ECLI:NL:RBLIM:2026:261

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
11478809 \ CV EXPL 25-32
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611a BWArt. 6:119 BWArtikel 6.3 sub d cao Huisartsenzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid studiekostenbeding bij noodzakelijke opleiding doktersassistente

Partijen sloten een arbeidsovereenkomst voor de functie van doktersassistente in opleiding, waarbij een studieovereenkomst werd gesloten met een terugbetalingsregeling voor studiekosten. De werknemer volgde de opleiding en coaching, waarvan de kosten door de werkgever werden betaald. Na beëindiging van het dienstverband verrekende de werkgever studiekosten met het loon, wat de werknemer betwistte.

De kantonrechter onderzocht of de opleiding noodzakelijk was voor de functie en daarmee onder artikel 7:611a lid 4 BW viel, dat studiekostenbedingen nietig verklaart indien de scholing noodzakelijk is. Gezien de eis van de werkgever dat de opleiding gevolgd moest worden, werd geoordeeld dat de opleiding en coaching noodzakelijk zijn en dus kosteloos moeten worden aangeboden.

De terugvordering van studiekosten was daarom nietig en de werknemer kreeg het bedrag van € 2.010,95 toegewezen met wettelijke rente vanaf de verrekening. De vordering voor studie-uren in eigen tijd werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het studiekostenbeding is nietig en de werkgever moet de studiekosten van € 2.010,95 met wettelijke rente betalen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11478809 \ CV EXPL 25-32
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. O. Dimmendaal,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 3] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 4] ,
4.
MAATSCHAP [gedaagde 4] h.o.d.n. [handelsnaam],
kantoorhoudende te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. M. Butter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 28 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Dimmendaal spreekaantekeningen overgelegd.
1.3.
Vervolgens is de zaak aangehouden in afwachting van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op vragen van het gerechtshof Den Haag. Op 26 september 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen (ECLI:NL:2025:1386).
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 28 juni 2022 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten. Met ingang van 1 september 2022 treedt [eiseres] bij [gedaagden] in dienst voor de bepaalde tijd van één jaar in de functie van doktersassistente in opleiding. Partijen hebben de geldende cao Huisartsenzorg op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard.
2.2.
Naast de arbeidsovereenkomst sluiten partijen een studieovereenkomst.
Artikel 1 van Pro deze overeenkomst luidt:

De werkgever verstrekt aan de werknemer betaald studieverlof en een tegemoetkoming in de studiekosten, voor de opleiding tot doktersassistente inclusief persoonlijke training door [bedrijf] met inachtneming van artikel 6.3 en artikel 6.4 van de cao”.
Artikel 3 van Pro deze overeenkomst bepaalt dat de hoogte van de tegemoetkoming 100% van de gemaakte kosten betreft.
Artikel 4 van Pro deze overeenkomst betreft een terugbetalingsregeling met betrekking tot de tegemoetkoming.
2.3.
[eiseres] start de opleiding tot doktersassistente en ontvangt coaching van [bedrijf] . De daarmee samenhangende kosten worden door [gedaagden] betaald.
2.4.
Op 17 september 2022 volgt [eiseres] buiten werktijd een triagecursus van 09:30 tot 16:30 uur. Artikel 6.3 sub d van de cao Huisartsenzorg bepaalt dat scholing buiten werktijd wordt betaald of gecompenseerd in tijd.
2.5.
Op 29 juni 2023 bevestigt [gedaagden] aan [eiseres] dat de arbeidsovereenkomst na 31 augustus 2023 niet zal worden voortgezet. De betaalde studiekosten zullen worden verhaald op [eiseres] op de wijze zoals in de studieovereenkomst is vastgelegd.
2.6.
Bij de eindafrekening verrekent [gedaagden] € 558,95 netto terzake kosten van de opleiding tot doktersassistente en € 1.452,00 netto terzake de kosten van coaching.

3.De vorderingen

3.1.
[eiseres] vordert dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot betaling van:
  • € 558,95 netto terzake kosten van de opleiding tot doktersassistente en € 1.452,00 netto terzake de kosten van coaching, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
  • € 720,06 bruto terzake 36 in eigen tijd gemaakte scholingsuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
  • € 140,01 bruto terzake niet betaalde verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
  • de proceskosten.
3.2.
Het bedrag ad € 720,06 bruto baseert [eiseres] op de stelling dat zij naast de triagecursus 3 lessen van de opleiding tot doktersassistente thuis heeft voorbereid. Iedere les vergt 8 tot 10 voorbereidingsuren. Het totaal aan scholingsuren in eigen tijd komt daarmee op 36 wat gelijk staat aan € 720,06 bruto.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verklaard dat de niet betaalde verlofuren inmiddels zijn betaald. Deze vordering wordt ingetrokken. Ook heeft [gedaagden] de zeven uren die verbonden waren aan de triagecursus alsnog betaald. De vordering ad € 720,06 is daarom verminderd tot € 694,78 bruto.
3.4.
De stellingen van [eiseres] zullen - voor zover relevant - hierna worden besproken.
3.5.
[gedaagden] voert verweer. Ook haar stellingen zullen - voor zover relevant - hierna worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak gaat in de eerste plaats over de vraag of [gedaagden] bij het einde van het dienstverband terecht de ten behoeve van [eiseres] betaalde studiekosten heeft verrekend met het loon dat nog aan [eiseres] toekwam. Daarnaast bestaat de vraag of [eiseres] nog recht heeft op betaling van 31 in eigen tijd verrichte studie-uren. De kantonrechter zal beide vragen hierna bespreken.
De verrekende studiekosten.
4.2.
De meest verstrekkende stelling van [eiseres] houd in dat de terugbetalingsverplichting uit de studiekostenovereenkomst nietig is op grond van artikel 7:611a lid 2 en 4 BW. [gedaagden] bestrijdt dat. De kantonrechter zal deze stelling hierna bespreken. Daarbij is richtinggevend geweest het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1386).
4.3.
Artikel 7:611a lid 1 BW luidt, voor zover hier van belang: “
De werkgever stelt de werknemer in staat scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie …….”
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in de memorie van antwoord opgemerkt dat de werkgever verplicht is scholing die gericht is op het vervullen van de eigen functie van de werknemer te financieren. Maar dat laat het gebruik van scholingsbedingen - en terugbetalingsregelingen - onverlet.
4.4.
Daarna zijn de artikelen 7:611a leden 2 en 4 BW toegevoegd. Een en ander naar aanleiding van de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Richtlijn 2019/1152).
Artikel 7:611a lid 2 BW luidt, voor zover hier van belang:
“Wanneer de werkgever op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht, een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is zijn werknemers scholing te verstrekken ….., wordt de in lid 1 bedoelde scholing kosteloos aangeboden aan de werknemers, ……”
In de algemene toelichting bij de Implementatiewet (van Richtlijn 2019/1152) wordt opgemerkt dat niet iedere opleiding onder deze bepaling valt. Het gaat alleen om opleidingen die de werkgever op grond van de nationale wet, collectieve overeenkomst of Europees recht verplicht is aan te bieden.
4.5.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of scholing die voortvloeit uit artikel 7:611a lid 1 BW in de zin van “noodzakelijk voor de uitoefening van de functie” ook valt onder scholing die de werkgever op grond van de wet verplicht is aan de werknemer aan te bieden. Zo ja, dan moet dat op grond van artikel 7:611a lid 2 BW kosteloos zijn voor de werknemer.
Door de minister is daarover tijdens de behandeling in de Eerste Kamer gezegd: “
De richtlijn regelt dat de scholing die de werkgever op grond van de wet aan de werknemer moet verstrekken kosteloos moet worden aangeboden. Dat geldt dus ook voor scholing die valt onder artikel 7:611a eerste lid BW ….. Bijvoorbeeld wanneer gebleken is dat een werknemer onvoldoende beheersing heeft van de Engelse taal en de werkgever vindt dat het voor de uitvoering van de functie noodzakelijk is, dan valt die scholing onder 7:611a BW en dient dus kosteloos te worden aangeboden”.
De kantonrechter stelt dan ook vast dat de conclusie in rechtsoverweging 4.3, bij een voor de uitoefening van de functie noodzakelijke scholing is een studiekostenbeding mogelijk, sinds de invoering van deze bepalingen achterhaald is.
4.6.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de opleiding tot doktersassistente en de coaching noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de functie van doktersassistente. Zo ja, dan dient [gedaagden] deze kosteloos aan [eiseres] aan te bieden.
4.7.
Partijen zijn het er over eens dat er geen wettelijk voorschrift bestaat dat het volgen van de opleiding tot doktersassistente verplicht stelt voor het kunnen uitoefenen van de functie. In die zin is de opleiding dus niet noodzakelijk. Maar naar het oordeel van de kantonrechter heeft het begrip “noodzakelijk” hier een ruimere strekking. Vergelijk in dit verband het in rechtsoverweging 4.5. aangehaalde citaat van de minister. De werkgever die vindt dat de werknemer het Engels beter moet beheersen om de functie te kunnen uitvoeren en dus scholing aanbiedt moet dat kosteloos doen omdat deze werkgever die cursus kennelijk noodzakelijk vindt. Met andere woorden, scholing die in opdracht van de werkgever moet worden gevolgd is noodzakelijke scholing en dient dus kosteloos te zijn voor de werknemer.
4.8.
Met betrekking tot de opleiding tot doktersassistente en de coaching stelt [eiseres] dat [gedaagden] dit verplicht heeft gesteld. Het was een voorwaarde om de arbeidsovereenkomst aan te gaan. [gedaagden] stelt daar tegenover dat het juist [eiseres] was die deze cursus en coaching graag wilde volgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen op dit punt bevraagd.
[eiseres] heeft verklaard: “
Het is gezegd dat ik de opleiding moest doen, dat was een eis. Dat is tijdens het sollicitatiegesprek gezegd dat de opleiding erbij hoort, dat ik die moest volgen om als doktersassistente te kunnen functioneren”.
Namens [gedaagden] heeft [gedaagde 1] verklaard: “
Als je doktersassistente wil worden, moet je een opleiding volgen, die heb je nodig. Maar dat betekent niet dat dit een vereiste is van ons. Wij zijn een gecertificeerde praktijk, dus ik denk dat een doktersassistente wel een opleiding moet volgen, maar ik weet het niet zeker”.
Verder is van belang de brief die [gedaagde 1] op 29 juni 2023 namens [gedaagden] heeft verstuurd aan [eiseres] . Deze brief gaat over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Hierin staat onder andere:
“In januari 2023 heb je de opleiding tot doktersassistente on hold gezet, wat een vereiste was voor de functie doktersassistente”.
Op grond van de afgelegde verklaringen en deze passage uit de genoemde brief acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat [gedaagden] de eis heeft gesteld dat [eiseres] de opleiding zou volgen. Daar hoorde de coaching ook bij. In de ogen van [gedaagden] was de opleiding dus noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie van doktersassistente. Dat [eiseres] wellicht zelf die opleiding, inclusief coaching, ook graag wilde volgen maakt dat niet anders.
4.9.
De conclusie is dat het hier gaat om een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van de functie. Dat betekent dat [gedaagden] die opleiding kosteloos aan [eiseres] moet aanbieden. Het studiekostenbeding is met die verplichting in strijd voor zover daarin kosten worden teruggevorderd en is op grond van artikel 7:611a lid 4 BW dus nietig. Het door [eiseres] gevorderde bedrag ad € 2.010,95 netto zal daarom worden toegewezen.
4.10.
[eiseres] heeft ook om toekenning van de wettelijke verhoging over dit bedrag verzocht. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. [gedaagden] heeft zich, in overeenstemming met de geldende cao, beroepen op een studiekostenbeding. Dat beding beantwoordde ook aan de eisen uit de cao. Dat het beding uiteindelijk nietig blijkt te zijn, betekent dus niet dat [gedaagden] van begin af aan willens en wetens een onhoudbaar standpunt heeft ingenomen of zich anderszins onbehoorlijk heeft gedragen door de studiekosten terug te vorderen. Onder deze omstandigheden volstaat de wettelijke rente over de periode vanaf de dag van verrekening tot de algehele betaling als compensatie voor het te laat ontvangen van deze € 2.010,95 netto.
De vergoeding voor 31 studie-uren
4.11.
[eiseres] stelt dat zij 3 lessen van de opleiding tot doktersassistente heeft gevolgd. Met iedere les waren 8 tot 10 voorbereidingsuren gemoeid. Die voorbereiding heeft zij thuis gedaan. Op grond van artikel 6.3 sub d van de cao Huisartsenzorg had [gedaagden] die moeten uitbetalen. [gedaagden] bestrijdt dat de uren zijn gemaakt. Bovendien wordt scholing buiten werktijd vergoed, daaronder valt het volgen van lessen in eigen tijd maar niet het voorbereiden van lessen.
4.12.
Wat betreft het laatste verweer van [gedaagden] , die opvatting deelt de kantonrechter niet. Scholing is een algemeen, ruim, begrip. Daar valt naar zijn oordeel meer onder dan het volgen van lessen, waaronder (ook) het voorbereiden van een les en het doen van zelfstudie.
Maar de kantonrechter is het wel met [gedaagden] eens dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij de gevolgde lessen heeft voorbereid. Dus ook niet dat zij dat thuis heeft gedaan.
De kantonrechter beseft dat het volgen van lessen vaak voorbereiding vergt. Maar dat is nu eenmaal niet altijd zo. [eiseres] heeft in dit verband niets overgelegd waaruit volgt dat zij de lessen moest voorbereiden, zoals bijvoorbeeld studieopdrachten. Verder heeft zij ten tijde van het volgen van de lessen niet kenbaar gemaakt dat zij deze thuis voorbereidde en heeft zij evenmin aanspraak gemaakt op compensatie voor de bestede eigen tijd. Dat zou toch voor de hand hebben gelegen als zij daadwerkelijk eigen tijd aan de voorbereiding had besteed. De conclusie is dat de kantonrechter dit deel van de vordering van [eiseres] zal afwijzen.
De proceskosten
4.13.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
407,91
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.174,91
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.010,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 juni 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.174,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.