Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen stelde het compensatiebedrag vast, waarbij rekening werd gehouden met eerdere compensatie op grond van de Catshuisregeling. Het beroep van eiseres werd gedeeltelijk gegrond verklaard, maar het beroep van haar echtgenoot werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen bezwaar had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding zag om compensatie toe te kennen wegens institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel voor de jaren 2011 tot en met 2014. De rechtbank lichtte toe dat institutionele vooringenomenheid betrekking heeft op collectieve stopzetting zonder individuele beoordeling en een zerotolerance-onderzoek, maar dat dit niet in samenhang in het dossier van eiseres aanwezig was.
Verder werd overwogen dat de Dienst Toeslagen de toeslagen in genoemde jaren heeft aangepast op basis van door eiseres of haar kinderopvanginstelling doorgegeven wijzigingen, en dat dit volgens de wettelijke systematiek correct was. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding van haar echtgenoot afgewezen.
De rechtbank benadrukte dat de brief van eiseres aan de Dienst Toeslagen als verzoek om herbeoordeling werd aangemerkt en dat het niet als bezwaar behandelen daarvan niet automatisch wijst op vooringenomenheid. De uitspraak werd gedaan door rechter Derks-Voncken en griffier Van Hooff op 11 februari 2026.