ECLI:NL:RBLIM:2026:263

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ROE 24/379
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.E.J. Maas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 lid 1 sub c WaboArt. 2.3 sub b WaboArt. 3:4 AwbArt. 5:32 AwbArt. 5:39 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid last onder dwangsom en invordering bij illegale overkapping

Eisers hebben een illegale overkapping gebouwd zonder vergunning en hebben nagelaten deze binnen de gestelde termijn om te bouwen tot een vergunde pergola. Het college legde daarom een last onder dwangsom op en stelde de verbeurde dwangsommen vast, waarna invordering volgde.

Eisers voerden aan dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, stellende dat zij tijd wilden winnen en dat eerdere uitlatingen vertrouwen hadden gewekt. De rechtbank oordeelt dat eisers bewust de illegale situatie in stand hielden en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die handhaving in de weg staan.

De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd was tot handhaving en dat de last onder dwangsom en invordering geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de besluiten blijven in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/379

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats] ,

en

[eiser 2] en [eiser 3] , uit [woonplaats] ,

hierna ofwel bij naam of gezamenlijk aan te duiden als: eisers,
(gemachtigde: mr. P.H.J. Soogelee),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld, het college
(gemachtigde: mr. G.B. Falkenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde last onder dwangsom en het daarop gebaseerde invorderingsbesluit aan zowel [eiser 1] alsmede aan [eiser 2] en [eiser 3] . Eisers zijn het niet eens met deze besluiten en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aan eisers opgelegde last onder dwangsom en het invorderingsbesluit rechtmatig zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 28 juli 2023 besloten om aan eisers elk een last onder dwangsom op te leggen. Hiertegen is door eisers op 11 september 2023 bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten van 20 december 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij de besluiten tot oplegging van de last onder dwangsom gebleven.
3. Bij besluit van 5 december 2023 zijn voor eisers afzonderlijk de verbeurde dwangsommen ter hoogte van €18.000,00 vastgesteld en is de invordering hiervan aangekondigd. De definitieve beschikkingen tot vaststelling van de verbeurde dwangsommen en tot invordering van die verbeurde dwangsommen dateren van 3 januari 2024.
Verder heeft het college bij beschikkingen van 3 januari 2024 de verbeurde dwangsommen vastgesteld en tot invordering van deze dwangsommen besloten.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten op 31 januari 2024. Voorts hebben eisers op 14 respectievelijk 15 februari 2024 ook bezwaar ingesteld tegen de invorderingsbeschikkingen. Het beroep richt zich op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht mede tegen deze invorderingsbeschikkingen.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.1.
Op 10 maart 2025 heeft de gemachtigde van eisers verzocht om de beroepsprocedure op te schorten, omdat partijen met elkaar in gesprek waren en naar aanleiding daarvan het beroep mogelijk zou worden ingetrokken.
4.2.
Bij brief van 10 juni 2025 heeft de gemachtigde van eisers de wens medegedeeld om de beroepsprocedure voort te zetten en de daaraan ten grondslag liggende redenen uiteen gezet. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
5. Op 2 september 2021 hebben eisers een vergunning aangevraagd om een pergola met terrasscherm te mogen bouwen. Feitelijk strekte deze vergunning ertoe om een eerder gebouwde overkapping te verbouwen tot pergola. Die overkapping was namelijk gebouwd ondanks afwijzing van een daartoe aangevraagde vergunning en daarmee illegaal. Naar aanleiding van een handhavingsprocedure om deze illegale situatie te beëindigen, waarbij over de opgelegde en verbeurde last tot dwangsom is geprocedeerd tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] , zijn eisers in gesprek gegaan met het college over de mogelijkheden tot legalisatie van het bouwwerk. Dat bleek alleen mogelijk in de vorm van een pergola met terrasscherm. De daartoe aangevraagde vergunning is op 30 mei 2022 verleend onder de voorwaarde dat de bestaande (illegale) overkapping binnen vier weken zou zijn omgebouwd tot de vergunde pergola.
6. Op 14 april 2023 heeft een controle plaatsgevonden waarbij door de toezichthouder is geconstateerd dat overkapping nog steeds in ongewijzigde vorm op het perceel aanwezig is. Dit levert volgens het college twee overtredingen op:
  • Overtreding van artikel 2.3 sub b Wabo: het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning;
  • Overtreding van artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo: het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het geldende planologisch regime.
Vervolgens is bij schrijven van op 21 april 2023 aan eisers het voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom bekend gemaakt als deze overtredingen niet ongedaan gemaakt worden door ofwel de overkapping te verwijderen ofwel deze in overeenstemming te brengen met de op 30 mei 2022 verleende vergunning.
7. Tijdens de controle op 26 juli 2023 bleek de overkapping nog steeds ongewijzigd aanwezig te zijn. Bij besluiten van 28 juli 2023 zijn daarop de eerder aangekondigde lasten onder dwangsom opgelegd. De begunstigingstermijn liep tot 12 september 2023.
Toetsingskader
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 28 juli 2023 heeft het college aan eisers afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Relevante wettelijke bepalingen
9. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beroepsgrond
Zijn er redenen om van handhaving af te zien?
10. Eisers erkennen dat zij zonder vergunning een overkapping hebben gebouwd en dat zij deze overkapping vervolgens niet in overeenstemming hebben gebracht met de omgevingsvergunning die is afgegeven met het oog op legalisatie door de illegale overkapping tot pergola te verbouwen. Zij stellen zich echter op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor van handhaving moest worden afgezien. Zij doen daarbij een beroep op de beginselen van redelijkheid en billijkheid en op het vertrouwensbeginsel. Eisers voeren in verband hiermee aan dat zij hebben onderschat dat het college opnieuw een handhavingstraject zou starten en de verbeurde dwangsommen daadwerkelijk zou invorderen. Voor het college moet duidelijk zijn geweest dat eisers slechts tijd wilden winnen met de vergunningsaanvraag voor de pergola. Zij hoopten dat de illegale overkapping alsnog zou worden toegestaan, mede gelet op eerder gedane uitspraken namens het college. Zo zou 10 jaar geleden aan de broer respectievelijk de zoon van eisers bij de bouw van de (nu) woning geadviseerd zijn om ruimte te laten voor een overkapping.
11. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van de beginselplicht tot handhaving moet worden afgezien. Eisers hebben bewust een illegale situatie gecreëerd en in stand gelaten. De gestelde uitlatingen niet zijn gedaan en bovendien zijn zowel de conceptaanvraag als de formele aanvraag tot een vergunning voor het bouwen van de overkapping afgewezen. Dan kan niet in redelijkheid worden gezegd dat eisers in de veronderstelling mochten verkeren dat de overkapping wel gebouwd mocht worden of mochten vertrouwen dat het college zou afzien van handhaving. Ter zitting heeft het college nog eens bekrachtigd dat het college niet uit is op het innen van zoveel mogelijk dwangsommen, maar dat het doel is om de overtredingen op te heffen. Uit de bestreden besluiten blijkt reeds dat de lasten daartoe geschikt en noodzakelijk zijn bevonden en onder de gegeven omstandigheden ook evenwichtig zijn.
12. De rechtbank stelt bij haar oordeel voorop dat aan de lasten onder dwangsom twee overtredingen ten grondslag zijn gelegd. Tussen partijen is niet in geding dat er sprake was van deze twee overtredingen ten tijde van de lasten onder dwangsom.
12.1.
Als er sprake is van een overtreding, is het college bevoegd om handhavend op te treden. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel ook gebruik moet maken van die bevoegdheid, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
12.2.
Bij de vraag of van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Volgens vaste rechtspraak toetst de bestuursrechter of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. [2] Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank vat het door eisers gedane beroep op de beginselen van redelijkheid en billijkheid op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel: de geschiktheid en noodzaak van het besluit worden in principe niet betwist, maar het besluit is volgens eisers in de gegeven omstandigheden onevenwichtig omdat de nadelige gevolgen buitensporig zijn in vergelijking met het doel dat met de besluiten is gediend.
12.3.
Handhavend optreden is alleen onevenwichtig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. [3]
De rechtbank ziet in het door eisers aangevoerde geen omstandigheid waaronder het algemeen belang bij handhaving moet wijken. Eisers hebben immers bewust een illegale situatie gecreëerd en deze ook bewust laten voortduren. Die bewustheid leidt de rechtbank af uit de voorgeschiedenis van dit handhavingstraject. De rechtbank doelt dan op de omstandigheid dat eisers na een eerder handhavingstraject in gesprek zijn gegaan met de gemeente over de mogelijkheden tot legalisatie, met als resultaat dat eisers een aanvraag hebben gedaan om de illegale overkapping tot pergola om te bouwen. Zij hebben echter in hun beroepschrift erkend dat zij helemaal niet voornemens waren om de overkapping in overeenstemming te brengen met de vergunning voor de pergola, maar dat deze procedure enkel bedoeld was om tijd te winnen in de hoop dat de overkapping alsnog gelegaliseerd zou worden. Dit duidt op een bewust handelen aan de zijde van eisers. Die indruk wordt nog eens versterkt door de omstandigheid dat eisers in de tijd tussen het bekend maken van het voornemen tot de last onder dwangsom en het einde van de begunstigingstermijn de overtredingen niet hebben beëindigd, terwijl dit wel in hun macht lag. In die periode moet voor eisers klip en klaar zijn geweest welke consequenties zouden worden verbonden aan hun niet-handelen. Aldus was er sprake van bewuste onwil om de overtredingen te beëindigen en dat is geen bijzondere omstandigheid die aan handhaving in de weg staat.
13. Een andere reden om van handhavend optreden af te zien kan zich voordoen bij schending van het vertrouwensbeginsel, waarop ook eisers een beroep doen.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet evenwel aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere vertrouwen wekkende uitlatingen zijn gedaan waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een dergelijke toezegging is gedaan. Bovendien zou die toezegging dan tegen de broer respectievelijk zoon van eisers zijn gedaan, terwijl later formeel afwijzend is beslist op de daadwerkelijke aanvraag van eisers zelf om de overkapping te bouwen. Bij die stand van zaken kan niet gezegd worden dat eisers er op mochten vertrouwen dat zij de overkapping ondanks de daarvoor geweigerde vergunning mochten bouwen en dat het college niet handhavend zou optreden.
Had van invordering moeten worden afgezien?
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen grond om de opgelegde lasten onder dwangsom als onrechtmatig aan te merken. Diezelfde overwegingen maken dat de rechtbank in wat eisers aanvoeren ook geen reden ziet om te oordelen dat de invorderingsbeschikkingen onrechtmatig zijn. Daartoe stelt zij eerst vast dat de dwangsommen daadwerkelijk zijn verbeurd nu is nagelaten om de overtredingen binnen de begunstigingstermijn op te heffen. Vervolgens overweegt de rechtbank dat aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Van bijzondere omstandigheden is hier zoals gezegd geen sprake.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. De dwangsombesluiten en de invorderingsbesluiten blijven in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.E.J. Maas, rechter,
in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026. .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
[…]
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
[…]
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
[…]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.3 sub b Wabo:
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:
[…]
( b) activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i.