ECLI:NL:RBLIM:2026:1789

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
ROE 26/163
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 3 IVRKArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel in Kerkrade

De zaak betreft een verzoek om een voorlopinaire voorziening tegen de voorgenomen sluiting van een woning in Kerkrade op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden hennep, hasj en attributen voor jointproductie. De burgemeester had besloten tot sluiting voor twintig weken, wat verzoeker betwistte en waartegen hij bezwaar maakte.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van bestuursdwang en dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is gezien de omvangrijke drugshandel vanuit de woning. De burgemeester heeft de belangen van de veertienjarige zoon van verzoeker betrokken door een langere termijn te hanteren voor de sluiting en het wijzen op opvangmogelijkheden.

Verzoeker stelde dat de drugs van zijn halfbroer waren en dat hij niet verwijtbaar was, maar de rechter achtte deze verklaring ongeloofwaardig. Ook het belang van het kind weegt mee, maar de burgemeester heeft voldoende maatregelen getroffen om opvang te waarborgen. De sluiting wordt niet als onevenredig beschouwd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wegens drugshandel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/163

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Kerkrade, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.M.A. Jegers),
en

de burgemeester van de gemeente Kerkrade, het college

(gemachtigden: mr. K. Heijens en mr. C.M.C. Dodemont).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de voorgenomen sluiting van de woning van verzoeker voor de duur van twintig weken op grond van artikel 13 van Pro de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening om de sluiting van de woning te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 heeft het college bepaald dat de woning van verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet moet worden gesloten voor de duur van twintig weken per 21 januari 2026.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De burgemeester heeft laten weten bereid te zijn de sluiting op te schorten tot na de uitspraak.
1.3.
Het burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. Teerling ter vervanging van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker huurt zijn woning aan de [adres] in Kerkrade van de woningstichting HEEMWonen. Verzoeker woont daar samen met zijn veertienjarige zoon. De burgemeester heeft op 27 november 2025 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen.
4. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op 16 november 2025 in de woning het volgende werd aangetroffen:
  • 3,45 kilogram mix van hennep en tabak (netto 1,0338 kilogram hennep);
  • 10,43 kilogram mix van hasj en tabak (netto 3,1293 kilogram hasj);
  • doos met lege gekleurde jointkokers;
  • drie lege lachgasflessen;
  • dozen gevuld met honderden Cones (plastic kokers) en duizenden nieuwe lege voorgevormde jointvloeitjes;
  • een contant geldbedrag van € 715,-;
  • een wapen strafbaar op grond van de Wet wapens en munitie;
  • een plastic container gevuld met balletjes voor een luchtdrukwapen.
5. De burgemeester heeft op 4 december 2025 het voornemen tot woningsluiting aan verzoeker toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft op 11 december 2025 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gevonden om af te zien van zijn voornemen tot sluiting van de woning.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
6. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. Gelet op het feit dat verzoeker en zijn zoon de woning in het geval van sluiting daarvan voor de duur van twintig weken zullen moeten verlaten, is voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Het toetsingskader
7. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
8. Artikel 1, eerste lid, van het Damoclesbeleid gemeente Kerkrade 2020 luidt:
Indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven of bouwwerken:
a. een handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet wordt vervaardigd of geteeld, verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet voorhanden is;
maakt de burgemeester gebruik van de haar ingevolge art. 13b van de Opiumwet toekomende bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Indien een voornoemd middel, voorwerp of stof wordt aangetroffen op een erf of in een bouwwerk behorende bij een woning of lokaal, dan vindt de toepassing van bestuursdwang tevens plaats ten aanzien van de woning of het lokaal waartoe het erf of bouwwerk naar het oordeel van de burgemeester redelijkerwijs behoort.
Artikel 4 van Pro het beleid biedt de burgemeester de mogelijkheid om, bij het aantreffen van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet in een woning dan wel in of bij een woning behorende lokalen en erven, waarbij redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de openbare orde en veiligheid c.q. het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woning ernstig in het geding is, af te zien van de waarschuwingsfase en over te gaan tot sluiting voor de duur van twintig weken.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd is om bestuursdwang toe te passen.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
10. Verzoeker betoogt dat geen sprake is van een ernstig geval en de burgemeester had kunnen volstaan met een waarschuwing dan wel een last onder dwangsom. De effectiviteit van een woningsluiting is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Ook in het algemeen is die effectiviteit nooit vastgesteld.
11. Dit betoog slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
11.1.
Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of de sluiting geschikt is en of er een noodzaak bestaat om het pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als de burgemeester de doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
11.2.
In het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft burgemeester toegelicht dat de woningsluiting noodzakelijk is omdat de gemeente al geruime tijd kampt met een omvangrijke verdovende middelenproblematiek. In de periode van 2015 tot en met 2025 is in de gemeente in totaal 476 keer toepassing gegeven aan het Damoclesbeleid, waarvan in de periode van 2023 tot vandaag vijf keer in de nabije omgeving (ongeveer 250 meter) van de woning. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de woning een rol heeft gespeeld in het drugscircuit, gelet op de aangetroffen, grote handelshoeveelheden drugs en attributen, met name de grote hoeveelheid cones en nieuwe lege voorgevormde jointvloeitjes. [1] Gelet op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen hadden bijna 14.000 joints gerold kunnen worden met een verkoopwaarde van bijna € 30.000,-. De burgemeester heeft daarom besloten tot sluiting van de woning en niet voor een waarschuwing of een last onder dwangsom omdat de sluiting is gericht op herstel van de situatie en het weren en terugdringen van drugshandel vanuit een woning. Ten tweede wordt zo het signaal uitgedragen dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit in de gemeente en wordt de bekendheid van de woning als drugspand in kringen van producenten, handelaars en gebruikers van verdovende middelen weggenomen. Zo wordt gegarandeerd dat de rust in de buurt terugkeert en de sluiting een signaalwerking naar derden heeft.
11.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de betreffende woning aan het drugscircuit te onttrekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen.
Evenwichtigheid van de sluitingsmaatregel
12. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [2]
Verwijtbaarheid
13. Verzoeker heeft aangevoerd dat de persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt omdat de verdovende middelen inclusief attributen niet van verzoeker maar van zijn halfbroer waren. Zijn halfbroer is dakloos en verzoeker had hem een slaapplek aangeboden in zijn woning. Zijn broer beschikte over een sleutel van de woning. De dag vóór de inval constateerde verzoeker dat zijn halfbroer de verdovende middelen in de woning had gelegd. Zijn halfbroer had toegezegd de verdovende middelen weg te halen, maar de politie stond al in de woning voordat dit was gebeurd.
14. Dit betoog slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
14.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de sluiting ook de gevolgen van de sluiting moeten worden betrokken, waarbij onder meer van belang is de mate van verwijtbaarheid. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding, afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden, kan maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Wel wordt van de hoofdbewoner verlangd dat hij of zij toezicht houdt op wat in de woning gebeurt. Er zijn wel grenzen aan het toezicht dat mag worden verwacht. Die grenzen zijn onder meer afhankelijk van de woonsituatie. De burgemeester moet motiveren welk verwijt de hoofdbewoner treft als hij de woning sluit.
14.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verklaring van verzoeker, dat de aangetroffen verdovende middelen en andere spullen zich pas één dag in de woning bevonden en van zijn halfbroer waren, niet geloofwaardig is. Op 17 november 2025 is verzoeker als verdachte gehoord door de politie en hij heeft zich daarbij beroepen op zijn zwijgrecht. Tegen de voorgenomen sluiting heeft de gemachtigde van verzoeker namens hem een zienswijze ingediend, waarin hij stelde dat het geldbedrag en “het speelgoedwapen met balletjes” van zijn zoon is. Maar in de zienswijze is niets vermeld over de halfbroer. De halfbroer noemt verzoeker pas voor het eerst in de gronden van bezwaar. Ter zitting heeft verzoeker hierover desgevraagd gezegd dat hij werd overvallen door het gebeurde en loyaal was naar zijn halfbroer. Wat hier ook van zij, dat hij niet onmiddellijk hierover heeft verklaard, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring. Dat hij zich op de dag van de inval overvallen voelde en zich bij de politie heeft beroepen op zijn zwijgrecht, is nog wel verklaarbaar gelet op het moment en de context van het verhoor. Maar geconfronteerd met de voorgenomen woningsluiting, met ingrijpende gevolgen voor hem en zijn minderjarige zoon, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom hij niet al in de zienswijze zijn halfbroer heeft genoemd. Bovendien heeft verzoeker zijn verklaring niet onderbouwd met andere bewijsmiddelen.
14.3.
De voorzieningenrechter acht de verklaring ook ongeloofwaardig, omdat het niet aannemelijk is dat verzoeker pas op de dag voor de inval van de politie kennis heeft genomen van de verdovende middelen en zijn halfbroer toen heeft verzocht alles op te ruimen maar dat toen al de politie voor de deur stond. Verzoeker geeft aan dat de verdovende middelen op 15 november 2025 in de woning zijn gedeponeerd. Op 16 november 2025 heeft de politie een TCI-proces-verbaal betreffende de aanwezigheid van verdovende middelen ontvangen en diezelfde dag zijn de verdovende middelen aangetroffen. De gemachtigde van de burgemeester heeft toegelicht dat de totstandkoming van een TCI-proces-verbaal enige tijd in beslag neemt en dat de melding over de aanwezigheid van verdovende middelen al eerder dan 15 november 2025 (het moment waarop verzoeker stelt dat hij de aanwezigheid van verdovende middelen ontdekte) moet zijn gedaan.
14.4.
Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de verdovende middelen en attributen niet op één plek, maar op verschillende plekken in de woning zijn aangetroffen. Ook in de auto van verzoeker zijn twaalf joints in kokers aangetroffen. Ook dit maakt het niet aannemelijk dat dit alles zich slechts één dag in de woning bevond. De voorzieningenrechter onderschrijft dan ook het standpunt van de burgemeester dat sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van verzoeker.
Aanwezigheid van de minderjarige zoon
15. Verzoeker betoogt dat hij de volledige zorg draagt voor zijn veertienjarige zoon. De opvangplekken waarop de burgemeester heeft gewezen, zijn niet geschikt voor een kind. Zijn zoon heeft er recht op niet te worden gescheiden van zijn vader. Er is geen contact met de moeder. Artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht door welke instantie deze zijn gemaakt, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In dat kader heeft verzoeker de burgemeester gevraagd om mee te denken bij het zoeken naar woonruimte en eventueel een passend aanbod te doen, maar die verantwoordelijkheid heeft burgemeester van de hand gewezen. Verzoeker heeft geen familie of vrienden waar hij terecht kan. Hij heeft zelf gezocht naar vervangende woonruimte, maar dat is niet gelukt. Ter zitting heeft verzoeker naar voren gebracht dat zijn zoon kwetsbaar is en diverse hulpverleningstrajecten heeft doorlopen.
16. Dit betoog slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
16.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoners de woning moeten verlaten. In beginsel is verzoeker zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Maar in het licht van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van Pro het IVRK is van belang dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning een minderjarig kind woont.
16.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de belangen van de zoon kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming. De burgemeester heeft een (veel) langere termijn gegeven tussen bekendmaking van het sluitingsbesluit en de voorgenomen daadwerkelijke effectuering daarvan dan opgenomen in het beleid. De burgemeester heeft in het bestreden besluit toegelicht dat deze langere termijn is gegeven vanwege de aanwezigheid van de minderjarige zoon, zodat verzoeker meer mogelijkheden had om vervangende woonruimte te vinden. Over het daadwerkelijk zoeken naar en vinden van vervangende woonruimte heeft de burgemeester in het bestreden besluit opgenomen dat de gemeente Kerkrade een ruim particulier huisaanbod heeft, zodat het vinden van vervangende woonruimte een reële mogelijkheid is. Verder is verwezen naar maatschappelijk werk Impuls Kerkrade. En dat het mogelijk is om tijdelijk te verblijven in de crisisopvang, namelijk Heugderlicht/Shelter045.
16.3.
In het verweerschrift heeft de burgemeester verder toegelicht dat in december de gemeentelijke zorgconsulent verzoeker heeft geadviseerd om zich te wenden tot Impuls en Shelter045. Verzoeker gaf echter aan dit niet te zullen doen en dat hij verwacht dat vanuit de gemeente vervangende huisvesting zou worden geregeld. De zorgconsulent heeft op 6 januari 2026 een afspraak geregeld voor verzoeker bij Impuls maatschappelijk werk, maar daar is verzoeker niet verschenen. Verzoeker heeft zich op 13 januari 2026 gewend tot de infobalie van Impuls. De maatschappelijk werker en de Wmo-consulent hebben toen meerdere adviezen gegeven en aangegeven dat men met verzoeker wilde meedenken, maar verzoeker wilde dit niet. Hierna heeft verzoeker zich niet meer gemeld. De burgemeester heeft toegelicht dat in het uiterste geval dat er geen vervangende woonruimte zou zijn, de Crisisdienst Jeugd het minderjarig kind zal opvangen op een speciaal daarvoor bestemde noodopvangplek. De burgemeester benadrukt dat de minderjarige zoon van verzoeker dus nooit feitelijk dakloos zou worden. Hetzelfde geldt voor verzoeker, die bij Shelter045 terecht zou kunnen. Er is dus altijd een vangnet. Dat de zoon van verzoeker extra kwetsbaar is, heeft verzoeker voor het eerst ter zitting naar voren gebracht, maar hij heeft hierover geen bewijsstukken overgelegd. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat zowel verzoeker, maar ook de burgemeester alles in het werk zullen stellen om te voorkomen dat de minderjarige zoon en zijn vader worden gescheiden.
16.4.
Verzoeker heeft betwist dat het vinden van vervangende woonruimte in Kerkrade een reële optie is. Hij heeft namelijk gezocht maar niets gevonden. Ter onderbouwing hiervan heeft hij screenshots overgelegd van advertenties waarop hij heeft gereageerd. Maar hieruit blijkt niet dat er een uitputtende zoekslag heeft plaatsgevonden door verzoeker.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning voor de duur van twintig weken zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning. De burgemeester heeft in dat verband terecht overwogen dat handel in drugs leidt tot verstoring van de openbare orde en aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarbij komt dat de woning is gelegen in een zeer kwetsbare wijk én een kwetsbare gemeente. De voorzieningenrechters dan ook van oordeel dat sluiting van de woning voor twintig weken niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester kan overgaan tot sluiting van de woning. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026. .
De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910