Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2682

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
12073941 AZ VERZ 26-10
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 BWArt. 7:686a lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing transitievergoeding en achterstallige loon na ongeldige opzegging arbeidsovereenkomst

De werknemer was sinds augustus 2023 in dienst als leerling machinist minigraaf bij de werkgever. Op 21 oktober 2025 deelde de werkgever mee de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 te ontbinden. De werknemer berustte in het einde van de arbeidsovereenkomst en verzocht de kantonrechter om betaling van een transitievergoeding, vakantiebijslag, resterende verlof- en adv-dagen, wettelijke rente, incassokosten, proceskosten en verstrekking van loonstroken.

De werkgever voerde geen verweer en was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter stelde vast dat de werkgever deugdelijk was opgeroepen en wees het verzoek van de werknemer vrijwel volledig toe. De transitievergoeding werd vastgesteld op € 2.258,19 bruto, gebaseerd op het door de werknemer plausibel gestelde brutoloon van € 2.834,19 per maand.

Daarnaast werden vakantiebijslag, resterende verlof- en adv-dagen, wettelijke rente over deze bedragen, incassokosten en proceskosten toegewezen. De werkgever werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van een netto/bruto specificatie en ontbrekende loonstroken, met een dwangsom bij niet-naleving. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van transitievergoeding, achterstallig loon, vakantiebijslag, verlof, incassokosten en proceskosten met wettelijke rente en verstrekking van loonstroken.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12073941 \ AZ VERZ 26-10
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: ARAG SE,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 2001, is sinds 16 augustus 2023 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is leerling machinist minigraaf met een loon van € 2.834,19 bruto per maand.
2.2.
Op 21 oktober 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met hem ontbindt per 1 november 2025.
2.3.
Ondanks verzoeken van [werknemer] , voor het laatst bij brief van zijn gemachtigde van 9 januari 2026, heeft [werkgever] tot op heden geen transitievergoeding en geen eindafrekening betaald aan [werknemer] .

3.Het verzoek

3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot:
betaling van een transitievergoeding van € 2.258,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van € 1.133,86 bruto vakantiebijslag;
betaling van € 4.450,32 bruto aan resterende verlof- en adv-dagen;
betaling van de wettelijke rente over de onderdelen a. t/m c.;
betaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen b. en c.;
verstrekking van een netto/bruto specificatie waarin de bedragen en betalingen van de onderdelen a. t/m e. zijn verwerkt op straffe van een dwangsom;
verstrekking van de ontbrekende loonstroken over de maanden januari tot en met november 2025, eveneens op straffe van een dwangsom;
betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 767,11, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[werkgever] heeft geen verweerschrift ingediend en namens haar is niemand verschenen bij de mondelinge behandeling op 19 maart 2026.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting is komen vast te staan dat [werkgever] deugdelijk is opgeroepen door de rechtbank en dat de gemachtigde van [werknemer] het verzoekschrift per exploot aan [werkgever] heeft laten betekenen en haar heeft opgeroepen om op de mondelinge behandeling te verschijnen. De kantonrechter heeft daarom in het feit dat niemand namens [werkgever] is verschenen geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak aan te houden om [werkgever] alsnog te laten oproepen voor een latere mondelinge behandeling.
4.2.
De kantonrechter zal het verzoek van [werknemer] op de onderdelen a. tot en met h. volledig toewijzen, met uitzondering van onderdeel d voor zover [werknemer] daarin [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding. [werkgever] heeft dat namelijk ook al verzocht in onderdeel a. en er is geen grond om [werkgever] twee keer te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding. Hieronder zal de kantonrechter een en ander nader uitleggen.
onderdeel a: de transitievergoeding
4.3.
[werknemer] heeft berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] . Dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, staat daarmee vast. [werkgever] is daarom op grond van art. 7:673 BW Pro aan [werknemer] een transitievergoeding verschuldigd.
4.4.
[werknemer] stelt dat hij al sinds 2024 geen loonstroken meer ontvangt waardoor hij niet weet hoe hoog zijn bruto-loon is. Vervolgens heeft hij een berekening gemaakt op grond waarvan hij meent dat zijn brutoloon laatstelijk € 2.834,19 per maand bedroeg. Tegen dit plausibele betoog is geen verweer gevoerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het door [werknemer] gestelde brutoloon. Dit brutoloon heeft [werknemer] dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de berekening van de hoogte van de door hem verzochte transitievergoeding. Ook overigens komt die berekening de kantonrechter juist voor. Hieruit volgt dat de verzochte transitievergoeding van € 2.258,19 bruto zal worden toegewezen.
4.5.
De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 december 2025 (art. 7:686a lid 1 BW).
de onderdelen b. tot en met h.
4.6.
In het verzoekschrift heeft [werknemer] vanaf nr. 38 deze onderdelen van zijn verzoek nader onderbouwd. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van [werknemer] stellingen. Op basis van die onderbouwing zijn de onderdelen b. tot en met h. toewijsbaar, met uitzondering van de in onderdeel d. verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding aangezien [werknemer] dat ook al in onderdeel a. verzocht heeft.. De verzochte wettelijke rente over de onderdelen b. en c. zal worden toegewezen vanaf de verzuimdatum.
de proceskosten en de nakosten
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 842,00 (€ 265,00 aan griffierecht en € 577,00 aan salaris gemachtigde.
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.9.
In deze beschikking wordt geen afzonderlijke beslissing genomen over de verzochte nakosten. Een kostenveroordeling levert immers ook een executoriale titel op voor de nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van
10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 2.258,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 1.133,68 bruto vakantiebijslag over de periode juni 2025 tot en met 1 november 2025,
5.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 4.450,32 bruto resterende verlofdagen en adv dagen,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de onderdelen 5.2. en 5.3., vanaf de verzuimdatum tot de dag van betaling,
5.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen 5.2. en 5.3.,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken waarin de bedragen en de betalingen van de onderdelen 5.1. tot en met 5.5. zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.7.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de ontbrekende loonstroken over de maanden januari tot en met november 2025 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.8.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 767,11 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van betaling,
5.9.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.10.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.