De zaak betreft een verzoek om een voorlopinaire voorziening tegen de voorgenomen sluiting van een woning in Kerkrade op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden hennep, hasj en attributen voor jointproductie. De burgemeester had besloten tot sluiting voor twintig weken, wat verzoeker betwistte en waartegen hij bezwaar maakte.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van bestuursdwang en dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is gezien de omvangrijke drugshandel vanuit de woning. De burgemeester heeft de belangen van de veertienjarige zoon van verzoeker betrokken door een langere termijn te hanteren voor de sluiting en het wijzen op opvangmogelijkheden.
Verzoeker stelde dat de drugs van zijn halfbroer waren en dat hij niet verwijtbaar was, maar de rechter achtte deze verklaring ongeloofwaardig. Ook het belang van het kind weegt mee, maar de burgemeester heeft voldoende maatregelen getroffen om opvang te waarborgen. De sluiting wordt niet als onevenredig beschouwd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.