Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1849

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11837343 CV 25-3457
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:266 BWArt. 7:267 BWArt. 130 RvArt. 3 lid 1 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning huurrecht aan vrouw na verbroken relatie met minderjarige kind

Partijen, ex-partners en medehuurders van een sociale huurwoning, zijn in geschil over de toekenning van het huurrecht na het verbreken van hun relatie. Zij zijn samen de ouders van een zesjarig kind dat voorlopig aan de vrouw is toevertrouwd. Na escalatie in mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de vrouw het voorlopig genot van de woning toegekend en een zorgregeling vastgesteld.

De kantonrechter beoordeelt de vorderingen van partijen op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro, waarbij de belangen van het minderjarige kind volgens artikel 3 lid 1 IVRK Pro de eerste overweging vormen. De woning is het enige thuis van het kind, dichtbij school en vriendjes, en het belang van het kind bij handhaving van de status-quo weegt zwaar.

De man heeft een hoger inkomen en betere mogelijkheden om vervangende woonruimte te vinden, terwijl de vrouw afhankelijk is van de sociale huursector. De kantonrechter wijst het huurrecht toe aan de vrouw en beveelt dat de man de huur niet langer voortzet. Daarnaast wordt de vrouw veroordeeld tot afgifte van goederen die eigendom zijn van de man binnen een termijn van maximaal vier maanden. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Het huurrecht van de woning wordt toegekend aan de vrouw en de man moet de huur niet langer voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11837343 \ CV EXPL 25-3457
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
gemachtigde: mr. R. Engwegen,
tegen
[de man],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
gemachtigde: mr. D.O.M. Klinkers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte houdende een productie van [de vrouw] ;
- de akte houdende een eiswijziging tevens overlegging aanvullende producties van [de man] ;
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [kind] , die nu 6 jaar is.
2.2.
Partijen hebben met elkaar samengewoond in een huurwoning staande en gelegen te [adres] . Hiertoe hebben zij op 17 december 2019 gezamenlijk als huurders een huurovereenkomst gesloten met de Stichting WoonGoed 2- Duizend als verhuurder. De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. De Stichting Nester is de rechtsopvolger van deze verhuurder.
2.3.
De relatie tussen partijen is in 2023 verbroken. Partijen zijn daarna samen in de woning blijven wonen.
2.4.
In mei 2025 is de situatie tussen partijen geëscaleerd. Er is ruzie ontstaan waarna [de man] [de vrouw] de toegang tot de woning heeft ontzegd. [de man] is met [kind] in de woning blijven wonen.
2.5.
Vanaf het moment dat [de vrouw] de toegang tot de woning is ontzegd, heeft zij afwisselend verbleven bij een vriendin en bij haar nieuwe partner, die bij zijn ouders inwoont.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 24 september 2025 heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier van belang – :
  • [kind] toevertrouwd aan [de vrouw] ;
  • [de man] veroordeeld tot afgifte van [kind] aan [de vrouw] ;
  • een voorlopige zorgregeling vastgesteld in die zin dat [kind] bij [de man] verblijft:
o de ene week van vrijdag na school tot maandag voor school;
o de andere week van woensdag na school tot vrijdag voor school;
- bepaald dat [de vrouw] , met uitsluiting van [de man] , gerechtigd is tot het voorlopig genot en gebruik van de woning en de inboedel aan het [adres] , [de man] bevolen deze woning binnen 3 dagen na betekening van het vonnis te verlaten en bepaald dat [de man] de woning zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van [de vrouw] niet meer mag betreden.
2.7.
[de man] heeft voldaan aan het vonnis van de voorzieningenrechter. Hij heeft de woning verlaten en hij heeft [de vrouw] met [kind] het genot en het gebruik van de woning en de inboedel verschaft.
2.8.
[de vrouw] en [kind] wonen sindsdien (weer) samen in de woning. [de vrouw] betaalt de huur aan de verhuurder. De voorlopige zorgregeling wordt overeenkomstig de uitspraak in kort geding nageleefd.
2.9.
[de man] verblijft momenteel bij zijn moeder.
2.10.
De school van [kind] is gelegen in dezelfde straat als waar de woning is gelegen.
2.11.
Het werk van [de man] en [de vrouw] is gelegen op ongeveer gelijke afstand vanaf de woning.
2.12.
In de bodemprocedure die aanhangig is bij de familierechter is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming bevolen. Dit onderzoek was op 9 januari 2026, de datum waarop de mondelinge behandeling in deze procedure heeft plaatsgevonden, nog niet gestart.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het huurrecht van de woning, staande en gelegen te [adres] , aan haar zal toekennen, althans een in goede justitie te bepalen beslissing zal nemen, kosten rechtens.
3.2.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
in reconventie
3.4.
[de man] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om
Primair:
I. [de vrouw] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de huurovereenkomst niet langer voort te zetten, waarbij [de man] met uitsluiting van [de vrouw] gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel;
II. [de vrouw] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten;
III. [de vrouw] te veroordelen tot afgifte van alle sleutels van de huurwoning aan [de man] na betekening van het vonnis;
IV. [de vrouw] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zichzelf van het adres van de huurwoning uit te schrijven;
Subsidiair:
I. te bepalen dat de volgende goederen worden toegedeeld aan [de man] : televisie, koelkast, combimagnetron, bankstel, kasten (zowel in woonkamer als slaapkamer), bed, mobiele airco, (winter)kleding, vaatwasser, twee scooters en de volledige inhoud van de opslagruimte en berging van de huurwoning;
II. [de vrouw] te veroordelen tot afgifte van de goederen onder I.;
III. te bepalen dat een datum en tijdstip wordt afgesproken om de nog resterende inboedel in onderling overleg te verdelen;
IV. kosten rechtens.
3.5.
Bij akte houdende een wijziging van eis heeft [de man] zowel zijn primaire als zijn subsidiaire vordering (deels) gewijzigd, in die zin dat hij, voor zover gewijzigd, vordert:
Primair:
I. te bepalen dat hij, met uitsluiting van [de man] , gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de aan hem toebehorende inboedel;
IV. [de vrouw] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan haar uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van de huurwoning;
Subsidiair:
I. te bepalen dat de volgende goederen eigendom zijn van [de man] :
- televisie (woonkamer), Samsung UE46F6100 3D LED;
- televisie (slaapkamer), LG;
- Home Cinema Harman Kardon AVR 235 met JBL speakers 5+1;
- koelkast, Bosch KGE39BL40;
- diepvries, kelder;
- combimagnetron, MWSC933SB/zwart 900 W-33L;
- afwasmachine, Sharp;
- condensdroger, Whirlpool Sealine C;
- bankstel;
- bed;
- mobiele airco, 1200;
- kleding van [de man] ;
- scooter, Piaggio Vespa LX50 bouwjaar 2008 met kenteken: [kenteken] ;
- telefoon, Sony Xperia 1 III zwart;
- servies, bestek en glazen;
- roerende zaken, waaronder gereedschap en apparatuur, die zich bevinden in de
opslagruimte en berging van de huurwoning;
II. [de vrouw] te veroordelen tot afgifte van de goederen benoemd onder I binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;
III. te bepalen dat partijen in onderling overleg een tijdstip en datum vaststellen voor de verdeling van de resterende inboedel.
3.6.
[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gezien de samenhang van de vordering in conventie en de primaire vordering in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken en beoordeeld. Eerst zal echter worden geoordeeld over de toelaatbaarheid van de door [de man] ingediende wijziging van eis.
Eiswijziging
4.2.
[de man] heeft bij conclusie van antwoord een eis in reconventie ingesteld die hiervoor onder 3.4. is weergegeven. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft hij een akte houdende een wijziging van eis genomen, waarbij hij zijn eis heeft gewijzigd. [de vrouw] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen die eiswijziging. Zij vindt dat het in strijd is met de eisen van een goede procesorde om de eis daags voor de mondelinge behandeling te wijzigen.
4.3.
Op grond van artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De kantonrechter heeft, na schorsing voor beraad, tijdens de mondelinge behandeling al geoordeeld dat zij de eiswijziging gelet op de inhoud daarvan, afgezet tegen het debat zoals het reeds was gevoerd, niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde. Daarbij geldt wel dat in het geval [de vrouw] onvoldoende in staat zou zijn om ter gelegenheid van de mondelinge behandeling daarop te reageren, haar de gelegenheid zou worden geboden om dat bij akte alsnog te doen. Uiteindelijk heeft [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling echter ook op de gewijzigde eis afdoende kunnen reageren en heeft zij verklaard dat geen behoefte meer bestaat voor het nemen van een antwoordakte. De gewijzigde eis zal dan ook, in het geval de kantonrechter daaraan toekomt, bij de beoordeling worden betrokken.
Toekenning van het huurrecht
4.4.
[de vrouw] en [de man] hebben over en weer om toekenning van het huurrecht van de woning verzocht. In artikel 7:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geregeld onder welke voorwaarde een echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder is. Artikel 7:267 BW Pro voorziet in de mogelijkheid van medehuur door anderen dan de echtgenoot of geregistreerde partner van de huurder. In dit geval hebben [de vrouw] en [de man] gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder gesloten. Dit brengt mee dat zij anders dan in de in artikel 7:266 BW Pro en artikel 7:267 BW Pro bedoelde gevallen, allebei partij zijn bij die huurovereenkomst.
4.5.
Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1964) volgt dat ook artikel 7:267 lid 7 BW Pro, waarin is bepaald dat zowel een huurder als een medehuurder kan vorderen dat de rechter bepaalt dat een van hen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zal voortzetten, van overeenkomstige toepassing is in geval van gezamenlijke huur. De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW Pro op gezamenlijke huur omvat ook de werking van het vonnis jegens de verhuurder. Dit brengt mee dat de huurovereenkomst ten aanzien van de vertrekkende huurder eindigt op de door de rechter bepaalde dag. De huurovereenkomst wordt ten aanzien van de achterblijvende huurder voortgezet, ook als de huurovereenkomst een eigen regeling bevat omtrent voortzetting door een of meer van de huurders.
4.6.
In lid 7 van artikel 7:267 BW Pro is bepaald dat de rechter een vordering tot, simpel gezegd toekenning van het huurrecht, slechts toewijst, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. De kantonrechter moet daarom een belangenafweging maken en wel op basis van de situatie zoals deze op dit moment is. Daarbij geldt, aangezien de te nemen beslissing ook (de belangen van) [kind] raakt, dat artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) meebrengt dat de belangen van [kind] de eerste overweging vormen. Artikel 3 lid 1 IVRK Pro richt zich namelijk onder meer tot rechterlijke instanties. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie. De kantonrechter verwijst naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799).
4.7.
Dit betekent niet dat de belangen van [kind] doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. Als de belangen van [kind] conflicteren met de belangen van anderen, moeten alle belangen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en moet voor ogen worden gehouden dat
“het recht van het kind [om] zijn belangen de eerste overweging te laten zijn inhoudt dat deze belangen een hoge prioriteit hebben en niet slechts een van verschillende overwegingen zijn” [1] .
4.8.
De kantonrechter zal de over en weer ingestelde vorderingen tot toekenning van het huurrecht met inachtneming van het voorgaande beoordelen. Die beoordeling leidt, de belangen van [kind] in aanmerking nemend en de door [de vrouw] en [de man] aangevoerde belangen bij toekenning van het huurrecht aan haar respectievelijk aan hem, afwegend, tot het oordeel dat de vordering van [de vrouw] zal worden toegewezen. De spiegelbeeldige vordering van [de man] zal worden afgewezen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
4.9.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 24 september 2025 is [kind] toevertrouwd aan [de vrouw] en is, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [kind] bij [de man] verblijft de ene week van vrijdag na school tot maandag voor school en de andere week van woensdag na school tot vrijdag voor school. Het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van [kind] ligt op dit moment dus bij [de vrouw] . [de man] heeft weliswaar betoogd dat hij in de bodemprocedure koerst op (in ieder geval) een fifty-fifty verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar hierop kan de kantonrechter niet vooruitlopen. In dit verband geldt het volgende.
4.10.
In de bodemprocedure is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming bevolen. Dit onderzoek moest ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak nog starten. Het zal nog de nodige tijd duren voordat dit onderzoek is uitgevoerd en daarover is gerapporteerd. Vervolgens zal naar verwachting een mondelinge behandeling bij de familierechter plaatsvinden. Die mondelinge behandeling zal naar verwachting niet onmiddellijk nadat de Raad voor de Kinderbescherming heeft gerapporteerd kunnen plaatsvinden. Pas na die mondelinge behandeling zal de familierechter uitspraak kunnen doen, waarbij de kantonrechter - hoewel ook dat niet vaststaat - ervan uitgaat dat dan een eindbeschikking kan worden gegeven over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het zal dus nog de nodige tijd duren voordat in de bodemprocedure een beslissing is genomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Daar komt bij dat geenszins vast staat dat tegen die beslissing geen rechtsmiddel wordt ingesteld. Kortom, voordat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken definitief is vastgesteld, zal de nodige tijd zijn verstreken. Of die definitieve vaststelling zal inhouden dat [kind] de helft van de tijd bij [de vrouw] en de andere helft van de tijd bij [de man] zal verblijven, kan op dit moment ook niet worden ingeschat.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [kind] ermee is gediend dat de status-quo wordt gehandhaafd en dat dit belang prevaleert boven de over en weer door partijen althans door [de man] aangevoerde belangen, waarover hierna meer. De woning aan [adres] is (vooralsnog) [kind] ’s enige thuis geweest. [kind] heeft nooit ergens anders gewoond, de woning vormt voor haar dus haar vertrouwde omgeving. Daar komt bij dat de school van [kind] op loopafstand van de woning is gelegen en dat vriendinnetjes van [kind] in de buurt wonen. Deze handhaving van de status-quo is alleen haalbaar bij toekenning van het huurrecht aan [de vrouw] .
4.12.
Immers als de kantonrechter het huurrecht aan [de man] zou toekennen dan leidt dat er toe dat [kind] , gezien het feit dat zij is toevertrouwd aan [de vrouw] en gelet op de huidige zorgregeling, zal moeten verhuizen. In dat geval zal [de vrouw] met [kind] bij derden (een vriendin of bij haar huidige partner, die bij zijn ouders woont) moeten gaan wonen, aangezien [de vrouw] niet van vandaag op morgen over vervangende woonruimte voor zichzelf en [kind] kan beschikken. Het staat namelijk vast, want [de vrouw] heeft dat onweersproken gesteld, dat [de vrouw] ter verkrijging van andere woonruimte is aangewezen op de sociale sector. Het is een feit van algemene bekendheid dat huurwoningen in die sector op dit moment helaas niet voor het oprapen liggen. De kantonrechter acht dit, het inwonen bij derden, niet in het belang van [kind] .
4.13.
Het is weliswaar zo dat ook vast staat, want dat heeft [de man] onweersproken gesteld, dat [kind] geen eigen kamer heeft als zij in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij [de man] verblijft, aangezien [de man] op dit moment bij zijn moeder verblijft en de woning onvoldoende slaapkamers heeft voor de moeder van [de man] , zijn jongere boertje, [de man] én [kind] , maar aangezien [kind] een kleiner deel van de tijd bij [de man] verblijft dan bij [de vrouw] , weegt dit - ook al is dit ook niet ideaal - minder zwaar dan de situatie waarin [de vrouw] met [kind] bij derden zou moeten verblijven.
4.14.
Bij dit alles komt, de belangen van partijen afwegend, het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de man] een hoger inkomen heeft dan [de vrouw] en dat hij niet uitsluitend is aangewezen op de sociale sector, maar dat hij ook via de particuliere sector kan huren. [de man] heeft daarmee een grotere mogelijkheid om binnen afzienbare tijd een andere woning te kunnen huren dan [de vrouw] . De kantonrechter begrijpt wel dat [de man] niet erop zit te wachten om een veel hogere huurprijs te moeten betalen voor een woning in de vrije sector dan voor een woning in de sociale sector, maar tegen de achtergrond van het feit dat het inkomen van [de vrouw] het huren in de vrije sector sowieso niet toelaat, kan de kantonrechter niks anders concluderen dan dat de mogelijkheid van [de man] om binnen afzienbare tijd vervangende woonruimte te vinden groter is dan die van [de vrouw] . Hij kan zich immers richten op een groter aanbod aan woningen dan [de vrouw] .
4.15.
Het verwijt dat [de man] [de vrouw] maakt, te weten dat zij herhaaldelijk een huurwoning heeft geweigerd, legt - hoewel [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat zij enkele malen een aangeboden huurwoning heeft geweigerd - onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Hier staat namelijk tegenover dat tijdens de mondelinge behandeling ook vast is komen te staan, want [de man] heeft dat zelf verklaard, dat [de man] sinds de verbreking van de relatie met [de vrouw] zelf helemaal nog niet actief heeft gezocht naar vervangende woonruimte. [de man] staat blijkens zijn eigen verklaring pas twee of drie maanden als woningzoekende ingeschreven bij het [platform], terwijl de relatie tussen partijen al in 2023 is geëindigd. Kortom, beide partijen hebben op dit vlak keuzes gemaakt die objectief gezien in ieder geval onhandig zijn te noemen. Dit brengt mee dat de kantonrechter een en ander niet in het voor- of nadeel meeweegt.
4.16.
[de man] heeft in dit kader weliswaar ook gesteld dat partijen na de beëindiging van de relatie hebben afgesproken dat [de vrouw] de woning zou verlaten en dat [de man] in de woning, zou blijven wonen, maar [de vrouw] heeft dat betwist. [de man] heeft zijn stelling in het licht van die betwisting onvoldoende onderbouwd. De als productie 4 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie door hem in het geding gebrachte brief, levert geen steun op voor het bestaan van die afspraak. Aan bewijslevering komt de kantonrechter daarom niet toe. De gestelde afspraak werpt dus geen ander licht over hetgeen hiervoor is geoordeeld over de inspanningen dan wel het gebrek daaraan van ieder van partijen om vervangende woonruimte te vinden. Het feit dat [de vrouw] langer dan [de man] bij [platform] is ingeschreven, kan ook niet ertoe leiden dat de belangenafweging in het voordeel van [de man] uitvalt. [de man] heeft immers zelf verklaard dat hij ervoor heeft gekozen om zich niet in te schrijven, omdat hij graag in de woning wil blijven. Het gevolg van die keuze, wat daarvan verder ook zij, kan nu niet in zijn voordeel dan wel in het nadeel van [de vrouw] meewegen.
4.17.
Verder geldt dat [de vrouw] ondanks dat zij een lager inkomen heeft dan [de man] , net als [de man] in staat is de huur en de overige lasten van de woning te dragen. [de man] heeft dat weliswaar in twijfel getrokken, maar [de vrouw] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij op dit moment geen huurtoeslag ontvangt als gevolg van het feit dat [de man] nog op het adres van de woning is ingeschreven, maar desondanks de huur en de overige lasten volledig betaalt. Dat er sinds [de vrouw] weer in de woning verblijft een achterstand is in de betaling van de huurpenningen en / of de overige woonlasten is niet gesteld (en ook niet gebleken).
4.18.
Tevens is het zo dat partijen, blijkens de tijdens de mondelinge behandeling hierover afgelegde verklaringen, op ongeveer gelijke afstand van de woning werkzaam zijn. Hierin is dus geen doorslaggevend belang voor toekenning van het huurrecht aan de een of de ander gelegen.
4.19.
Ten slotte leidt de stelling van [de man] dat hij veel in de woning heeft geïnvesteerd en veel werkzaamheden in de woning heeft verricht om het woongenot te verbeteren, niet tot een ander oordeel. [de vrouw] heeft dit namelijk betwist. [de man] heeft in dat licht onvoldoende onderbouwd dat hij substantieel grotere investeringen heeft gedaan en meer werkzaamheden heeft verricht dan de gebruikelijke investeringen en werkzaamheden die huurders plegen uit te voeren om een woning naar hun zin te maken.
Conclusie
4.20.
Gelet op al het voorgaande zal de kantonrechter het huurrecht van de woning aan [de vrouw] toekennen en aldus, in lijn met de tekst in lid 7 van artikel 7:67 BW Pro bepalen dat [de man] de huur met ingang van de in het dictum van dit vonnis genoemde datum niet langer zal voortzetten. Dit betekent dat de vordering in conventie wordt toegewezen en dat de primaire vorderingen in reconventie worden afgewezen. De kantonrechter zal hierna de subsidiaire vordering, in de gewijzigde variant, in reconventie zoals onder I en II geformuleerd beoordelen. De subsidiair onder III geformuleerde vordering heeft [de man] namelijk ingetrokken, zodat deze geen beoordeling meer behoeft. Volledigheidshalve overweegt de kantonrechter dat partijen hebben afgesproken dat zij de in gemeenschappelijke eigendom aan hen toebehorende inboedel in onderling overleg, met behulp en tussenkomst van hun advocaten, zullen verdelen.
Afgifte goederen
4.21.
[de man] heeft ten aanzien van de door hem in het petitum van zijn akte houdende de eiswijziging subsidiair gevorderd dat de kantonrechter ten aanzien van de door hem opgesomde goederen “bepaalt” dat deze in eigendom aan hem toebehoren. De kantonrechter gaat ervan uit dat [de man] hiermee bedoelt dat de kantonrechter voor recht verklaart dat deze goederen in eigendom aan hem toebehoren. Daarnaast heeft hij gevorderd dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot afgifte van deze vorderingen binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.
4.22.
[de vrouw] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling erkend dat de goederen waarvan [de man] afgifte vordert aan hem toebehoren, met uitzondering van het bankstel, het servies, bestek en de glazen. [de vrouw] heeft zich ook bereid verklaard deze goederen aan [de man] af te geven. In zoverre ligt de vordering van [de man] voor toewijzing gereed. Ten aanzien van de telefoon, omschreven als Sony Xperia 1 III zwart (telefoon) heeft [de vrouw] verklaard dat deze niet in haar bezit is en dat ze deze daarom niet kan teruggeven. Nu [de vrouw] niet heeft betwist dat deze telefoon in eigendom aan [de man] toebehoort zal de gevorderde verklaring voor recht op dit punt eveneens worden toegewezen. [de man] heeft in het licht van de betwisting door [de vrouw] echter onvoldoende onderbouwd dat zij deze telefoon in haar bezit heeft. Daarom wordt de gevorderde veroordeling tot afgifte op dit punt afgewezen.
4.23.
[de man] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ermee akkoord is dat [de vrouw] het bankstel, het servies, bestek en de glazen, met uitzondering van zijn verzameling bierglazen, in bezit blijft houden. Bij deze stand van zaken heeft hij geen belang meer bij zijn vorderingen voor zover ze op deze zaken, met uitzondering van de verzameling bierglazen, betrekking hebben. De vordering wordt in zoverre afgewezen. [de vrouw] heeft verklaard dat zij de verzameling bierglazen aan [de man] zal afgeven. Dit onderdeel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.
4.24.
Ten slotte moet nog een beslissing worden genomen over de termijn waarbinnen [de vrouw] de goederen ten aanzien waarvan de vordering wordt toegewezen, dient af te geven. [de vrouw] heeft bepleit dat de gevorderde termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis te kort is. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de toewijzing van de vordering meebrengt dat zij een substantieel deel van de inboedel zal moeten vervangen en dat zij financieel niet in staat is om dat in één keer en op korte termijn te doen. In dit verband heeft zij ook naar voren gebracht dat de belangen van [kind] ermee zijn gediend als zij de inboedel geleidelijk kan vervangen. Hiervoor zou haar een termijn van 6 à 7 maanden moeten worden gegund, aldus nog steeds [de vrouw] .
4.25.
De kantonrechter is van oordeel dat [de man] zijn belang bij afgifte van de goederen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis onvoldoende heeft onderbouwd, nu hij zelf heeft verklaard dat hij geen ruimte heeft om de goederen op te slaan en hij, toen de kantonrechter voorstelde dat partijen - ongeacht de te nemen beslissingen - alvast een afspraak zouden maken over de afgifte van [de man] ’s kleding aan hem, verklaarde dat het maken van zo’n afspraak niet nodig was. Daar komt bij dat vast staat dat [de vrouw] niet in één keer een volledig nieuwe inboedel kan aanschaffen, dat heeft zij namelijk onweersproken gesteld. Daarom moet haar enige tijd worden gegund om in ieder geval de meest belangrijke zaken te vervangen. Anderzijds geldt dat het ook niet zo kan zijn dat [de man] tot in de lengte van dagen niet over zijn eigendommen kan beschikken. Hij heeft terecht erop gewezen dat hij, als hij niet in de woning kan blijven wonen, op zoek moet naar andere woonruimte die hij ook zal moeten inrichten. De kantonrechter zal daarom bepalen dat de goederen tot afgifte waarvan [de vrouw] wordt veroordeeld zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vier maanden na betekening van dit vonnis aan [de man] moeten worden afgegeven.
4.26.
Daarbij geldt dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [de vrouw] de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gedane toezegging dat zij goed voor de spullen zal zorgen én dat zij stapsgewijs zal overgaan tot teruggave daarvan, te weten steeds zodra zij vervangende zaken heeft aangeschaft zij de vervangen zaken zal teruggeven aan [de man] , zal nakomen. Met andere woorden, de kantonrechter gaat ervan uit dat [de vrouw] ervoor zorgt dat alle spullen die aan [de man] moeten worden afgegeven, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vier maanden na betekening van dit vonnis, aan hem worden afgegeven.
4.27.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [de man] wellicht een rol kan spelen bij het versnellen van de teruggave van zijn spullen, door zich in de Basisregistratie Personen zo snel mogelijk op een ander adres dan het adres van de woning in te schrijven, zodat [de vrouw] toeslagen kan aanvragen. In het geval zij daarvoor in aanmerking komt, zal dit haar financiële situatie ten goede komen, hetgeen gezien haar toezegging de teruggave van de goederen moet versnellen.
Proceskosten
4.28.
Gelet op het feit dat partijen ex-partners zijn en deze procedure samenhangt met de afwikkeling van hun relatie, zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat [de man] de huur van de woning staande en gelegen te [adres] , met ingang van vandaag niet meer zal voortzetten,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat in eigendom aan [de man] toebehoren:
- televisie (woonkamer), Samsung UE46F6100 3D LED;
- televisie (slaapkamer), LG;
- Home Cinema Harman Kardon AVR 235 met JBL speakers 5+1;
- koelkast, Bosch KGE39BL40;
- diepvries, kelder;
- combimagnetron, MWSC933SB / Zwart 900 W-33L;
- afwasmachine, Sharp;
- condensdroger, Whirlpool Sealine C;
- bed;
- mobiele airco, 1200;
- kleding van [de man] ;
- scooter, Piaggio Vespa LX50 bouwjaar 2008 met kenteken: [kenteken] ;
- telefoon, Sony Xperia 1 III zwart;
- verzameling bierglazen;
- roerende zaken, waaronder gereedschap en apparatuur, die zich bevinden in de
opslagruimte en berging van de huurwoning,
5.5.
veroordeelt [de vrouw] tot afgifte van de goederen genoemd onder 5.4., met uitzondering van de telefoon, Sony Xperia 1 III zwart, zo spoedig mogelijk, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.25. is overwogen, maar uiterlijk binnen vier maanden na betekening van dit vonnis,
5.6.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de onder 5.5. uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.General Comments 14, punt 39