ECLI:NL:RBLIM:2026:2680

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
12071452 AZ VERZ 26-8
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:673 BWArt. 7:686a lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing billijke vergoeding, transitievergoeding en achterstallig loon wegens ongeldige opzegging arbeidsovereenkomst

De werknemer was sinds november 2024 in dienst als machinist minigraaf bij de werkgever. Op 30 november 2025 ontbond de werkgever de arbeidsovereenkomst schriftelijk wegens economische omstandigheden, met ingang van 1 december 2025. De werknemer verrichtte nog werkzaamheden in december 2025 en ontving daarvoor loon. In januari 2026 stelde de werknemer dat de opzegging niet rechtsgeldig was, maar berustte hij in het einde van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2025. Hij vorderde betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon, vakantiebijslag, resterende verlof- en adv-dagen, een bonus, loonstroken, incassokosten en proceskosten.

De werkgever voerde geen verweer en was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter stelde vast dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten uit art. 7:671 BW Pro. Omdat de werknemer in de opzegging berustte, werd hem een billijke vergoeding toegekend. De hoogte van deze vergoeding werd vastgesteld op € 2.023,69 bruto, met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de beschikking.

Daarnaast werd de transitievergoeding van € 3.297,87 bruto toegekend met wettelijke rente vanaf 1 februari 2026. De overige loonvorderingen, vakantiebijslag, verlofdagen, bonus en incassokosten werden eveneens toegewezen, inclusief wettelijke rente en wettelijke verhoging waar van toepassing. De werkgever werd veroordeeld tot het verstrekken van een correcte specificatie en ontbrekende loonstroken, onder dwangsom. De proceskosten van € 1.330,00 werden eveneens aan de werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon en overige vergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12071452 \ AZ VERZ 26-8
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.H.M. van Eijsden-Murrer (ARAG SE),
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [werknemer] ’ gemachtigde heeft ter zitting het verzoek in onderdeel h. ingetrokken voor wat betreft de wettelijke rente over de billijke vergoeding en de transitievergoeding omdat zij in de onderdelen a. en b. ook de wettelijk rente over deze vergoedingen heeft verzocht.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 2026, is sinds 1 november 2024 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] was machinist minigraaf met een loon van € 3.335,52 bruto per maand.
2.2.
Op 30 november 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] schriftelijk medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met [werknemer] ontbindt vanwege de huidige economische situatie. [werkgever] heeft [werknemer] daarbij medegedeeld dat de beëindiging zal ingaan per 1 december.
2.3.
[werknemer] heeft in de maand december 2025 nog werkzaamheden voor [werkgever] verricht en [werkgever] heeft aan [werknemer] over die maand het loon betaald.
2.4.
Bij brief van 12 januari 2026 heeft (de gemachtigde van) [werknemer] aan [werkgever] medegedeeld dat de opzegging weliswaar niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, maar dat [werknemer] erin berust dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 31 december 2026. [werknemer] heeft [werkgever] in deze brief gesommeerd tot betaling van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een correcte eindafrekening.
2.5.
[werkgever] heeft de bedragen waar [werkgever] in de brief van 12 januari 2026 om heeft verzocht niet aan hem betaald.

3.Het verzoek

3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot:
betaling van een billijke vergoeding van € 2.023,69 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van een transitievergoeding van € 3.297,87 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van achterstallig loon van € 324,21 bruto;
betaling van vakantiebijslag van € 1.867,89 bruto;
betaling van resterende verlof- en adv-dagen van € 6.337,36 bruto;
betaling van achterstallig nettoloon van € 186,00;
betaling van een toegezegde bonus van € 6.000,00;
betaling van de wettelijke rente over de onderdelen c. t/m g;
betaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen c. t/m g.;
verstrekking van een deugdelijke netto/bruto specificatie waarin de bedragen en betalingen van de onderdelen a. t/m i. zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [werkgever] na de betekening van deze beschikking daar niet aan voldoet, met een maximum van € 10.000,00;
verstrekking van de ontbrekende loonstroken over de maanden maart, april, september en december 2025, op straffe van een dwangsom,
tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 975,37, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[werkgever] heeft geen verweerschrift ingediend en namens haar is niemand verschenen bij de mondelinge behandeling op 19 maart 2026.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting is komen vast te staan dat de gemachtigde van [werkgever] , mr. Zuidema, op de hoogte was van de mondelinge behandeling op die datum, dat [werkgever] deugdelijk is opgeroepen door de rechtbank en dat de gemachtigde van [werknemer] het verzoekschrift per exploot aan [werkgever] heeft laten betekenen en haar heeft opgeroepen om op de mondelinge behandeling te verschijnen. De kantonrechter heeft daarom in het feit dat niemand namens [werkgever] is verschenen geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak aan te houden om [werkgever] alsnog te laten oproepen voor een latere mondelinge behandeling.
4.2.
De kantonrechter zal het verzoek van [werknemer] op de onderdelen a. tot en met l. volledig toewijzen. Alleen zal een latere ingangsdatum van de over de billijke vergoeding toe te wijzen wettelijke rente worden bepaald dan door [werknemer] is verzocht. Hieronder zal de kantonrechter een en ander nader uitleggen.
onderdeel a: de billijke vergoeding
4.3.
Als een arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd door de werkgever, kan de kantonrechter aan de werknemer die in deze opzegging berust een billijke vergoeding toekennen [1] .
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] niet rechtsgeldig heeft opgezegd. [werkgever] heeft immers de arbeidsovereenkomst opgezegd zonder dat [werknemer] daarmee heeft ingestemd. Een dergelijke opzegging is alleen rechtsgeldig als sprake is van één van de situaties zoals die staan vermeld in art. 7:671 aanhef Pro en onder a. tot en met h BW. Het moet dan bijvoorbeeld gaan om een opzegging waarvoor het UWV toestemming verleend heeft, om een opzegging tijdens de proeftijd of om een ontslag op staande voet. Van geen van deze situaties is in deze zaak sprake. Hieruit volgt dat de kantonrechter aan [werknemer] , die heeft verklaard in de opzegging te berusten, een billijke vergoeding kan toekennen.
4.5.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [2] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.6.
[werknemer] heeft in de nummers 19 tot en met 21 van zijn verzoekschrift onderbouwd waarom hij een billijke vergoeding van € 2.023,69 verzoekt. Die onderbouwing - waar geen verweer tegen gevoerd is - vindt de kantonrechter in het licht van het hiervoor in 4.5 weergegeven uitgangspunten voldoende voor toewijzing van de verzochte billijke vergoeding. De kantonrechter zal dus een billijke vergoeding toekennen van € 2.023,69. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking toegewezen. [werkgever] was immers nog niet in verzuim met de betaling van deze vergoeding op de door [werknemer] bepleite datum (1 januari 2026).
onderdeel b: de transitievergoeding
4.7.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd als gevolg van de opzegging door [werkgever] . [werkgever] is daarom op grond van art. 7:673 BW Pro aan [werknemer] een transitievergoeding verschuldigd.
4.8.
[werknemer] heeft in nummer 23 van zijn verzoekschrift uitgelegd waarom bij de berekening van de transitievergoeding uitgegaan moet worden van een eerdere ingangsdatum van het dienstverband. Omdat daar geen verweer tegen gevoerd is, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van die eerdere ingangsdatum. Ook gaat de kantonrechter uit van de juistheid van het door [werknemer] bij de berekening van de transitievergoeding gehanteerde brutoloon. Uit dit alles volgt dat het verzoek van [werknemer] om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 3.297,80 bruto zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 februari 2026 (art. 7:686a lid 1 BW).
de onderdelen c. tot en met l..
4.9.
In het verzoekschrift heeft [werknemer] vanaf nr. 26. deze onderdelen van zijn verzoek nader onderbouwd. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van [werknemer] stellingen. Op basis van die onderbouwing zijn de onderdelen c. tot en met l. toewijsbaar. De in onderdeel h. gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de respectieve verzuimdata.
de proceskosten en de nakosten
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.330,00 (€ 753,00 aan griffierecht en € 577,00 aan salaris gemachtigde).
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
In deze beschikking wordt geen afzonderlijke beslissing genomen over de verzochte nakosten. Een kostenveroordeling levert immers ook een executoriale titel op voor de nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van
10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 2.023,69 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na vandaag, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 3.297,87 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf
1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van het achterstallig loon over de periode 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, ten bedrage van € 324,21 bruto,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de vakantiebijslag over de periode 1 juni 2025 tot en met 31 december 2025 ten bedrage van € 1.867,89 bruto,
5.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de resterende verlofdagen en adv dagen ten bedrage van € 6.337,36 bruto (inclusief vakantiebijslag),
5.6.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van het achterstallig loon over de maanden maart, april, september en november 2025 ten bedrage van € 186,00 netto,
5.7.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de toegezegde bonus van € 6.000,00 netto,
5.8.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de onderdelen 5.3. tot en met 5.7. vanaf de respectieve data van verzuim tot de dag van betaling,
5.9.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen 5.3. tot en met 5.7.,
5.10.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken waarin de bedragen en betalingen genoemd in de onderdelen 5.1. tot en met 5.9. zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.11.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de ontbrekende loonstroken over de maanden maart, april, september en december 2025 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.12.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 975,37, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van betaling,
5.13.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.330,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.14.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.15.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [3] ,
5.16.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.