ECLI:NL:RBLIM:2026:2163

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/03/341974 / HA ZA 25-224
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoedingsvorderingen na beëindiging informele samenwoning over woning en hypotheeklasten

Partijen hebben circa zestien jaar een affectieve relatie gehad die eind december 2023 is geëindigd. Zij waren gezamenlijk eigenaar van een woning die in oktober 2020 werd geleverd, gefinancierd met een hypothecaire lening bij Rabobank.

De man vordert vergoeding van de vrouw voor zijn investeringen in de woning, maandelijkse hypotheekaflossingen en verbouwingskosten, alsmede een vergoedingsrecht voor waardevermeerdering van de woning. De vrouw betwist deze vorderingen en voert aan dat zij ook heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en dat er geen afspraken waren over financiële vergoedingen.

De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een hogere eigen inbreng dan de vrouw bij de aankoop van de woning. De maandelijkse hypotheeklasten worden slechts deels toegewezen vanaf januari 2024, omdat partijen eerder afspraken hadden over gezamenlijke lastenverdeling naar rato van inkomen en het verrichten van huishoudelijk werk door de vrouw. De vordering voor verbouwingskosten en waardevermeerdering wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond en bewijs.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van een maandelijkse bijdrage vanaf januari 2024 tot verkoop van de woning.

Uitkomst: De man krijgt vanaf januari 2024 een maandelijkse vergoeding voor de helft van de hypotheekaflossing tot verkoop van de woning, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341974 / HA ZA 25-224
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. V.C.C. Luijten,
tegen
[de man],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. W.G.M.M. van Montfort.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de akte overlegging producties tevens akte eisvermeerdering van [de man] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben ongeveer zestien jaar een affectieve relatie gehad. Deze relatie is eind december 2023 geëindigd.
2.2.
Partijen hebben gezamenlijk in eigendom verworven de woning gelegen aan [adres] . Deze woning is op of omstreeks 13 oktober 2020 aan partijen geleverd. Ter gedeeltelijke financiering van de woning zijn partijen een hypothecaire lening aangegaan bij Rabobank.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de vrouw] vorderde – samengevat – dat [de man] zou worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hierover een regeling getroffen, zodat [de vrouw] geacht moet worden deze vordering te hebben ingetrokken.
in reconventie
3.2.
Na wijziging van eis vordert [de man] :
1. een vergoeding van [de vrouw] van het nominaal door [de man] in de woning geïnvesteerde bedrag van:
- € 27.000,00 aan inbreng bij aanschaf van de woning,
- € 850,00 per maand aan aflossing op de hypothecaire lening totdat de woning is verkocht,
- € 30.000,00 aan verbouwingskosten,
2. een verklaring voor recht dat [de man] een vergoedingsrecht toekomt ter hoogte van de waardevermeerdering die is ontstaan als gevolg van de door hem betaalde investering in en verbouwing van de woning.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de man] toegelicht dat de onder 1 vermelde vergoeding wat hem betreft zou moeten leiden tot een aanspraak op [de vrouw] ter hoogte van de helft van de genoemde bedragen.
3.4.
[de vrouw] voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in reconventie

€ 27.000,00
4.1.
De feitelijke onderbouwing van de aanspraak van [de man] is gebaseerd op de stelling dat hij de aankoop van de woning voor (€ 11.000,00 + € 15.000,00 =) € 26.000,00 (!) heeft gefinancierd met eigen (niet van de Rabobank geleend) geld. Het bedrag van
€ 11.000,00 zou ‘zwart’ zijn betaald aan de verkoper en het bedrag van € 15.000,00 zou zijn overgemaakt op de rekening van de passerend notaris.
4.2.
Aan de hand van de door [de man] overgelegde afrekening van de notaris in verband met de levering van de woning aan partijen [1] is met partijen vastgesteld dat, na aanwending van de bij Rabobank geleende gelden, er nog ongeveer € 41.000,00 moest worden bijbetaald. [de man] stelt dus dat daarvan € 15.000,00 van hem afkomstig was. [de man] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [de vrouw] € 25.000,00 op de rekening van de notaris heeft gestort, afkomstig van een aan haar uitbetaalde letselschade-uitkering. Uitgaande van de stellingen van [de man] heeft hij dus € 26.000,00 met eigen geld bijgedragen en [de vrouw] € 25.000,00. Verder gegeven het feit dat [de vrouw] heeft betwist dat de ‘zwarte’ betaling € 11.000,00 bedroeg en [de man] op dat punt geen bewijs heeft bijgebracht, kan niet worden vastgesteld dat [de man] bij aankoop van de woning méér eigen geld heeft geïnvesteerd dan [de vrouw] . Alleen al om die reden kan de aanspraak van [de vrouw] niet worden gehonoreerd. Omdat de feitelijke grondslag van de vordering niet komt vast te staan, hoeft niet te worden ingegaan op de (mogelijk) daaraan ten grondslag gelegde rechtsgrond (wat daar ook van zij gezien onder meer HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571, o.a. r.o. 3.1.6.).
4.3.
De tijdens de mondelinge behandeling geponeerde stelling van [de man] dat hij aanspraak zou hebben op een deel van de letselschade-uitkering van [de vrouw] omdat deze mede zou zijn gebaseerd op door [de man] verrichte verzorgingswerkzaamheden, doet niet af aan het hiervoor overwogene. Allereerst geldt dat die stelling niet deugdelijk is uitgewerkt. Daarnaast is van belang dat het er in ieder geval niet aan zou afdoen dat de letselschade-uitkering als zodanig volledig in het vermogen van [de vrouw] is gevloeid en dus ook niet zou afdoen aan het feit dat [de vrouw] voor € 25.000,00 met eigen geld heeft bijgedragen aan de aanschaf van de woning. Het zou hoogstens kunnen leiden tot een niet met de woning verband houdende aanspraak op [de vrouw] (maar die is niet ingesteld en volgens [de vrouw] in ieder geval verjaard).
€ 850,00 per maand
4.4.
[de man] baseert deze aanspraak op de stelling dat hij € 850,00 per maand heeft afgelost en aflost op de hypothecaire lening, aangezien de hypotheeklasten van zijn bankrekening zijn voldaan. Aan de hand van de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde stukken [2] kan worden vastgesteld dat de maandelijkse hypotheeklasten € 843,00 bedragen, bestaande uit € 515,36 aan aflossing en € 327,64 aan rente. De aanspraak van [de man] kan dus ten hoogste zien op (€ 515,36 : 2 =) € 258,18 per maand.
4.5.
[de vrouw] heeft aangevoerd dat [de man] tijdens de relatie weliswaar de hypotheeklasten betaalde maar dat zij andere kosten van de huishouding voldeed. Dit was tussen partijen zo afgesproken, aldus [de vrouw] , die stelt dat zij op die manier heeft meebetaald aan de aflossing. Zij stelt enkel gehouden te zijn om vanaf het einde van de relatie – dus januari 2024 – de helft van de aflossing aan [de man] te vergoeden, met dien verstande dat dit zou moeten gebeuren door verrekening met haar deel in de overwaarde en dat daarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat zij al € 1.750,00 ter zake aan [de man] heeft betaald.
4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is partijen gevraagd naar eventuele afspraken over de financiën. Zij verklaarden daarop als volgt:
‘ [de vrouw] :
We hebben altijd beiden gewerkt. Er is nooit gesproken over afspraken over de financiën. Ik betaalde altijd het eten en cadeautjes. Als mijn inkomen op was, dan vulde hij het aan. [de man] werkt meer en had ook een hoger inkomen. Ik heb altijd het huishouden gedaan. Ik heb jarenlang mantelzorg aan [de man] verleend.
[de man] :
We hebben inderdaad geen afspraken gemaakt over betalingen. Het liep zoals het liep. Ik verdiende het meest waardoor ik de kosten voor het huis betaald heb. [de vrouw] betaalde van haar salaris de boodschappen. Daar moest ik vaker bij bijspringen. Dit vorder ik niet terug.’
4.7.
[de man] heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 6:10 BW Pro, waaruit volgt dat hoofdelijke schuldenaren verplicht zijn om bij te dragen in de schuld voor het gedeelte van de schuld dat hen aangaat. [de man] gaat er dus vanuit dat de hypotheekschuld ieder van partijen voor de helft aangaat. Uit het verweer van [de vrouw] leidt de rechtbank af dat zij zich erop beroept dat zij naar rato van haar inkomen heeft bijgedragen in het totaal van de huishoudelijke lasten – waaronder de hypotheeklasten – en daarnaast het huishouden deed en dat [de man] daarom geen aanspraak op een aanvullende bijdrage toekomt over de periode tot aan het einde van de relatie.
4.7.1.
Een eventuele aanspraak op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW Pro ontstaat wanneer een schuldenaar meer dan diens aandeel in een gemeenschappelijke schuld heeft betaald. Uitgaande van de stelling van [de man] dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de hypotheekschuld, kan hij op dit moment geen vordering claimen op grond van artikel 6:10 BW Pro omdat gesteld noch gebleken is dat hij inmiddels meer dan de helft van de hypotheekschuld heeft afgelost. Omdat de woning echter zal worden verdeeld, waarbij de resterende hypotheekschuld wordt afgelost met de verkoopprijs zal alsdan een eventuele aanspraak als gevolg van aflossing van de hypotheekschuld voor meer dan het eigen aandeel alsnog aan de orde komen. Daarom gaat de rechtbank er wel op in.
4.7.2.
Uit hetgeen [de vrouw] (onweersproken) heeft gesteld en beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat partijen er onder andere voor hebben gekozen om de huishoudelijke en andere gezamenlijke lasten te bestrijden naar rato van ieders inkomen, wat betekende dat [de man] een groter aandeel betaalde omdat zijn inkomen hoger was. Verder kan als vaststaand worden aangenomen dat dit geen punt van discussie is geweest toen partijen nog een relatie hadden. Gesteld noch gebleken is namelijk dat [de man] voor het eind van de relatie aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding van [de vrouw] en dat volgt in feite ook al uit de toelichting van partijen tijdens de mondelinge behandeling. Een mogelijke verklaring daarvoor is de – als niet weersproken als vaststaand aan te nemen – omstandigheid dat [de vrouw] het huishouden deed. Deze omstandigheden samen bezien hebben bij [de vrouw] in redelijkheid de verwachting kunnen wekken dat het totale inkomen van partijen werd samengevoegd ter bestrijding van de gezinslasten zonder dat dit zou leiden tot vergoedingsrechten. Anders gezegd: [de vrouw] mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat de omstandigheid dat [de man] meer verdiende niet betekende dat hij achteraf een aanspraak zou claimen op grond van betaalde gezinslasten. Dit leidt tot de conclusie dat de hypotheekschuld, voor zover deze tot aan het einde van de relatie is afgelost, partijen hun de onderlinge verhouding is aangegaan conform hun daadwerkelijk betaalde bijdrage althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om van [de vrouw] een hogere of aanvullende financiële bijdrage te vorderen. Dit betekent dat de vordering van [de man] wordt afgewezen over de periode tot en met 2023. Vanaf 2024 zal deze, in lijn met de erkenning van [de vrouw] , worden toegewezen met inachtneming van het juiste bedrag.
4.8.
Het vergoedingsrecht kan tot uiterlijk het moment van de verkoop van de woning worden toegewezen omdat [de man] het over de periode daarna niet heeft gevorderd. Niet is betwist dat [de vrouw] al € 1.750,00 aan [de man] heeft betaald in verband met de hypotheeklasten. Dat zal in de beslissing worden verwerkt. Ook zal daarin worden opgenomen dat [de vrouw] haar bijdrage zal moeten voldoen bij gelegenheid van de levering van de woning aan (een) derde(n) omdat niet gebleken is dat een vordering van [de man] op dat punt eerder opeisbaar is (zie ook 4.7.1.). Tot slot heeft vanzelfsprekend als voorwaarde te gelden dat [de man] de aflossing waarop zijn aanspraak is gebaseerd, daadwerkelijk heeft verricht.
4.9.
[de man] heeft verspreid over zijn processtukken ook nog andere rechtsgronden dan artikel 6:10 BW Pro genoemd – namelijk: (stilzwijgende) overeenkomst, onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de eisen van redelijkheid en billijkheid – maar deze niet expliciet in verband gebracht met dit onderdeel van zijn vordering. Hij heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld die op grond van een van deze rechtsgronden, of nog een andere, tot toewijzing van een groter deel van de vordering zouden kunnen leiden.
€ 30.000,00
4.10.
[de man] stelt dat hij (ongeveer) € 30.000,00 aan verbouwingskosten voor de woning voor zijn rekening heeft genomen en maakt aanspraak op een bijdrage van € 15.000,00 van [de vrouw] .
4.11.
[de vrouw] heeft aangevoerd dat de verbouwing de volledige eigen keuze van [de man] was en dat dit niet in overleg met [de vrouw] heeft plaatsgevonden. Van ongerechtvaardigde verrijking is volgens [de vrouw] geen sprake omdat zij de kosten zelf niet zou hebben gemaakt en daartoe ook niet gehouden was.
4.12.
Naast de algemene opsomming van rechtsgronden [3] heeft [de man] niet gesteld op welke rechtsgrond hij deze aanspraak baseert. Omdat enkel een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in aanmerking zou kunnen komen – zoals ook door [de vrouw] is herkend – zal de rechtbank daarop ingaan.
4.13.
[de man] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de verbouwingen wel besproken zijn. Deze zouden onder meer zijn uitgevoerd voor het realiseren van een slaapkamer voor de zoon van [de vrouw] . Ook daarvan uitgaande, is echter niet voldaan aan de voorwaarden waaronder een aanspraak kan worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Daarvoor is namelijk nodig dat als [de man] de kosten niet voor zijn rekening had genomen, [de vrouw] die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken. Dat is door [de vrouw] betwist en [de man] is er niet meer op ingegaan. De vordering op dit punt moet dus worden afgewezen.
Waardevermeerdering woning
4.14.
[de man] vraagt een verklaring voor recht dat hem een vergoedingsrecht toekomt in verband met de waardevermeerdering van de woning die het gevolg is van de verbouwingen. Ook hier geeft [de man] niet concreet geduid welke rechtsgrond als basis van de vordering zou kunnen dienen. In dit geval is in het geheel niet in te vullen welke rechtsgrond in aanmerking zou kunnen komen. De vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verstaat dat de vorderingen zijn ingetrokken,
in reconventie
5.2.
veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] (uiterlijk) bij gelegenheid van de levering van de woning aan (een) derde(n) te betalen een bedrag van € 258,18 per maand vanaf januari 2024 tot het moment dat de woning aan (een) derde(n) is verkocht, onder de voorwaarde dat [de man] in de desbetreffende maanden € 515,36 heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen bij Rabobank,
5.3.
verstaat dat [de vrouw] ter voldoening van hetgeen waartoe zij onder 5.2 is veroordeeld tot aan het moment van de mondelinge behandeling al € 1.750,00 heeft betaald,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 van [de man]
2.Productie 10 van [de man]
3.Zie 4.9