Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1755

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/03/341694 / HA ZA 25-205
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:184 BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van vorderingen tussen deelgenoten over nalatenschap en aandelenverkoop

De rechtbank Limburg behandelde twee civiele zaken tussen erfgenamen die gezamenlijk de nalatenschap van hun overleden vader afwikkelen. De moeder, medevertegenwoordiger, verblijft in een verpleeginstelling. De nalatenschap omvat onder meer effectenrekeningen en schulden. Beide erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en zijn benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder, maar een van hen is ontslagen als executeur.

In zaak A vordert de ene erfgenaam een verklaring voor recht dat de andere onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende informatie te verstrekken en medewerking aan verkoop van aandelen te weigeren, met een schadevergoeding van ruim €535.000. In zaak B vordert de andere erfgenaam primair een verklaring dat de aandelen al tijdens leven volledig aan hem toekwamen, en subsidiair een verklaring over de verdeling van aandelen, alsmede een verklaring dat de verkoop door de tegenpartij onrechtmatig was, met schadevergoeding.

De rechtbank overweegt dat vorderingen tussen deelgenoten over de nalatenschap, inclusief op onrechtmatig handelen gebaseerde vorderingen, volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:535) in de verdeling van de nalatenschap moeten worden betrokken. Daarom wordt de ontvankelijkheid van beide partijen ambtshalve beoordeeld en worden beide zaken verwezen naar de rol voor nadere uitlatingen over ontvankelijkheid. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank verwijst beide zaken naar de rol voor nadere uitlatingen over ontvankelijkheid en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Vonnis in gevoegde zaken van 18 februari 2026
in de zaak met zaaknummer
C/03/341694 / HA ZA 25-205(zaak A) van
[persoon 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon 1],
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper,
tegen
[persoon 2],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. I.K. Decupere,
en in de zaak met zaaknummer
C/03/343333 / HA ZA 25/297(zaak B) van
[persoon 2],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon 2],
advocaat: mr. I.K. Decupere,
tegen
[persoon 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon 1],
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper,

1.De procedure in de zaak A

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het voegingsincident van 3 september 2025 in zaak B, waarin zaken A en B worden gevoegd en de daarin genoemde processtukken
- de akte overlegging producties 61 tot en met 85 van [persoon 2]
- de akte overlegging producties 50 tot en met 62 van [persoon 1]
- de mondelinge behandeling op 10 februari 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
- de spreekaantekeningen van [persoon 1]
- de spreekaantekeningen van [persoon 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De procedure in de zaak B

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 3 september 2025, waarin zaken A en B worden gevoegd en de daarin genoemde processtukken.
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 26
- de akte eiswijziging
- de akte overlegging aanvullende producties 66 tot en met 75 van [persoon 2]
- de akte overlegging producties 50 tot en met 62 van [persoon 1]
- de mondelinge behandeling op 10 februari 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
- de spreekaantekeningen van [persoon 1]
- de spreekaantekeningen van [persoon 2].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op [datum] 2023 is de vader van partijen, [erflater] (hierna: erflater) overleden. De moeder lijdt aan de ziekte van Alzheimer en verblijft sinds de zomer van 2018 in een verpleeginstelling. Partijen zijn, op grond van het levenstestament van moeder, gezamenlijk bevoegd haar te vertegenwoordigen.
3.2.
Erflater heeft bij testament van 24 juni 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament is moeder uitgesloten als erfgenaam en zijn [persoon 2] en [persoon 1] benoemd tot (enige) erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. [persoon 2] en [persoon 1] zijn daarnaast beiden benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder en executeur, welke benoeming zij hebben aanvaard.
3.3.
[persoon 2] en [persoon 1] hebben de nalatenschap beiden beneficiair aanvaard.
3.4.
Tot de nalatenschap horen onder meer de waarde van drie effectenrekeningen en een aantal schulden.
3.5.
Bij beschikking van 8 mei 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank, op verzoek van [persoon 1], [persoon 2] ontslagen als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. De beschikking van de kantonrechter is bij beschikking van 14 november 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd.
3.6.
In mei 2024 heeft [persoon 1] de aandelen van erflater verkocht.

4.Het geschil

in de zaak A
4.1.
[persoon 1] vordert samengevat een verklaring voor recht dat [persoon 2] onrechtmatig jegens [persoon 1] heeft gehandeld, met veroordeling van [persoon 2] om
€ 535.308,10 vermeerderd met rente aan [persoon 1] te voldoen, vermeerderd met de (werkelijke subsidiair forfaitaire) proceskosten en rente daarover.
in de zaak B
4.2.
[persoon 2] vordert na wijziging van eis samengevat:
I
primair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater reeds tijdens leven voor 100% aan [persoon 2] toekwamen, op grond van overeenkomsten, danwel op grond van afstand van recht door [persoon 1],
subsidiair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater voor 100% aan [persoon 2] toekwamen, op grond van schenking tijdens leven van erflater.
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater voor 75% aan [persoon 2] toekwamen en voor 25% aan [persoon 1], op grond van een overeenkomst,
II een verklaring voor recht dat [persoon 1] door de verkoop van de LWLG aandelen van erflater, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon 2] en daardoor aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade of te lijden schade en veroordeling van [persoon 2] tot betaling van de schade nader op te maken bij staat,
III de proceskosten vermeerderd met rente.
4.3.
Partijen voeren verweer tegen elkaars vorderingen. Op hun stellingen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Inzet van procedure A is dat [persoon 1] [persoon 2] aansprakelijk houdt voor het koersverlies van een aandelenportefeuille behorend tot de nalatenschap van erflater. Volgens [persoon 1] heeft [persoon 2] nagelaten om haar te informeren over de omvang, samenstelling en het koersverloop van die portefeuille en heeft hij geweigerd om medewerking te verlenen aan verkoop van de aandelen toen [persoon 1] hierop aandrong.
5.2.
Inzet van procedure B is dat [persoon 2] [persoon 1] aansprakelijk houdt voor de door hem geleden schade als gevolg van de verkoop van de aandelenportefeuille van erflater door [persoon 1] in mei 2024. Volgens [persoon 2] had [persoon 1] geen aanspraken op de aandelen en had zij de aandelen niet mogen verkopen.
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon 2] met een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2018 [1] betoogd dat [persoon 1] niet ontvankelijk is in haar vorderingen in zaak A [2] . Hij stelt dat een vordering die een deelgenoot meent te hebben op een andere deelgenoot met betrekking tot de nalatenschap (inclusief een vordering die is gebaseerd op onrechtmatig handelen jegens de nalatenschap zoals in zaak A) op de voet van artikel 3:184 en Pro 3:185 BW in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken op straffe van niet-ontvankelijkheid.
5.4.
Gelet op voormeld verweer en het feit dat de ontvankelijkheid van [persoon 1] en [persoon 2] in zaken A respectievelijk B ook ambtshalve beoordeeld moet worden zal de rechtbank zaken A en B verwijzen naar de rol voor akte uitlating omtrent de ontvankelijkheid aan de zijde van beide partijen, zoals hierna geformuleerd.

6.De beslissing

De rechtbank
in de zaak A
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van
4 maart 2026voor akte uitlating omtrent het niet-ontvankelijkheidsverweer in zaak A
aan de zijde van [persoon 1],
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak B
6.3.
verwijst de zaak naar de rol van
4 maart 2026voor akte uitlating omtrent de ontvankelijkheid van [persoon 2] in zijn vorderingen in zaak B aan de zijde van
beidepartijen,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

2.Zie alinea 1 in haar zittingsaantekeningen in zaak A