Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).
5.De beslissing
1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
Rechtbank Limburg
De werknemer was sinds november 2024 in dienst als machinist minigraaf bij de werkgever. Op 30 november 2025 ontbond de werkgever de arbeidsovereenkomst schriftelijk wegens economische omstandigheden, met ingang van 1 december 2025. De werknemer verrichtte nog werkzaamheden in december 2025 en ontving daarvoor loon. In januari 2026 stelde de werknemer dat de opzegging niet rechtsgeldig was, maar berustte hij in het einde van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2025. Hij vorderde betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon, vakantiebijslag, resterende verlof- en adv-dagen, een bonus, loonstroken, incassokosten en proceskosten.
De werkgever voerde geen verweer en was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter stelde vast dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten uit art. 7:671 BW Pro. Omdat de werknemer in de opzegging berustte, werd hem een billijke vergoeding toegekend. De hoogte van deze vergoeding werd vastgesteld op € 2.023,69 bruto, met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de beschikking.
Daarnaast werd de transitievergoeding van € 3.297,87 bruto toegekend met wettelijke rente vanaf 1 februari 2026. De overige loonvorderingen, vakantiebijslag, verlofdagen, bonus en incassokosten werden eveneens toegewezen, inclusief wettelijke rente en wettelijke verhoging waar van toepassing. De werkgever werd veroordeeld tot het verstrekken van een correcte specificatie en ontbrekende loonstroken, onder dwangsom. De proceskosten van € 1.330,00 werden eveneens aan de werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon en overige vergoedingen.