Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De verdere procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2025.
Rechtbank Limburg
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van gedaagde wegens vermeende schade veroorzaakt door een prikkeldraadafrastering rondom een perceel dat gedaagde huurt. Eiser stelt dat de afrastering niet deugdelijk is en dat hierdoor metalen krammen en mest in zijn grasland zijn terechtgekomen, waardoor het gras ongeschikt is als paardenvoer en extra kosten zijn gemaakt.
Gedaagde betwist de schade en voert aan dat de afrastering grotendeels intact is en dat de foto’s van eiser dit niet aantonen. Ook een getuigenverklaring ondersteunt de stelling van gedaagde. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende feiten en bewijs heeft geleverd om zijn schade te onderbouwen.
Omdat eiser niet heeft toegelicht waarom de foto’s schade aantonen en geen specifiek bewijs heeft aangeboden, wordt zijn vordering afgewezen. Ook de vorderingen met betrekking tot het herstel van de afrastering worden afgewezen omdat gedaagde geen eigenaar is en juridisch geen zeggenschap heeft over de afrastering.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, begroot op € 1.152,00. De kantonrechter wijst de vorderingen af en sluit daarmee de procedure af.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade en gebrek aan zeggenschap van gedaagde over de afrastering.