ECLI:NL:RBLIM:2026:1456

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/1298
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:73 Awb (oud)Art. 8:88 AwbArtikel 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens geen compensatie voor institutionele vooringenomenheid toeslagenjaren 2011-2014

Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen stelde het compensatiebedrag vast, waarbij rekening werd gehouden met eerdere compensatie op grond van de Catshuisregeling. Het beroep van eiseres werd gedeeltelijk gegrond verklaard, maar het beroep van haar echtgenoot werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen bezwaar had gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding zag om compensatie toe te kennen wegens institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel voor de jaren 2011 tot en met 2014. De rechtbank lichtte toe dat institutionele vooringenomenheid betrekking heeft op collectieve stopzetting zonder individuele beoordeling en een zerotolerance-onderzoek, maar dat dit niet in samenhang in het dossier van eiseres aanwezig was.

Verder werd overwogen dat de Dienst Toeslagen de toeslagen in genoemde jaren heeft aangepast op basis van door eiseres of haar kinderopvanginstelling doorgegeven wijzigingen, en dat dit volgens de wettelijke systematiek correct was. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding van haar echtgenoot afgewezen.

De rechtbank benadrukte dat de brief van eiseres aan de Dienst Toeslagen als verzoek om herbeoordeling werd aangemerkt en dat het niet als bezwaar behandelen daarvan niet automatisch wijst op vooringenomenheid. De uitspraak werd gedaan door rechter Derks-Voncken en griffier Van Hooff op 11 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van de echtgenoot wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van eiseres ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 24/1298

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser, en
[eiseres], eiseres, beiden uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft zich als gedupeerde van de toeslagenaffaire bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Met vier afzonderlijke besluiten van 7 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen beslist op dit verzoek en het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 21.854,-. Omdat eiseres op grond van de Catshuisregeling al een compensatiebedrag van € 30.000,- toegekend heeft gekregen, krijgt zij geen nabetaling. Met de beslissing op bezwaar van 17 januari 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 23.459,-. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
Verder heeft eiser op 21 mei 2023 de Dienst Toeslagen verzocht om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers fysiek deelgenomen. De gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen hebben via beeldverbinding deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Positie van eiser en zijn verzoek om schadevergoeding
3. In artikel 6:13 van Pro de Awb is – voor zover thans van belang – bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
3.1.
De rechtbank stelt (ambtshalve) vast dat eiser geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen voormelde besluiten van 7 maart 2022 en dat haar niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan aan eiser niet kan worden verweten dat hij dit niet heeft gedaan. Op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb is het daarom niet mogelijk voor eiser om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door eiser, niet-ontvankelijk is.
3.2.
Over het verzoek om schadevergoeding dat is ingediend door eiser, overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is titel 8.4 van de Awb, die gaat over schadevergoeding, (nog) niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover deze zijn genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. De rechtbank stelt vast dat in dit geval hier sprake van is. Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat titel 8.4 van de Awb wél van toepassing is omdat het besluit niet door de Dienst Toeslagen is genomen maar door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, kan de rechtbank dit niet volgen. Zoals de Dienst Toeslagen tijdens de zitting heeft aangegeven, is de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen de feitelijke uitvoeringsinstantie die onder de Dienst Toeslagen valt en namens deze besluiten neemt.
3.3.
Dit betekent dat titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van Pro de Awb, niet van toepassing is op het verzoek van eiser, maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 gold. [1] Dat oude recht [2] luidt: “
Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
3.4.
Omdat het beroep van eiser, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk wordt verklaard kan eiser in deze procedure niet als partij worden beschouwd. De rechtbank wijst alleen al daarom het verzoek om schadevergoeding van eiser af. De rechtbank zal hierna het beroep behandelen voor zover dit door eiseres is ingesteld.
Het niet verstrekken van het dossier en de wijze van verstrekking
4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangegeven dat het ouderdossier inmiddels is verstrekt en dat alle gronden van beroep hieromtrent als ingetrokken moeten worden beschouwd. Zij zal deze beroepsgronden daarom niet meer behandelen.
Vooringenomenheid in de toeslagjaren 2011 tot en met 2014
5. Eiseres voert – kort gezegd – aan dat ten onrechte is vastgesteld dat er in de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 geen sprake is van vooringenomenheid. Er zijn in die jaren meerdere wijzigingen door de Dienst Toeslagen doorgevoerd waarbij het voor eiseres onduidelijk is waardoor deze zijn geïnitieerd. Een wijziging van het recht op kinderopvangtoeslag zonder tussenkomst van eiseres, zonder enige grondslag, is een besluit dat vooringenomen tot stand is gekomen. Ook geeft eiseres aan dat de Dienst Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van bepaalde toeslagjaren geen bezwaar is gemaakt tegen de betreffende toeslagbeslissingen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om compensatie toe te kennen vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft de in het geding zijnde toeslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2014. Zij licht dit hierna toe.
5.2.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) [3] volgt dat van institutionele vooringenomenheid sprake kan zijn geweest op groepsniveau of op het niveau van een individuele ouder. Bij institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen gaat het om een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook gaat het om het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Met een zerotolerance-onderzoek wordt een aanpak bedoeld waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. Het gaat niet om de optelsom van de genoemde kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Het betreft geen limitatieve opsomming.
5.3.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt verder dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
5.4.
Daarvoor is allereerst van belang dat in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) de algemene regels zijn opgenomen over (onder andere) de uitvoering van de Wet kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen. In de Awir is onder meer bepaald dat de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming op aanvraag toekent. De aanvrager moet daarbij de benodigde informatie verstrekken, maar de Dienst Toeslagen krijgt ook van andere (betrouwbare) partijen informatie. Verder is daarin bepaald dat indien na toekenning van een tegemoetkoming blijkt dat deze te hoog of te laag is toegekend (vanwege een afwijkend inkomensgegeven), de Dienst Toeslagen deze tegemoetkoming moet herzien. [4]
5.5.
De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift duidelijk en onderbouwd toegelicht dat de toegekende toeslag in die jaren is aangepast in zowel de voorschot- en definitieve beschikkingen aan de hand van (voornamelijk door eiseres zelf) doorgegeven wijzigingen. Het betreffen reguliere wijzigingen. Daarbij mag de Dienst Toeslagen uitgaan van de ontvangen informatie en is zij niet verplicht, gelet op de wettelijke systematiek waarbij op basis van gegevens die afkomstig zijn van de ouder de hoogte van het toe te kennen voorschot wordt bepaald, om navraag te doen bij de toeslaggerechtigde. Of de wijzigingen (uurtarief, aantal uren opvang, stopzetten van de opvang et cetera) zijn doorgegeven door eiseres zelf aan de Dienst Toeslagen of voor haar door de kinderopvanginstelling is daarbij niet relevant. De Dienst Toeslagen heeft met behulp van XML-bestanden onderbouwd dat de wijzigingen digitaal zijn doorgegeven met gebruikmaking van het burgerservicenummer van eiseres, zodat, als de wijzigingen al zijn doorgegeven door de kinderopvanginstelling, aangenomen moet worden dat dat alleen met medeweten van of in opdracht van eiseres kan zijn gedaan. Als het toetsingsinkomen in de voorschotbeschikkingen afwijkt van het toetsingsinkomen in de definitieve beschikking dan dient de Dienst Toeslagen het door de Belastingdienst vastgestelde toetsingsinkomen bovendien als een gegeven aan te merken. Eiseres heeft niet uitgelegd waarom de toelichting zoals door de Dienst Toeslagen is gegeven in het verweerschrift en ook ter zitting over de doorgevoerde wijzigingen ontoereikend is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het wettelijk systeem in de toeslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2014. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet.
5.6.
Voor zover eiseres zich verder nog op het standpunt stelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft beweerd dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de toeslagbeslissingen, wat volgens haar ook zou duiden op vooringenomen handelen, overweegt de rechtbank het volgende.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat eiseres een brief naar de Dienst Toeslagen heeft verstuurd, welke de Dienst Toeslagen op 17 december 2019 heeft ontvangen. Hierin heeft zij haar situatie toegelicht en verzocht om herziening. De Dienst Toeslagen heeft deze brief dan ook terecht als een verzoek om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag aangemerkt. Maar ook als de Dienst Toeslagen de brief van eiseres wel als een bezwaarschrift had moeten aanmerken betekent dit niet dat sprake is van een vooringenomen handelen. Weliswaar is het zonder toestemming van de bezwaarmaker niet als zodanig behandelen van een bezwaarschrift in strijd met artikel 7:10, eerste lid, van de Awb maar zonder verdere aanknopingspunten, die in dit geval ontbreken, kan uit de handelwijze van de Dienst Toeslagen (om het bezwaar op te vatten als een verzoek om informatie) niet worden afgeleid dat alleen al daarom sprake was van vooringenomen handelen. [5] Mede omdat de bezwaartermijn destijds al lang verstreken was.
5.8.
Gelet op het voorstaande is het beroep, voor zover dat is ingediend door eiseres, ongegrond. Dat betekent dat zij geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Ook betekent dit dat zij geen vergoeding krijgt van het door haar betaalde griffierecht of de door haar gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover dat is ingediend door eiser, niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • verklaart het beroep, voor zover dat is ingediend door eiseres, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 11 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, en 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:682.
2.Artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (oud).
4.Zie de paragrafen 2 en 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
5.Zie uitspraken van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961, onder 5.1 en 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5599.