het projectplan.
2.2.
Het waterschap stelt in het primaire besluit dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, omdat de toestand van de dijk niet wijzigt en daarom geen aanpassing van het projectplan nodig is. Daarnaast is het waterschap van mening dat geen toezegging aan eisers is gedaan waaraan zij enig gerechtvaardigd vertrouwen hebben mogen ontlenen. Tijdens de bezwaarprocedure hebben partijen volhard in hun standpunten. Het bezwaar van eisers is ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingevoerd. Het verzoek dat tot het bestreden besluit heeft geleid dateert van vóór 1 januari 2024. Gelet op artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet is het oude recht, in dit geval de Waterwet, van toepassing.
3.1.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen.
Is sprake van een overtreding?
4. Het college kan alleen handhavend optreden tegen een overtreding. [1] Wanneer sprake is van een overtreding is nader omschreven in artikel 5:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Tussen partijen is in geschil of het verwijderen van de hekwerken en daarmee het toegankelijk maken van de dijk voor fietsers in strijd is met artikel 5.4 van de Waterwet.
5. Artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet bepaalde, voor zover relevant, dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschiedt overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Tussen partijen is niet in geschil dat de dijk achter de woning van eisers onder de bedoelde definitie van waterstaatswerk valt.
5.1.
Artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet bepaalde, voor zover relevant, dat het plan ten minste een beschrijving bevat van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Voor in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bevat het plan een inventarisatie van maatschappelijke functies en ambities en mogelijke innovaties waarmee de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk gecombineerd zou kunnen worden, inclusief de mogelijkheden om het desbetreffende werk middels een concessie voor werken of andere vorm van publiek-private samenwerking te realiseren.
6. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het verwijderen van de hekwerken gekwalificeerd kan worden als een wijziging van een waterstaatswerk, in dit geval de dijk. In dat geval had het waterschap een nieuw projectplan moeten vaststellen voor het verwijderen van de hekwerken.
6.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 25 augustus 2021 bepaald dat een wijziging, zoals bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet, plaatsvindt wanneer de normatieve toestand van een waterstaatswerk verandert. [2] Volgens de memorie van toelichting bij artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet betreft de verplichting om voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk een projectplan vast te stellen uitsluitend die voorgenomen werken of werkzaamheden in of bij een waterstaatswerk die tot gevolg hebben dat wijziging wordt gebracht in de normatieve toestand (richting, vorm, afmeting of constructie) van dat waterstaatswerk, zoals die is vastgelegd in de legger.
6.2.
De rechtbank is met het waterschap van oordeel dat de richting, vorm, afmeting of constructie van de dijk niet verandert door het verwijderen van de hekwerken. De uitspraak waarnaar eisers verwijzen [3] , maakt dit niet anders. Daarbij ging het om het wijzigen van de rijbaan van een dijk, waardoor er wel sprake was van een wijziging in de normatieve toestand. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het waterschap een nieuw projectplan had moeten vaststellen voor het verwijderen van de hekwerken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een overtreding van artikel 5.4 van de Waterwet en heeft het waterschap het verzoek van eisers terecht afgewezen vanwege het ontbreken van de bevoegdheid om handhavend op te treden.
Is er gerechtvaardigd vertrouwen gewekt en kan dit een grondslag zijn voor handhavend optreden?
7. Tussen partijen is verder in geschil of het waterschap bij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat fietsers niet op de dijk achter de woning van eisers zouden mogen fietsen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op deze vraag niet kan leiden tot een verplichting van het waterschap om handhavend op te treden. Daarvoor is immers, zoals onder 4. al toegelicht, in de eerste plaats nodig dat sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift (artikel 5:1 van Pro de Awb). Zelfs indien het waterschap een toezegging heeft gedaan, maakt dat niet dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Zolang geen sprake is van een overtreding, is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Dit laat onverlet de eventuele civielrechtelijke gevolgen van een dergelijke toezegging.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
9.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 23 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 5:2, eerste lid en onder b, van de Awb, waarin een herstelsanctie is gedefinieerd als een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.