ECLI:NL:RBLIM:2026:1884

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11907642 \ CV EXPL 25-3942
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:96 BWArt. 6:127 BWArt. 6:127 lid 2 BWArtikel 8.1 van de algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering Volkswagen wegens tekortkoming leaseovereenkomst en afwijzing verrekening

Op 25 september 2019 sloot gedaagde een leaseovereenkomst met Zuidlease voor een Tesla, met een looptijd van 54 maanden, verlengd met 12 maanden. Volkswagen is rechtsopvolger van Zuidlease. Gedaagde betaalde de leasetermijnen van januari en maart 2025 niet en liet een factuur voor schade bij inname onbetaald. Volkswagen vordert betaling van deze bedragen, vermeerderd met rente en incassokosten.

Gedaagde erkende aanvankelijk de vordering, maar stelde later dat hij de leasetermijnen altijd had voldaan en verzocht om verrekening met een vordering wegens vermeend niet-uitgevoerd onderhoud. De rechtbank oordeelt dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij tijdig heeft betaald en de klachtplicht over het onderhoud heeft geschonden.

De vordering van Volkswagen wordt toegewezen, inclusief contractuele rente en incassokosten. De verrekening wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs en schending van de klachtplicht. De vordering van gedaagde in reconventie wordt afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder een reële proceskostenvergoeding wegens misbruik van procesrecht en het niet verschijnen op de mondelinge behandeling.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande leasetermijnen, schadevergoeding en proceskosten; verrekening en reconventionele vordering worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11907642 \ CV EXPL 25-3942
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
te Amersfoort,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Volkswagen,
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman,
tegen
[advocaat] , handelend onder de naam [advoctenkantoor],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [advocaat] ,
gemachtigde: mr. R.R.J.W. [advocaat] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 5,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 6,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 februari 2026. [advocaat] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 25 september 2019 heeft [advocaat] met Zuidlease een zakelijke leaseovereenkomst gesloten ten behoeve van de lease van een Tesla (hierna: de auto). Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden voor operational lease van Zuidlease (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
2.2.
Volkswagen is de rechtsopvolger van Zuidlease; waar hierna sprake is van Volkswagen wordt haar rechtsvoorganger daaronder mede begrepen.
2.3.
De looptijd van de overeenkomst is 54 maanden. Daarna heeft [advocaat] de overeenkomst met 12 maanden verlengd. De overeenkomst is in maart 2025 geëindigd. De auto is eind maart 2025 ingeleverd bij Volkswagen.
2.4.
[advocaat] heeft de leasetermijnen van januari en maart 2025 niet voldaan. Tot het moment van dagvaarden bedraagt het bedrag in achterstallige leasetermijnen € 2.669,78.
2.5.
Bij factuur van 28 maart 2025 heeft Volkswagen aan [advocaat] een bedrag van
€ 229,90 in rekening gebracht voor bij inname geconstateerde schade. [advocaat] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
2.6.
Op de bovenstaande bedragen zijn door Volkswagen bedragen van respectievelijk
€ 132,25 en € 234,11 voor de te verrekenen huurtermijnen en kilometers in mindering gebracht. Het resterende bedrag aan openstaande facturen bedraagt € 2.533,32.
2.7.
Bij brief van 26 juni 2025 heeft Volkswagen aan [advocaat] medegedeeld dat, als het bedrag van in totaal € 2.533,32 aan openstaande facturen niet binnen vijf werkdagen wordt betaald, zij haar vordering uit handen zal geven aan haar incassogemachtigde. Het betreffende bedrag is niet binnen de door Volkswagen gestelde termijn betaald.
2.8.
Bij brief van 24 juli 2025 heeft de incassogemachtigde van Volkswagen [advocaat] vervolgens gesommeerd om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan, waarbij [advocaat] € 378,33 aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld als hij niet binnen vijf dagen na ontvangst van de brief zou betalen. Ook daarop is niets betaald aan Volkswagen.
2.9.
Op 3 oktober 2025 heeft [advocaat] aan Volkswagen een e-mail gestuurd waarin onder meer het navolgende is opgenomen:
“(…) Ik zal de vordering uiteraard erkennen en de extra kosten aan u voldoen (…)”
2.10.
Op 7 oktober 2025 heeft [advocaat] nogmaals een e-mailbericht aan Volkswagen verzonden met daarin onder meer de volgende mededeling:
“(…) Ik aanvaard uiteraard de vordering (…)”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Volkswagen vordert - samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [advocaat] tot betaling van € 2.958,08, vermeerderd met de contractuele rente van 16,725% per jaar over € 2.533,32 vanaf 3 september 2025 en een veroordeling van [advocaat] in de proceskosten.
3.2.
Het bedrag van € 2.958,08 kan als volgt worden gespecificeerd:
  • € 2.533,32 aan openstaande facturen (hierna: de hoofdsom);
  • € 378,33 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • € 46,43 aan contractuele rente tot en met 2 september 2025.
3.3.
Volkswagen legt aan haar vordering ten grondslag dat [advocaat] tekort is geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst. [advocaat] heeft tot op heden nagelaten om de achterstand in betalingen te voldoen.
3.4.
[advocaat] voert verweer. [advocaat] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Volkswagen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Volkswagen, dan wel de vordering van Volkswagen te verrekenen met de vordering van [advocaat] van
€ 3.872,00 (inclusief btw).
3.5.
Op de mondelinge behandeling heeft Volkswagen verzocht om een proceskostenveroordeling van [advocaat] in de reële proceskosten van € 1.400,00.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.7.
[advocaat] vordert – samengevat – Volkswagen uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 3.200,00 te vermeerderen met 21% btw en de handelsrente en Volkswagen te veroordelen in de proceskosten.
3.8.
Volkswagen voert verweer. Volkswagen concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [advocaat] , met veroordeling van [advocaat] in de kosten van deze procedure.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil is de vraag of zowel [advocaat] als Volkswagen zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat enkel [advocaat] tekort is geschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst, waardoor de vorderingen van Volkswagen zullen worden toegewezen. Hieronder wordt uiteengezet hoe de kantonrechter tot haar oordeel is gekomen.
In conventie
Overeenkomst
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [advocaat] met Volkswagen een leaseovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [advocaat] verplicht is om de leasetermijnen en de bij inname geconstateerde schade aan de auto aan Volkswagen te betalen.
Tekortkoming in de nakoming
4.3.
Allereerst moet worden beoordeeld of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de leaseovereenkomst aan de zijde van [advocaat] . Volkswagen stelt dat dat het geval is, omdat [advocaat] de leasetermijnen van de maanden januari en maart 2025 en de factuur voor de bij inname geconstateerde schade niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt daartoe als volgt.
4.4.
Tussen partijen is overeengekomen dat [advocaat] de maandelijkse huurtermijnen telkens per de eerste werkdag van de betreffende maand bij vooruitbetaling dient te voldoen. [1] Volkswagen stelt dat [advocaat] de huurtermijnen van de maanden januari en maart 2025 niet heeft betaald, waardoor hij niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van de leaseovereenkomst. [advocaat] heeft de vordering van Volkswagen in de e-mails van 3 en 7 oktober 2025 in eerste instantie erkend, echter voert hij vervolgens in deze procedure aan dat hij de leasetermijnen wel altijd heeft voldaan. Volkswagen betoogt daarentegen dat [advocaat] te vroeg is gestopt met betalen. Zo is [advocaat] verplicht om de huurtermijnen te voldoen tot de inleverdatum van de auto. De auto is eind maart 2025 ingeleverd, waardoor [advocaat] ook tot dat moment huur verschuldigd is. Gelet op de betwisting van Volkswagen had het op de weg van [advocaat] gelegen om aan te tonen dat hij de huurtermijnen wel heeft voldaan, door bijvoorbeeld betalingsbewijzen over te leggen. Dat heeft hij nagelaten. Nu niet is komen vast te staan dat [advocaat] de huurtermijnen binnen de door Volkswagen gestelde termijn heeft betaald, zijn de huurtermijnen voor de maanden januari en maart 2025 opeisbaar geworden en is [advocaat] in verzuim. Derhalve kunnen de huurtermijn voor de maanden januari en maart 2025 worden toegewezen.
4.5.
Verder heeft Volkswagen onweersproken gesteld dat [advocaat] de factuur van
28 maart 2025 voor de geconstateerde schade bij inname van de auto onbetaald heeft gelaten. Daarmee staat vast dat [advocaat] ook op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst. Op basis van artikel 19 van Pro de algemene voorwaarden dient [advocaat] immers bij aflevering van de auto de herstelkosten en extra waardevermindering te betalen. [advocaat] heeft aan deze betalingsverplichting niet voldaan. Omdat [advocaat] de vordering van Volkswagen, voor zover deze ziet op de factuur van 28 maart 2025, niet heeft betwist, kan ook deze vordering van Volkswagen worden toegewezen.
4.6.
De conclusie van het voorgaande is, dat [advocaat] zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 2.533,32.
Rente
4.7.
Nu de vordering van de hoofdsom zal worden toegewezen, kan ook de door Volkswagen gevorderde contractuele rente worden toegewezen. Volkswagen vordert betaling van rente op grond van de algemene voorwaarden. Daarin is een rentepercentage overeengekomen van 16,725% per jaar. De kantonrechter zal [advocaat] daarom tot betaling van dit rentepercentage over de hoofdsom van € 2.533,32, tot en met 2 september 2025 veroordelen. Daarnaast heeft [advocaat] het tot en met 2 september 2025 gevorderde bedrag van € 46,43 niet betwist. Verder zal de kantonrechter [advocaat] ook veroordelen tot betaling van de contractuele rente over de hoofdsom van € 2.533,32, met ingang van 3 september 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
Volkswagen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Volkswagen heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Volkswagen heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het door Volkswagen gevorderde bedrag van
€ 378,33 zal worden toegewezen, mede omdat [advocaat] de hoogte daarvan niet heeft betwist.
Verrekening
4.9.
[advocaat] beroept zich ten aanzien van de verschuldigdheid van de voornoemde bedragen op verrekening. [advocaat] heeft het bedrag van in totaal € 2.958,08 verrekend met hetgeen Volkswagen uit hoofde van de leaseovereenkomst, volgens [advocaat] , aan onderhoud verschuldigd is, te weten € 3.872,00 (inclusief btw). [advocaat] stelt namelijk dat hij voor de duur van 64 maanden € 50,00 per maand (exclusief btw) heeft betaald aan onderhoud van de auto, echter heeft er volgens hem nooit onderhoud plaatsgevonden, waardoor hij dit bedrag onterecht aan Volkswagen heeft betaald.
4.10.
Ten aanzien van het beroep op verrekening wordt door de kantonrechter het volgende overwogen. Verrekening kan alleen aan de orde zijn wanneer partijen wederkerig elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn en de over en weer bestaande verbintenissen tot gelijksoortige prestaties (hier: de betaling van een geldsom) strekken. [2] Als de schuldenaar bevoegd is zijn schuld te betalen en hij tegelijkertijd betaling van zijn vordering kan afdwingen, is hij bevoegd tot verrekening. De vraag die hier moet worden beantwoord is of [advocaat] de bevoegdheid tot verrekening heeft. [3]
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat [advocaat] niet de bevoegdheid heeft om de door hem verschuldigde bedragen te verrekenen. [advocaat] stelt dat er nooit onderhoud aan de auto heeft plaatsgevonden, maar de kantonrechter acht dit niet aannemelijk. [advocaat] heeft immers erkend dat hij tweemaal per jaar een oproep van Volkswagen heeft gekregen om de auto naar de garage te brengen voor de banden. Volkswagen stelt dat op dat moment ook het onderhoud heeft plaatsgevonden. Dit is niet door [advocaat] weersproken.
4.12.
Bovendien heeft Volkswagen aangevoerd dat [advocaat] de klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro heeft geschonden. In dit artikel is bepaald dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. [advocaat] is pas maanden na de afwikkeling van het leasecontract met klachten gekomen. Volkswagen stelt terecht dat [advocaat] daarmee zijn klachtplicht heeft geschonden. [advocaat] heeft jarenlang de auto van Volkswagen gehuurd en heeft nooit eerder geklaagd. [advocaat] heeft zelfs de leaseovereenkomst met twaalf maanden laten verlengen. Pas nadat Volkswagen een gerechtelijke procedure tegen [advocaat] is gestart, is hij gaan klagen over gebrekkig onderhoud. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [advocaat] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd en aldus de klachtplicht heeft geschonden. Voor zover er al een gebrek zou worden aangenomen, kan op dit gebrek in de prestatie geen beroep meer worden gedaan door [advocaat] .
4.13.
Verder is het voor de kantonrechter niet duidelijk waarop het bedrag van € 50,00 per maand is gebaseerd. Het zou gaan om maandelijkse kosten voor onderhoud, maar dat wordt door [advocaat] verder niet onderbouwd.
4.14.
De conclusie van het voorgaande is, dat het beroep van [advocaat] op verrekening niet slaagt.
Proces- en nakosten
4.15.
[advocaat] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie betalen. De proceskosten van Volkswagen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.229,78
In reconventie
Schadevergoeding
4.16.
[advocaat] stelt dat Volkswagen toerekenbaar tekort is geschoten in de leaseovereenkomst, doordat er nooit onderhoud aan de auto heeft plaatsgevonden, terwijl [advocaat] hiervoor wel gedurende 64 maanden een bedrag van € 50,00 per maand (exclusief btw) stelt te hebben betaald. Omdat Volkswagen het onderhoud aan de auto niet meer kan uitvoeren, vordert [advocaat] een vervangende schadevergoeding voor een bedrag van in totaal € 3.200,00 (exclusief btw).
4.17.
Vast staat dat de leaseovereenkomst inmiddels is geëindigd, zodat een tekortkoming in de nakoming, mocht die worden vastgesteld, nog slechts tot schadevergoeding kan leiden. Volkswagen heeft echter betoogd dat van van een tekortkoming in de nakoming van de leaseovereenkomst geen sprake is. Het betoog van Volkswagen is reeds aan bod gekomen onder de overwegingen 4.11 en 4.12. De kantonrechter verwijst naar deze overwegingen. Uit deze overwegingen volgt dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming bestaande uit het niet uitvoeren van onderhoud en dat, als er wel sprake zou zijn geweest van een tekortkoming op dit aspect, [advocaat] bovendien de klachtplicht heeft geschonden.
4.18.
De conclusie van het voorgaande is dat de kantonrechter de vordering tot schadevergoeding zal afwijzen.
Reële proceskostenveroordeling
4.19.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Volkswagen – aanvullend – verzocht om [advocaat] in de reële proceskosten te veroordelen en – naast betaling van de explootkosten, verschotten en het liquidatietarief – een bedrag toe te kennen van € 1.400,00 aan gemachtigdensalaris. [advocaat] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. Volkswagen heeft aangevoerd dat zij door de proceshouding van [advocaat] (het instellen van een kansloze vordering in reconventie, het voeren van een verrekeningsverweer tegen een eerder erkende vordering én het niet-verschijnen op de mondelinge behandeling) nodeloos op kosten is gejaagd. Zo heeft de gemachtigde van Volkswagen een reis van in totaal zes uur moeten afleggen van en naar de rechtbank. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
4.20.
De hoofdregel is dat het salaris van de advocaat wordt berekend volgens het liquidatietarief. [4] Een vordering tot vergoeding van de reële proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan kan sprake zijn als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is het geval als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [5]
4.21.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van misbruik van het procesrecht. [advocaat] heeft immers de vordering van Volkswagen in eerste instantie buiten rechte erkend. Pas nadat Volkswagen een gerechtelijke procedure tegen [advocaat] is gestart heeft hij een eis in reconventie ingesteld en een beroep gedaan op verrekening, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze vordering en dit verweer evident ongegrond waren. Naast het feit dat [advocaat] de vordering van Volkswagen onvoorwaardelijk had erkend, staat immers ook vast (doordat Volkswagen dit heeft gesteld en door [advocaat] niet is weersproken) dat de auto wel degelijk onderhoud heeft genoten, terwijl [advocaat] zijn vordering heeft gegrond op de stelling dat dat niet het geval was.
4.22.
Indien [advocaat] zijn evident ongegronde verrekeningsverweer en vordering in reconventie achterwege had gelaten, was in deze zaak een (erkennings)vonnis gewezen en geen mondelinge behandeling gelast. Door vervolgens (overigens zonder voorafgaande kennisgeving) niet op de mondelinge behandeling te verschijnen, terwijl hij ermee bekend was dat de gemachtigde van Volkswagen van ver moest komen, heeft [advocaat] Volkswagen nodeloos op kosten gejaagd. Gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval, acht de kantonrechter dit handelen van [advocaat] onrechtmatig jegens Volkswagen en acht zij een reële proceskostenveroordeling op zijn plaats.
4.23.
De gemachtigde van Volkswagen heeft onbetwist gesteld dat zijn reistijd zes uur was, hij voor de mondelinge behandeling (conform de uitnodigingsbrief) een uur heeft uitgetrokken en heeft op basis van een uurtarief van € 200,00 per uur een vergoeding verzocht van € 1.400,00. Dit bedrag zal worden toegewezen, met dien verstande dat daarvan een bedrag van € 238,00 (1 punt liquidatietarief dat in conventie voor het bijwonen van de mondelinge behandeling reeds is toegekend) wordt afgetrokken.
4.24.
De conclusie van het voorgaande is dat de kantonrechter in reconventie een bedrag van € 1.162,00 aan reële proceskosten zal toewijzen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [advocaat] om aan Volkswagen te betalen een bedrag van € 2.958,08, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 16,725% per jaar over een bedrag van € 2.533,32, met ingang van 3 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [advocaat] in de proceskosten van € 1.229,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van [advocaat] af,
5.4.
veroordeelt [advocaat] in de reële proceskosten van € 1.162,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [advocaat] tot betaling van de kosten van betekening als [advocaat] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 8.1 van de algemene voorwaarden.
2.Artikel 6:127 BW Pro.
3.Artikel 6:127 lid 2 BW Pro.
4.HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004.
5.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.